- We zijn gestrand, midden op de dag. Deze verdomde Gran-soela die mij op de heenweg niet zo bijzonder toescheen, kost ons nu op z'n minst een etmaal, tot grote ergernis van de zonvogel. Zoiets zal je altijd meemaken op de terugweg!
Ofschoon wij al vroeg in de morgen een aanvang maken met het over trekken van de lange vallen-reeks, beginnen de moeilijkheden zich al meteen op te stapelen, net als de rotsen
in de stroombedding en daarlangs. Want sinds we hier in omgekeerde richting voorbij kwamen blijkt de waterstand aanmerkelijk gezakt, - op zichzelf al een teleurstelling voor ons ‘waterbewustzijn’ en het debiet in de droge tijd, waardoor de doorgangen tussen de rotsen nauwer, ondieper en wilder geworden zijn, hetgeen de boot weer lastiger manoeuvreerbaar maakt, terwijl er minder keuze is om naar een geschikte vaargeul door te schieten.
Het wordt dus telkens schuiven, slepen, duwen, terughouden en een klein eindje vooruit dansen nu; omlaag weliswaar, meegenomen door de stroming, de stortvloed, maar met voortdurend gevaar voor omslaan of een smak van de voorplecht tegen een rots. Zodat we telkens de boot moeten verlaten en over de keien voortklauteren, of mee een boord van onze ‘Oppoliba’ vastpakken en het vaartuig helpen duwen en tegenhouden tegelijk, - je weet nauwelijks precies wat je moet doen. Ik heb trouwens werk genoeg met mezelf om over al dat gesteente een goed heenkomen te zoeken, zonder mij te bezeren en toch in de nabijheid van onze trouwe boot en zijn bemanning te blijven.
Dan, nadat de anderen zo al een paar uur bezig zijn met hun gesjouw en ik in de barre zon op de hete stenen even zit uit te puffen en te bedenken dat het voor iedereen tijd wordt om een kleine pauze te maken - maar waar is in 's hemelsnaam een geschikte plaats in deze woestenij - daar word ik gealarmeerd door een verward geroep vanaf de boot.
Jawel, de ‘Oppoliba’ is op een ongelukkig moment losgeschoten, hard tegen een rotspunt opgevlogen en heeft een lek gekregen. Hij moet in ieder geval meteen helemaal leeggehaald worden. Als dit eenmaal, zonder noemenswaardige waterschade, gebeurd is en al ons hebben en houden op een paar grote platte stenen bijeen staat, wordt het vaartuig met moeite omhooggeheven en ondersteboven tussen de rotsen
gelegd. Het heeft een lelijke breuk opgelopen, de splinters steken naar alle kanten uit; onmiddellijke reparatie is noodzakelijk om verder te kunnen.
Voor de Djoeka's is dit geen probleem; ze kennen ook dit werk en hebben hiervoor weinig meer nodig dan hun scherpe houwers en het beetje timmermansgereedschap dat wij bij ons hebben. Hout genoeg in de omgeving. Maar het kost allemaal wel veel tijd, en het eind van het liedje is dat wij op deze ongeluksplek - of in het gunstigste geval maar een klein eindje verderop - zullen moeten overnachten. Als een apart soort schipbreukelingen.
Terwijl een man of wat met de reparatie doende is - ze zijn er nog welgemoed bij - laat Bob de overigen onze motor en bagage alvast over de stenen een eindweegs ‘naar beneden’ dragen. Een eufemisme, want weliswaar toont het tussen de keien voortstormende water aan, dat wij inderdaad dalen, maar al klauterend over het gesteente merk je daar niets van en de barre openheid krijgt onder het zeulend verder trekken iets onafzienbaars, - of er nooit een eind aan komt.
Op een enigszins geschikte plek maken we halt met onze kleine karavaan en wachten af totdat de ‘Oppoliba’ gereed zal zijn om ons op te pikken. Het loopt al tegen de avond eer het zover is, en na deze vermoeiende dag vindt Bob het beter dat wij hier maar blijven overnachten; het kon slechter zijn. De rest van de Gran-soela is dan voor morgenochtend, met frisse moed, jongens.
Dit is een dwaze kampeerplaats, op en bij alle steenbrokken, grote en kleine, stukken wrakhout en een paar stakerige, dooie struiken; midden tussen twee treden, of liever afdelingen van de soela, die van vlakbij zijn onophoudelijk geraas laat horen. Een kamp als dit hebben wij nog niet meegemaakt; er stijgt veel stuifdamp op in de beginnende avond, overigens lijkt het wel of we hier in de Nubische natron-
woestijn zitten, weliswaar zonder kamelen, met voldoende water in de nabijheid en voor de rest omsloten door de twee donkere bogen van het bos aan weerszijden van de overdadige collectie stroomversnellingen. De nevel - een uiterst fijne regen - laat niet toe veel van de nachtelijke hemel te zien. Het lijkt wel of er slecht weer in aantocht is.
Met al onze urenlange strapatsen op deze pokkeplek is al in de namiddag het verband om mijn benen zo los gaan zitten dat ik het heb moeten verwijderen. Op een wat afgelegen plek gezeten heb ik die vervelende poten eindelijk weer eens bekeken. Niet gek zoals ze er uitzien; nog wel wat gezwollen, maar niet zo rood meer onderhuids, niet heet meer om aan te voelen en minder pijnlijk bij de gewrichten. Het gaat de goede kant uit. Ik had mijn ‘dresi’ al op de heenweg moeten krijgen, dan was me heel wat ellende bespaard gebleven. Nu heb ik echter het eind van mijn kaart kunnen zien; dat is ook een voordeel.
Het is te nattig, te dampig om nog behoorlijk verder te kunnen schrijven - papier vochtig, schriftuur vlekkerig - ik schei er mee uit. Laat de Gran-soela mij straks maar in slaap zingen.