- Met slechts twee boten, de ‘Oppoliba’ en de ‘God zij met ons’ gaan we verder. Als arbeiders nemen we slechts zeven bosnegers mee - Bob kan beter met hen dan met de gesloten Indianen opschieten - zodat wij met z'n negenen niet veel nodig hebben en vlug kunnen voortmaken. Dit laatste blijkt intussen maar een illusie, want weldra komen we voor enkele heel lelijke vallen te staan wat betreft het overtrekken, al zijn het buitengewoon mooie wat hun aanblik aangaat. Ze kosten ons aardig wat werk.
Er is nu geen mogelijkheid meer om in de boot te blijven daar de rivier, die zich als een enorme paleistrap voor ons uit verheft en zijn witte schuimgutsen op ons af stort, een langzame, zorgvuldige strategie vergt.
Als vlugge wezens, half apen, half waterdier, waden en klimmen en zwemmen de bosnegers door de val totdat ze een geschikte plaats gevonden hebben, de enige waarschijnlijk, waar de boot doorheen getrokken, getild, gewrikt en gesleept wordt. Zo nemen we een eerste bordes van ongeveer een meter of anderhalf hoog. Vervolgens wordt de boot tegen een vlakke granietkant opgestoten en vastgelegd, waarna even adem geschept en met het tweede bedrijf begonnen kan worden.
Het is een gigantisch waterballet in een kostbaar decor van levend groen, begeleid door klotsende, ronkende, bruisende watermuziek; een symphonie zonder begin of einde, een ‘unendliche Melodie’ zoals Richard Wagner zich nooit heeft kunnen dromen. Bij die bedrijvigheid roert Bob zich ook als een echte blanke bosneger, een ontkleurde Djoeka, een albino die zich door niets laat afschrikken, maar met zijn voorbeeld het goede tempo en de humor erin houdt.
Wanneer wij ten slotte tegen de middag bij het laatste bosneger-dorp, Granbori, aankomen - het geboortedorp van een van onze arbeiders - dan begroeten ons de zwarte schonen
(hier inderdaad bekoorlijker dan we ze elders zagen) met de vleiende opmerking: ‘Luku den bak'a. Den t'on man-néng'é’ - ‘Kijk die blanken eens aan. Het zijn negers geworden!’ En we hebben de hele tijd door veel bekijks terwijl we het hoog gelegen dorp door klauteren; aan kinderen vooral geen gebrek! Ze blijven ons volgen.
De kapitein van dit dorp, het Ultima-Thule van Djoekaland, meent aan deze grenssituatie speciale voorrechten te mogen ontlenen. Ook hij wenst een ‘kroetoe’, om van ons te horen wat onze plannen zijn en te zien of hij ons een geschenk afhandig kan maken. Gewillig volgen wij hem naar het logeerhuis, dat echter in plaats van een loofbedekking een dak van gegolfde ijzeren platen heeft en daardoor zo heet is dat wij meteen weer buiten staan. Het stinkt er trouwens ook, en het hele dorp maakt een onzindelijke indruk, - zo totaal anders dan bijvoorbeeld het keurig opgeruimde Drietabbetje.
Onder deze omstandigheden komt er dan ook niets van een formele ‘kroetoe’. Staande geven wij de kapitein wat inlichtingen. Hij is kennelijk ontevreden met dit gebrek aan egards, maar kan het ons doen. ‘Je kunt van mij de boom in,’ bromt Bob in onvervalst Nederlands. En er zijn bomen genoeg om ons heen.
Zodra wij Granbori achter ons laten, zijn we van Bos-negerland overgegaan naar Indianenland, en aan een lichte onzekerheid bij onze bemanning is goed te merken dat ze zich hier niet meer zo helemaal ‘thuis’ voelen, ook al zijn ze in grote trekken wel georiënteerd en kennen zij de namen van kreken, soela's en bergen wel precies.
‘Wilde’ Indianen kwamen wij intussen al een paar uur vóór Granbori tegen. Een tweetal korjalen met Oayana's; in een daarvan hun opperhoofd met zijn prachtige naakte vrouw, vol bloedrode kralen behangen - een rijke aanblik - en
één boot met Trio's. Ze keerden terug van een bezoek aan de stad, en trokken zich weinig van ons aan. Ook Indiaanse jachthonden - herkenbaar aan de donkerrode kleurstof waarmee ze zijn ingesmeerd - zaten veelvuldiger dan eerst op de voorplecht van de bosneger-korjalen die wij op onze weg ontmoetten. En ook de aanblik van de rivier was langzamerhand veranderd.
Naakte keien en vooral granietrotsen grijnzen ons tegen en liggen soms kwistig rondgestrooid als het verlaten speelgoed van de een of andere demiurg die lang geleden hier dammetjes-bouwen moet hebben gespeeld, zoals kinderen elders aan het zeestrand doen. De stroombedding is nu ook aanmerkelijk smaller geworden - doorgaans niet meer dan een paar honderd meter breed - en behalve nabij de vallen blijkt de stuwing van het - water minder sterk. De oevers laten duidelijk zien dat de waterstand al een paar decimeter gezakt moet zijn. Voor onze reis juist geschikt.
Met dat al vorderen wij door de vele hindernissen niet al te best, en wij beleven ook ander, aangenamer oponthoud. Hier zijn meer vogels, niet alleen de zwermen kleine licht-blauw-gebuikte of zwarte rotszwaluwen, die over het water scherend nu en dan een insektje bij de versnellingen weten te verschalken, maar ook glanzend-donkere boseenden met lange halzen, traag in het opvliegen, maar dan snel genoeg verdwenen na het eerste schot. Hoog in de bomen aan de oeverkant zitten overal apen - kwatta's en baboens - die de bosnegers uitbundig van geestdrift maken, zelfs wanneer ze de kans missen om er een te schieten.
‘Daar gaat ons weer een lekkerbeetje (switi-mofo) de neus voorbij,’ heet het dan.
Een enkel buurpraatje met een reiziger-op-de-terugweg in zijn al vroeg betrokken kamp verschaft ons inlichtingen over de toestand van de vallen hogerop, en daar het wat regent en
het al tegen vier uur loopt, besluiten wij tot aan de Pon-soela te gaan en daar beneden, waar beslist een geschikte meerplaats moet zijn, ons kamp te bouwen om morgenvroeg met frisse moed die nieuwe hindernissen te nemen en daarna ten slotte de Ganda-foetoe, de ergste val, waarvoor ons iedereen zonder uitzondering had gewaarschuwd: ‘Die is het die jullie gaat vermoorden.’
Het bouwen van zo'n nachtkamp, mits er een geschikte plek is, gaat met verwonderlijke snelheid in zijn werk. Er wordt van de landingsplaats af een kort pad gehakt naar een hoger gelegen, liefst wat hellend zand- of steenstuk, waar voldoende ruimte tussen de hogere bomen kan worden vrijgekapt. Rechte takken en twijgen worden bij de vork afgehakt en alvast terzijde gelegd. De kampeergrond en naaste omgeving worden netjes schoongemaakt en de inmiddels door anderen met bijl en kapmes gehakte middenpalen overeind gezet en verbonden door een losse, op de vorken gelegde dwarsbalk. Daarover komt dan het tentzeil met aan weerskanten stokken om het dak op te houden.
Wie het niet heeft meegemaakt, weet niet hoe belangrijk de kleinste luxe in de wildernis kan zijn: een touw, hoog tussen de twee staande palen gespannen, die dienst doet als drooglijn. Want overdag is al je hebben en houden nat geworden en de nachten zijn hier steeds vochtig en kil. Een bij het veldbed overeind geplante tak met wat twijgstompen is een comfortabele kapstok. Leg een reeks rechte twijgen op de grond naast elkaar en daarover een paar verse, overlangs doorgesneden takken tassiepalm, en je hebt een corridor met loper en al, - om zó in en uit bed te stappen. De klamboe kan met een liaan gemakkelijk bevestigd worden, en nog een paar takken tassie vormen met hun afhangende franje een prachtig windscherm aan de zijkanten van het tentzeil. Zo heb je al in korte tijd een echt ‘home’, met in de
hangmat onder de klamboe een eigen huisje binnen dat grotere tehuis.
Daar het intussen al half zeven geworden is en stikdonker aan de bosrand, worden de lantarens ontstoken en de maaltjes gekookt. Terwijl de arbeiders ermee bezig zijn gaan Bob en ik per elektrische zaklantaren en stallicht op zoek naar een goede badgelegenheid, die er zijn zal zodra wij maar een bereikbare platte steen vinden om veilig op te staan. Meer kan in het donker niet ondernomen worden, al was het alleen al vanwege de dorentakken van de awarrapalm die overal aan de oeverkant in het water liggen neergevallen met hun als stopnaalden zo lange en harde zwarte stekels, of vanwege de ‘spari's’, de gevaarlijke stekelroggen die zich half in het zand ingraven en de argeloze wader een steek toebrengen waarvan de wond, ook als ze niet infecteert, vaak maandenlang op genezing laat wachten. Neen, een volmaakte idylle is het nooit in het oerwoud, maar toch... we baden heerlijk op onze platte steen en aan de rotsige walkant, en schuifelen dan weer door het donkere bos op ons kamplicht af.
De minutieuze verzorging van opgelopen beten, steken, schrammen en kleine verwondingen is een onmisbaar onderdeel van het nacht-toilet. Daarop volgt - o, Jean-Jacques! - het vredigste maal dat denkbaar is, opgevrolijkt door de tafelmuziek, de ruisende tafelmuziek van de Pon-soela en het driftig gekakel van verstoorde boshaantjes, hoog in het geboomte. Nergens smaakt een eenvoudig menu zo goed als in zo'n welingericht kamp als dit! Eén stallicht blijft branden, ook als wij onder de wol gekropen zijn - voor het eerst letterlijk onder een wollen deken, vanwege het vochtige bos. Het licht blijft aan om ons van het bezoek van vampiers verschoond te houden, die zich anders zelfs van een zorgvuldig afgesloten klamboe niets aantrekken wanneer men per ongeluk met een arm of been er tegenaan komt te liggen.
Als trouwe bedgenoot dient de elektrische zaklantaren en... daar begint de regen hard te kletteren op het tentdak. Het houdt maar niet op, en tegen dat je begint te wennen aan zijn monotoon gerikketik dat voorlopig alles overstemt, weet je van niets meer en gaat ongemerkt het nachtelijke oerwoudtafereel dat je om je heen dacht, over in dat van een niet minder voorwereldlijke droom.