terug  begin  verderprepost

Maandag

- Veel hebben we er niet van gemerkt dat het gisteren zondag was, behalve dat er op het Stoelmans-eiland niet gewerkt werd en er een aandoenlijk-vreedzame stemming heerste. Nu, in de vroege maandagmorgen, wordt ergens op een stuk ijzer geslagen dat het luid weerschalt, en treden de bouwlieden - werklui uit de stad en bosnegers - aan, om met de hospitaalbouw verder te gaan. Intussen krijgen wij onze radioverbinding met Paramaribo, en kunnen wij berichten hoe ver wij gevorderd en tot waar onze plannen voor vandaag zijn. Om half acht zitten we dan alweer ingescheept, na meester R. alle zegen over zijn gelovig werk te hebben toegewenst.

We moeten een klein stukje terug, tot op de plaats waar de Marowijne zich splitst in de Lawa, waar wij vandaan komen, en de Tapamahoni, waar wij heen moeten. Maar we hoeven gelukkig niet meer in de nabijheid van de Mambari-vallen met hun krijsende gevaren te komen. Voor vandaag krijgen we er nog genoeg, - veel meer dan ons lief is.

Eerst zijn het de Gwetapoe-vallen, die ondanks hun onheilspellende naam ‘Stop, ga weg!’ nogal meevallen. Welzijn ze woest genoeg en vergen ze een uiterste aan stuurmanskunst, maar de vaargeulen die we voor het kiezen hebben, zijn tenminste zó diep dat wij nergens vastlopen, - wat het enige werkelijk gevaarlijke is, omdat dan de boot meteen dwars komt te liggen, kantelt of volloopt, en op zijn minst de lading onherroepelijk verloren gaat. De grote kunst bestaat juist daarin, de versnelling dwars te nemen, zó, dat de stroom het achterdeel van de boot in de goede richting zwiept, ter-

[p. 43]

wijl de twee mannen op de voorplecht met hun koela-stok de kop al op de juiste plaats gedreven hebben.

Het is alles werk op het kantje af; kwestie van een fractie van een seconde. Maar het teamwerk is voorbeeldig. Er wordt geen woord te veel of te weinig gezegd; kapitein en stuurman zijn volkomen op elkaar ingespeeld, en de beide andere, pagaaiende leden van de bemanning niet minder. Elke beweging, elke handeling wordt door een voor ondeskundigen als wij onnaspeurlijke vanzelfsprekendheid gedicteerd.

Na een paar prachtige vergezichten op nabije en verre heuvels (ook de kammen van het Lely-gebergte-langgerekt en egaal-zijn nog net even te zien) krijgen we een volgende reeks stroomversnellingen. Om te beginnen de Gwé-val, die een climax vormt van werveling en woestheid, dan de ‘Tapoes’, een serie ‘soela's’ zoals de versnellingen tussen de klippen hier heten. We maken de gekste ommetjes, omdat de meeste van die klippen nu onzichtbaar zijn. Maar onze loods Kewali is feilloos, en waar nodig sondeert hij met zijn lange koela-stok diepten die van enkele decimeters tot een paar meter variëren. Een enkele maal moet ook de motor uit het water gelicht, voor alle veiligheid, en gaan we een aantal minuten op mankracht voort, - nauwelijks langzamer dan wanneer onze 25 pk is ingeschakeld.

Waar ‘soela's’ zijn, vind je ook kleine ‘tabbitji's’ - kale of laagbegroeide eilanden - en het is een verademing als wij aan het eind van zo'n reeks, langs de nog altijd imposant-brede Tapamahoni, een wrakkig winkeltje ontdekken met de onvermijdelijke Chinees ervoor, die onze vloot-in-aantocht al staat op te wachten. We hebben post voor hem, vinden zijn eenzame winkel proper en welvoorzien, met daarin zelfs een kantoortje en een boekhouding op vergeelde bladen met Chinese karakters.

[p. 44]

De gram-balans die er zo opvallend in zijn glazen kastje staat, leert ons dat hij in goud handelt. Want er zitten nog altijd los-werkende goudzoekers, de klassieke ‘pocknockers’, in deze streek.

De zoon van het Hemelse Rijk heeft zich een Javaanse vrouw aangemeten en daarmee een nakomelingetje geproduceerd dat er niettemin volkomen Chinees uitziet. Het wordt door een paar naakte zwarte bosnegermeisjes rond-gezeuld, - een idyllenogal schril afstekend bij de woonkamer, die met enkele portretten van Chinese generaals en een serie gekleurde prenten van Chinese pin-up-girls versierd is. Over cultuur-bewustzijn en cultuur-handhaving gesproken!

Overigens is de Chinees beste maatjes met Kewali, die in de gauwigheid een paar flesjes Hollands bier inslaat om de maat van het internationalisme vol te maken. Hier in de verre binnenlanden kom je het duidelijker tegen dan in de ‘beschaafde’ chauvinistische wereld.

Wij van onze kant gebruiken de gelegenheid om van alles en nog wat te filmen, en als alle schaapjes weer bij elkaar zijn, maken wij ons op om de Krioro-soela te passeren, komen langs een paar aanvallig gelegen Djoeka-dorpen in een landschap dat met het clair-obscur van deze dag soms sterk herinnert aan de lagere gedeelten van het Garda-meer, in de buurt van Sirmione, alleen zonder de bergen die men daar op de achtergrond ziet. Maar er heerst eenzelfde bucolische rust, een overdaad van groen, van nauwelijks rimpelend water en zich daarin spiegelend geboomte alom.

Wanneer wij echter, drie uur varen van het Stoelmans-eiland verwijderd, bij een rivierbocht de lange grijze dakenvan gegalvaniseerd ijzer, symbool van verwesterlijking! - zien, die het Internaat van de nog jonge vestiging Karmel bedekken, dan is de idylle weer grondig verstoord. Dit is de plaats waar meester R. eigenlijk gevestigd is en waar de

[p. 45]

Evangelische Broedergemeente een inrichting heeft gebouwd voor de opvoeding van een honderdtal jongens en meisjes uit het bosland. Er zijn er intussen, volgens de inlichtingen, in werkelijkheid maar zevenenveertig, en van de resultaten valt nog niet veel te zeggen. Men is ‘pas’ zes jaar bezig.

Toch schijnt hier aan onderwijs meer behoefte te bestaan dan aan directe medische verzorging. Bij de grote afstanden kan deze immers slechts incidenteel zijn, terwijl door zo'n opvoedingscentrum gezondere levenswijzen en hygiënischer omstandigheden kunnen worden aangekweekt. De resultaten dáárvan zullen, al zijn ze minder spectaculair, van blijvende waarde zijn en ook de economische vooruitgang van de boslandbewoners in de hand werken. Of ze bij dit alles gelukkiger mensen zullen worden, is een geheel andere vraag, - een vraag die bijna alle ‘do-gooders’ vergeten zich te stellen.

In ieder geval is onder de gegeven omstandigheden zo'n internaat, mits goed opgevat, de meest aangewezen oplossing. Zaak zal zijn de opgeleiden niet te vervreemden van hun natuurlijke milieu, maar ze juist te oefenen in het doorgeven van het aangeleerde aan hun eigen mensen. Of die beter aangepaste generatie nu uit heidenen (op hun manier religieus) of christenen zal bestaan, is vanuit sociologisch standpunt minder belangrijk. Het blijft een blaam voor de Surinaamse overheidsinstanties dat ze in dezen alles maar aan de zending-en elders aan de missie-overlaten, en zelf geen enkel initiatief weten op te brengen. Het is een bij uitstek ‘liefdeloze’ regering, hier in Suriname én in Nederland.

prepostterug  begin  verder