- Eerst de boot helemaal uithozen, vanzelfsprekend. Dat gebeurt ook zonder bevel. Maar hoe staat het met het voedsel? Bob en ik willen het wel met een heel klein beetje stellen, maar de Djoeka's denken er anders over. Geen eten, geen werk; met onvoldoende voedsel kan een man slechts onvoldoende arbeid presteren, vooral wanneer hij weet dat het bos om hem heen enig voedsel bevat. Dus eerst jagen om te leven, dat is de wet waaraan Bob zich, al zijn ongeduld ten spijt, heeft te onderwerpen. En als de jacht nu opeens al gauw een paar papegaaien en één grote watervogel heeft opgeleverd, dan moet alles eerst nog worden klaargemaakt en zonder haast verorberd. Op die manier zijn we dan toch het grootste deel van de morgenuren kwijtgeraakt eer wij - alweer in de regen - op de tweede manier ‘te water’ gaan, nu alzijdig omsloten door het natte element, waar ik schoon genoeg van begin te krijgen. Ik had beter alleen in mijn zwembroekje in de boot kunnen gaan zitten, maar dan krijg je het weer, tropen of geen tropen, gauw te koud. De Zonvogel, met veel meer ervaring dan ik, doet het ook niet. Alles is trouwens even nat, wat je maar aanraakt; het geeft dus niet.
De middag is al voorbij, maar zo goed en zo kwaad als het gaat tussen onze dekzeilen weggekropen, zien Bob en ik door al die regens niet veel meer van de rivier dan een klein plekje aan weerszij. Behalve dan, dat aan een gevoel van meer openheid te merken valt, dat de stroom steeds breder wordt.
Is dat daarginds niet de plaats waar wij op de heenweg ons kamp opsloegen? Het moet wel zo zijn. Doorvaren maar.
Op de voorplecht zit Kewali ineengedoken, met over zich een dekzeil waarin een gat is gesneden, zodat zijn hoofd kan blijven uitkijken. Net een Peruaanse poncho, maar dan confectie. En achterin zit Edy, de bekwame Djoeka-mecanicien, aan het stuur, schijnbaar immuun voor het water. Het is te nat zelfs om te denken.
We moeten nu de monding van de Gonini alweer gepasseerd zijn; ik heb hem niet kunnen ontdekken. Hoe zouden we dan nog de ‘Mamadam’ kunnen terugvinden? Die is ons al uren vooruit, - gelukkig maar. Tenzij... Zet het maar liever uit je hoofd. Het is alleen vervelend dat ze juist dáár onze onontbeerlijke liters reservebenzine aan boord hebben. En het wordt twijfelachtig of wij met eigen kracht het Stoelmans-eiland nog zullen halen, waar wij gezamenlijk wensen te overnachten. Anders wordt het stellig nachtwerk voordat we bij ons onderkomen zijn. De stuurman haalt dan ook allerlei kleine trucjes uit om zuinig te varen, en nu en dan blubbert en sputtert de motor op beangstigende wijze.
Maar daar is de Franse kliniek al, op de rechter oever. Nog drie kwartier of een half uur misschien... En ginds begint het grote eiland waar we moeten zijn. Het loopt al tegen de avond. In de verte piekt het staketsel van de aluminiumkleurige watertoren boven het oevergroen uit. Op onze laatste druppel benzine halen wij de politiepost op het eiland.
Maar de ‘Mamadam’ ligt er niet om ons te verwelkomen. En van de oever schreeuwt men ons al toe, dat ze niet gepasseerd is. Wij zijn de eersten. Pech! En ongerustheid. Ze moeten hier stellig dagen vóór ons vertrokken zijn. Er is ze misschien iets overkomen. Neen, natuurlijk niet het ergste. De motor die het niet meer deed... Dan kan het nog dagen duren voordat ze hier zijn. Stom, de reservemotor hebben wij bij ons... Waarom zijn we ook niet van meet af aan bij elkaar gebleven?
Ik tracht Bob te troosten, die als leider verschrikkelijk het land heeft en al zijn opgekropte zelfverwijten begint te luchten. Het kán niet, dat er bij deze zorgvuldig georganiseerde expeditie - ingenieurswerk - op het laatst nog wat misloopt. Maar we zullen toch iets moeten ondernemen voor de achterblijvers...
We kunnen echter niets anders doen dan voorlopig onze ziel in lijdzaamheid bezitten, want de avond is al gevallen, de arbeiders hebben de ‘Oppoliba’ uitgeladen, reeds onderdak gevonden in een leegstaande hut en ons boeltje gebracht in de opslagkamer van de politiecommandant, die ons met de gastvrije vanzelfsprekendheid van het bosland in zijn povere woning opneemt.
We zullen het met een karig maal moeten doen, want ook onze levensmiddelenvoorraad is bij de ‘Mamadam’ ingeladen. Honger zullen die daar tenminste niet behoeven te lijden en wij van onze kant hebben niet bijster veel trek, van pure narigheid. Een dun soepje en een paar pisangs zijn ruimschoots voldoende, en ik heb nog een stuk chocolade voor ieder bij me, van het noodrantsoen dat de achtergebleven echtgenote tussen mijn kleren stopte, - wat ik bij mijzelf hoogst onpraktisch genoemd had, toen ik het voor het eerst ontdekte. Nu denk ik er anders over, die lieverd!
Er is ook maar één stallantaren in onze boot meegekomen, en bij het flauwe licht daarvan zitten Bob en ik mistroostig te overleggen op de veranda van het politiehuis bij de oever. We zullen tot morgen half tien wachten, en dan zien wat er te doen valt. Waarom juist half tien is me niet recht duidelijk, maar Bob zegt het zo en hij is de baas. Ik wil hem nu minder dan ooit aan een kruisverhoor onderwerpen en adviseer alleen: ‘Laat ons er vannacht over slapen. Ze komen misschien nog in de nacht afzakken, en anders zien we morgenochtend om vijf uur wel wat we doen. Dan kunnen we tenminste weer helder denken.’
Ik krijg geen ander antwoord dan een akelige grijns, en Bob grijpt naar een boek waarin hij toch niet lezen kan bij ons lamme lichtje.
Opeens luisteren we beiden. Is dat geen motorgeronk in de verte? Een wensfantasie! Het is een van die ondoorgron-
delijke nachtgeluiden die het bos voortbrengt.
We hebben onderweg al genoeg in de stortregens gebaad en zouden nu eigenlijk het best naar bed kunnen gaan, maar het is nog geen acht uur en - waarom zou ik het mezelf niet bekennen - we worden verteerd van ongerustheid over de ‘Mamadam’. Zoiets zal je altijd zien, bijna tegen het eind van de reis...
‘Ze komen! Hoor, ze komen,’ wordt er geschreeuwd uit de hut van de arbeiders. ‘Ja, ze moeten het zijn!’ roept luidkeels een ander. Welke geluiden zijn er nog meer in de nacht? Ze verbeelden het zich maar.
De Djoeka's echter vergissen zich niet. Daar schijnt inderdaad een heel zacht geronk in de verte te beginnen: het stijgt langzaam, het is het gepruttel van een naderende buitenboord. We springen op en snellen met onze elektrische zaklantarens naar de waterkant die een viertal meters lager ligt, overschaduwd door een groepje donkere palmen en een brede nachtboom. Om de hoek van de bocht verschijnt werkelijk de ‘Mamadam’, spookschipachtig door onze lichtbundels beschenen, en nog voordat ze de oever bereikt heeft, schreeuwen de arbeiders elkaar over en weer verwijten toe. Van onze kant worden er geen aan toegevoegd; we zijn veel te blij en opgelucht. We zijn alleen nog geïnteresseerd in de gebeurtenissen zelf.
De anderen hebben inderdáád op ons gewacht, nabij de soela. Maar achter een eiland verscholen, hebben ze onze motor niet gehoord. In geen uren! Best mogelijk, want we hebben hele stukken zonder motor gevaren. En wij dachten juist, dat de hunne stuk was. Geen kwestie van, hij heeft het juist prachtig gedaan.
Alle leed is vergeven en vergeten, we kunnen morgenvroeg weer samen verder, en nu nooit meer van elkaar af. Dit is een goede les geweest voor iedereen.
Kajo wil nu nog een echt avondeten koken, maar wij zien ervan af. We hebben al gegeten en gedronken, en de wijze Kajo concludeert met een Djoeka-spreekwoord: ‘Eén dag gebrek vermoordt geen mensenkind.’ Het bosland kweekt milde filosofen, en wat zullen we nu heerlijk slapen, nog veel beter dan aan het begin van onze tocht in het huis van meester R., die nu op Karmel bezig is westerlingetjes te maken van de kinderen dezer blijmoedige flinke mensen, die eigenlijk fenomenaal zijn, als men ze maar in hun eigen wereld bezig ziet.