terug  begin  verderprepost
[p. 25]

Vrijdag

- Een vol etmaal verdaan met voorbereidingen. Tegen twee uur begint het erop te lijken dat de paar honderd colli, het hebben en houden van de zesendertig man waaruit onze expeditie bestaat, ten slotte toch nog verstouwd zijn in onze zeven houten boten, met zulke mooie namen als ‘Brokopondo’, ‘Mamadam’ en ‘God zij met ons’. Dan merken we pas dat er sinds de vroege morgen nog niets gegeten is, en dit moet ook nog even verzorgd worden, - in een oord als Albina, zo plotseling, nog een verre van eenvoudige zaak.

Ook is het nu flink begonnen te stortregenen, en wanneer wij eindelijk om half vier in de boten stappen; is er net een van die tropische onweers-en regenbuien losgebroken, waarbij je horen en zien vergaan en de rivier meer van een lelijke, onstuimige inham weg heeft dan van de statige, eerbiedwekkende stroom die wij nu dagenlang, tot aan zijn bovenloop, zullen moeten volgen.

Een prettig vooruitzicht! Al heel gauw zijn Bob en ik, ondanks het zeildak boven ons hoofd en de comfortabele zitplaats die hij gefabriekt heeft, doornat van regenvlagen en golven die zijwaarts, bij elke rivierbocht nu eens van links, dan weer van rechts binnendringen. De boten liggen diep, het is wonderbaarlijk hoe ze alles en iedereen hebben kunnen meenemen, behalve de jammerende vrouw van een van onze bosneger-arbeiders. Maar het is een ijzeren wet, door Bob van meet af aan uitgevaardigd: ‘Geen vrouwen mee op deze tocht!’ En het blijkt al gauw hoe terecht, want er is nauwelijks plaats voor wie noodzakelijk mee moeten, en de stortregen spoelt zelfs het laatste greintje opkomende consideratie met wie dan ook weg.

In de kleine adempauze tussen twee buien in voel ik mij pas, opeens, helemaal nat en verkleumd en ongelukkig. Met als troost de gedachte: Je kunt beter het ergste meteen maar achter de rug hebben en jezelf behoorlijk op de proef gesteld

[p. 26]

weten; dan kan de rest enkel nog meevallen en haal je het wel...

Nu zwiept de regen ook van voren naar binnen en vriend Bob komt op het lumineuze idee om onder het zeildak nog een grote oude paraplu op te steken en verticaal vóór ons te houden. Hij heeft letterlijk aan alles gedacht, en deze tocht is - in zijn opzet althans - een mooi staaltje van ingenieurswerk. Er is eerder een te veel dan een te weinig aan uitrusting, - geheel overeenkomstig de opvattingen van de moderne, vertechniekte mens. Geen primitiviteit meer in deze tijd, als het maar enigszins kan!

Het doel van ons snelle vertrek-tegen de zin van het personeel, dat liever tot morgen had willen wachten-is: hoe dan ook onderweg te zijn om Herminadorp, op nog goed drie uur varen afstand, te bereiken en daar te overnachten. Het allermiserabelste weer werkt weliswaar niet mee, en al om half vijf is het schemerig door de lage lucht, maar de rivier blijft toch nog verwonderlijk lang licht en de herkenningspunten aan de oever, die wij van dichtbij blijven volgen, zijn gelukkig goed zichtbaar. Niettemin is het donkere nacht als wij eindelijk om half acht Herminadorp bereiken, waar het ook een even volslagen duistere boel is.

Verregend en ellendig krabbelen we de spiegelgladde modderoever op-niet zonder een paar maal uit te glijden, natuurlijk-en komen dan het eerst in een winkel van een creoolse terecht, waar men inmiddels begonnen is met licht op te steken, zodat wij kans krijgen onze eigen lampen in orde te maken en de elektrische zaklantarens uit de doorweekte chaos van bagage te voorschijn te halen. Daarna is het zaak, alle boten uit te laden. Geen onbewaakte vracht 's nachts op de rivier!

Gelukkig dat er geen moeilijkheden zijn met een nachtkwartier. De hut van de vader van de winkelierster, die toe-

[p. 27]

vallig voor een paar dagen naar Albina is, wordt ons welwillend afgestaan. Onze twee veldbedden worden opgesteld en D.'s hangmat wordt gebonden boven een stapel drogende maïs. Ook de arbeiders vinden een ruime loods en zijn al gauw aan het kokkerellen. Hun luid gepraat dringt tot ons huisje door, en onverwachts is daar ook radio - of grammofoonmuziek bij. Een rijkaard onder hen heeft dit moois meegenomen, dat toch nog de twijfelachtige ‘stem der beschaving’ op een plaats brengt waar ze beslist niet thuishoort. Maar het helpt hen de ongemakken van de tocht vergeten, die hun immers heel wat eisen stelt.

Het is inmiddels beter weer geworden en een glas whisky doet onder deze omstandigheden zulke wonderen, dat we ons met een minimum aan avondeten tevreden stellen en het veldbed een heerlijker slaapstee wordt dan wat ter wereld.

prepostterug  begin  verder