- Het loopt al tegen twee uur in de middag, en Bob die nog graag de draglines van het grondbedrijf, die men tot hier heeft weten aan te voeren, aan het werk wil zien, maakt haast om naar het andere gedeelte van Bensi te gaan, ongeveer tien minuten verder, waar wij de mensen van de onderneming zullen aantreffen. De regenbui heeft de paden doorweekt, maar het weer is gelukkig opgeklaard, en bij de oever vinden wij een paar mecaniciens bezig een grote rupstractor in elkaar te monteren, die in nog altijd veel te zware brokstukken hierheen werd geloodst. Kort daarop verschijnt ook de bedrijfsleider S., en met hem trekken wij over een vrij brede weg de heuvels in, een kleine drie kwartier ver, waar men met de draglines bezig is. Langs de bosweg liggen hier en daar opengekapte velden voor de kostgronden van de arbeiders, die daar vaak de hele week met hun gezin in een hut doorbrengen en pas des zaterdagmiddags of des zondags naar Bensi gaan. Ergens hurkt dicht bij de weg onder een afdak een smederij, en ginds een half-afgebroken wasinrichting voor het gouderts. Een eind verder staat er zowaar een oude truck te dromen, - een hoogst ongewoon gezicht in deze streek zonder andere dan waterwegen voor het verkeer.
We komen een eind verder bij smalspoor dat aan de ene kant naar een op vele meters hoge palen gebouwde goudwasserij op een opengekapt stuk van een heuvel voert, en de andere kant uit naar opengelegd bos. Door taaie blubber baggeren we langs en tussen en over de rails. Het is zo een hoogst onplezierige wandeling, en daar is eindelijk het ‘goudfront’! Stel je er maar niets fraais van voor. De bomen zijn hier grondig gerooid en een dragline is op zijn gemak
bezig de aarde in kipkarretjes te scheppen. Elke schraap van de dragline vult zo'n karretje geheel, en zodra een lange rij van die wagentjes vol is, stoten de arbeiders ze naar de spoel-inrichting, die door een grote, in de bodem gemetselde motorpomp van water voorzien wordt.
Vlakbij staat weer een wankele goudwasserij op zijn zowat tien meter hoge stellage, die ik niet zonder moeite beklim om op het lange platform te kunnen rondkijken. Daar liggen in flauwe helling onder elkaar de bakken waardoor eerst aarde en grint, dan aarde alleen gespoeld wordt, en waarin het goud tenslotte achterblijft, vastgehouden door een laagje kwikzilver. Een kubieke meter van deze aarde, enige duizenden kilo's dus, levert zowat twee gram goud op, laten we ons vertellen. In het weggeworpen grind, dat in grote stapels rondom de wasserij ligt, steekt eigenlijk veel meer goud: ongeveer twee gram per duizend kilo, wordt ons nu meegedeeld. Maar daar wordt niet naar omgekeken, het blijft weggeworpen, want er is hier geen mogelijkheid om de stenen te vergruizen tot poeder dat kan worden uitgewassen.
Het is haast onvoorstelbaar hoe zo'n bedrijf, waaraan toch altijd een tweehonderd man werken, nog rendabel kan zijn. Zoveel schijnt het goud tegenwoordig ook niet meer waard, en ik kan van harte instemmen met mijn goede meester Bertrand Russell, die de theorie geopperd heeft, dat alle goud dat tegenwoordig in Fort Knox of in bankkluizen als dekking en waardemeting ligt te verschimmelen, beter, veiliger en economischer, in de grond gelaten kan worden, waarin het blijkbaar, krachtens bijna al zijn functies, thuishoort. Bensi, dat reeds zowat zestig jaar bestaat en grote dagen achter de rug heeft (bij het begin van onze eeuw) maar nu toch blijkbaar kommerlijk zijn leven rekt, zou dan rustig tot zijn oorspronkelijke staat van oerwoud kunnen terugkeren. De
buitenwereld zou er niet veel aan verliezen. De eventuele achterblijvers waarschijnlijk ook niet.
Onze terugweg naar het dorp leggen we gedeeltelijk met de kaduke truck af, wanneer we deze na een moeizame moddertocht op de bosweg terugvinden. Slingerend en botsend denderen wij de heuvelflank langs, op het wrakste vehikel waaraan ik ooit mijn toch vaak blootgesteld leven heb toevertrouwd. Of lijkt het alleen maar zo, na het nu wekenlang varen in een boot? Bij het uitstappen in het dorp bekijk ik de truck nog eens goed; hij is inderdaad half-verteerd, mist zowat alles wat een voertuig enigermate kan missen. Er is zo op het oog af niets heels meer aan, behalve dan de motor die ondanks al zijn lawaai geen enkele keer bleef steken. Braaf karkas met je ongezegende oude dag!
In de late namiddag lopen al wat meer mensen in Bensi rond. Als een echt gouddorp heeft het plaatsje twee danstenten en nog een drinkgelegenheid waar een ijskast staat en waar men van alles - grutterswaren, manufacturen, blikjes en flessen drank - kan krijgen. Een schooltje is er echter niet, ook geen kerk, en het gebouwtje dat vroeger tot hospitaal diende staat thans leeg; een paar vuil-witte maatschappij-schapen scharrelen er rond en doen zich te goed aan het overal voorhanden onkruid. Aan de overkant van de Lawa echter, in het Franse dorp Wakapoe, heeft père Albert zijn bescheiden houten kerkje achter een nette landingsplaats gebouwd, niemand weet precies waarvan de inwoners leven, - er wordt wel goud bewerkt, maar er is geen grote maatschappij gevestigd (het goud wordt weggesmokkeld) en het geheel maakt een nogal rommelige, maar juist daardoor levende en gezellige indruk.
Des avonds zijn wij voor een dronk genodigd bij de bedrijfsleider van de Concessie in Wakapoe. Hij woont nog op de oude vestiging, uit de tijd toen de goudmaatschappij wel
in Suriname werkzaam, maar in Franse handen was. Daar staan tegen een heuvelflank een drietal flinke residentiële gebouwen, waarvan het grootste geheel buiten gebruik is. Dat van de bedrijfsleider blijkt, met zijn prachtig uitzicht over de rivierbocht en een eiland, gezellig ingericht, met een mengelmoes van voorwerpen uit het bosland en souvenirs uit Europa versierd. De vrouw, een Haagse evenals haar man, slaat zich er goed doorheen, al zit ze hier reeds zowat negen jaar. Ze verveelt zich niet, vertelt ze, kweekt groenten en kippen, en zorgt voor zoveel mogelijk comfort wanneer haar man uit de goudvelden terugkeert. In hun keurige steedse kleren, waartegen wij als echte zwervers vervuild en verkreukt afsteken, praten ze toch als bijna volslagen boeren: hoofdzakelijk over hun beesten en planten. Het goud, het verachtelijke slijk der aarde dat het hier letterlijk is, vormt gelukkig geen gespreksthema.
We krijgen brieven mee voor de stad, al zullen die pas over een paar weken kunnen worden bezorgd. Zelf gaat het echtpaar hoogstens eens in het halfjaar naar de quasi-gecultiveerde wereld, en is daar geenszins rouwig om. Wat we ons best kunnen indenken.
Voor ons is het al onmenselijk laat - ver over tienen - wanneer we de vele trappen van de heuvel bij het licht van onze zaklantarens afdalen naar het bootje dat ons terugbrengt tot aan het huis van de politiecommandant, waar onze veldbedden zijn opgeslagen in de grote, lege ruimte. Bezwaarlijk kan ik tegen mezelfliegen en vaststellen dat ik me goed voel. Het tegendeel is waar, en ik heb geen eetlust meer, wel voortdurend dorst - erg lastig onderweg, maar ik weiger het toch, rivierwater te drinken, tenzij ver genoeg van bovenstroomse vestigingsplaatsen. Ook een slok ‘verkeerd’ water kan fataal zijn.