terug  begin  verderprepost

Donderdag

- Al vóór dag en dauw ben ik wakker, net als onderweg. De nieuwe levensvorm heeft me te pakken en vergeefs tracht ik weer in te slapen. Ik moet maar naar buiten sluipen, zonder de steedse langslapers in het ‘Guesthouse’ te storen. In de wijde, comfortabele hal dringt reeds het daglicht binnen. Er staat een schrijfbureau, - verwijtend, neen, vermanend, of neen, het is uitnodigend. Wat kan ik beter doen dan maar aan mijn aantekeningen te schrijven. In Paramaribo zullen tientallen wissewasjes er mij nauwelijks meer gelegenheid toe laten. Al zo vaak in het verleden nam ik mij voor een reisjournaal te schrijven; maar er kwam zelden iets van terecht. Ditmaal is het me toch gelukt... Ondanks, - nu ja...

Ik blijf eraan doorschrijven, tot de anderen op zijn en gereed te vertrekken. Het is een feestdag in Moengo en alles is hier ongekend stil. Smalletjes en stil ligt ook beneden de krinkelende Cottica-rivier, en in de haven wacht de grote ‘Afobaka’ varensklaar. Het is een woonhuis van een boot, alleen onmogelijk luidruchtig zodra de schroef draait. Des te

[p. 206]

beter, dan kunnen de gesprekken kort zijn en blijft er gelegenheid te over voor zwijgende nabetrachtingen.

Lang duurt het voordat de warrige oevers wat vaneen beginnen te wijken; al dadelijk echter komen we weer Djoekadorpen tegen, met hun lage loofhutten, hun beschermende palmenfranjes boven de landingsplaats, hun kinderen en vrouwen bij het water. Telkens moeten wij vaart minderen voor de ranke korjaaltjes die we tegenkomen: een snipper dansend op het water, met daarboven uitstekend een menselijke tors, glimmend in de zon; of een hele reeks pagaaiende rompjes, - een moeder met haar ganse krielenkroost. Op drie dorpen achter elkaar zie ik een albino bij de rivier staan. Een Djoeka moet hij zoiets aan ongeluk geloven, en ik voel me maar al te zeer geneigd hetzelfde te doen. Niet mijn lichaam alleen, ook mijn geest heeft zich aangepast aan het bosland.

Op de plaats waar de Koermotibo zich in de Cottica stort, wacht ons de trouwe ‘Oppoliba’, die vannacht binnendoor gevaren is om door de ‘Afobaka’ verder naar Paramaribo gesleept te worden. Edy, de stuurman, de langschedelige Kajo en nog een paar anderen zijn aan boord en begroeten ons met onze netjes gekamde haren en ons fleurige vrouwengezelschap bijna als vreemden. De ‘Oppoliba’ - wat een kleine boot is dat nu! - wordt langszij vastgemaakt, de brave buitenboordmotor wordt bij ons op het dak gehesen, en snel zakken wij de Cottica verder af, urenlang, in ongestoorde eentonige vaart, zonder meer enig levend contact te hebben met de rivier of het golvend-gladde watervlak. Ons ruime achterschip heeft meer van een steedse huiskamer weg. Ik zit naast Lili met mijn arm om haar schouders heen geslagen en denk: ‘Ik heb het er toch levend afgebracht. Stel je voor, dat ik...’ Maar hier zit ik nu.

Het is al ver na de middag voordat deze diepe stroom waarop oceaantankers op en af varen, zo breed wordt als de

[p. 207]

Tapamahoni of de Lawa bovenstrooms, tot ver voorbij de vallen. Ook de Commewijne, waarin wij bij de oude post Sommelsdijk terechtkomen, is voorlopig nog maar een prutsrivier vergeleken bij die welke wij tot ver voorbij de derde breedtegraad bevoeren. Verlaten plantages, waarvan haast niets meer over is, liggen hier hun kilometers secundair oeverbos te verdoen; Djoeka-nederzettingen komen we niet meer tegen.

Maar ook nu, wanneer in de verte twee oeverpunten elkaar schijnen te naderen, opent zich daarachter alweer een nieuw, ver perspectief, met grijzig waas overtogen. En boven de bomenrand aan weerszij steken telkens weer de eeuwige kankantrie's, onze ceiba's, hun brede, kantige kruin omhoog, - eerbiedwaardige heersers over het bos daaronder. Zo wordt het avond over de Commewijne, voorbij de Matapicamonding, en komt een zachte koele bries ons begroeten, terwijl het zonlicht schampend-laag over het kruivende watervlak ligt. Voor een groot bauxietschip, een oceaanvaarder, dat de rivier komt opgestoomd, behoeven we niet meer opzij te gaan. Bekende, nog in bedrijf zijnde plantages verschijnen links en rechts, en de brede schuimbaan die ons kielzog achterlaat, bewijst dat we al in de vloed van zeewater terechtgekomen zijn. Bob en ik kunnen alvast onze bagage beginnen uit te zoeken, - al het mijn en dijn dat door elkaar geraakt is op deze broederlijke tocht. Nog een paar uurtjes en ze is ten einde.

De Commewijne heeft nu ook al een poos lang een respectabele breedte. Terwijl we hem uit varen, gaat de zon onder boven de horizon van de zee, recht vóór ons uit, en nog voordat ze geheel daarin weggezonken is, gaan we de bocht om en varen de Suriname-rivier op, waar we ‘thuis’ zijn.

En nu ik toch zoveel over rivieren genoteerd heb, laat ik ook deze huiselijke stroom prijzen. Ze is weliswaar in alle

[p. 208]

opzichten de mindere van de Marowijne, maar zij en geen andere is de centrale rivier, de hoofdrivier die haar naam aan het gehele land gegeven heeft. Een trouwhartige stroom aan de benedenloop, vergeleken met de reus in het oosten en de eveneens machtige grensrivier in het westen, de Corantijn. Aan zijn bovenloop heeft hij echter ook vallen en stroomversnellingen die niet mis zijn, en ik hoop op de dag dat ik er misschien met Bob en onze ‘Oppoliba’ nog eens heen zal trekken. Dat zal intussen wel even duren, want o die hoofdstad, die al meer en meer naderbij komt! Bob heeft aan boord de kranten zitten lezen die zijn vrouw voor hem meebracht, en ze daarna een voor een in de rivier gegooid, als om ze schoon te wassen van alle vuiligheid die ze bevatten. Hij is nu al ‘bij’. Maar ik heb geweigerd ze in te kijken; morgen is het vroeg genoeg, veel te vroeg... De Ganda-foetoe en Maboega zitten me nog te vers in het geheugen om mijn weerzin tegen het steedse gedoe vandaag al te kunnen overwinnen.

Nóg zitten we op het water, en boven de bosrand van de linkeroever van de Suriname-rivier speelt de kleurensymfonie van de zonsondergang een finale in pastelgrijs en roze op waterig-blauw fond, - presto agitato met slotakkoord in karmijn... Huizen waar bekenden wonen, verschijnen het ene na het andere. Langs de wegen branden al elektrische lichtjes, nog voordat de eerste ster aan de hemel verschenen is. Ze zijn er evenwel al met honderden, voordat wij de aardse lichtjes van Paramaribo zelf hier en daar zien opduiken.

De welbekende plaatsen zijn al niet goed meer herkenbaar in het donker; we kunnen ze alleen maar vermoeden. Tot we om het oude fort Zeelandia heen, direct vóór de landingssteiger liggen, die we pas kunnen bereiken nadat de ‘Oppoliba’ van onze zij is losgemaakt. Ik werp hem nog een laatste tedere blik ten afscheid toe, en weet dat hij aardig verveloos, geschuurd en gekneusd is op deze tocht, maar trouw gediend

[p. 209]

heeft en na zijn reparatie nooit meer lek stiet. Brave boot...

Er volgen handdrukken, warm van de nieuwe vriendschap die onderweg ontstond in al die gespannen uren van moeilijkheden of gevaar. Gevoelens waar je verder niet over spreekt. Dag Edy, dag Kajo, we zien elkaar ongetwijfeld weer, op de rivier of ergens aan een verre oever. Adjosi, Kewali, blijf wel! En ten slotte: Dag Bob. Je was een goede granman, jij zonnevogel, en als het ooit in mijn vermogen ligt een hooggeleerde betweter ertoe te bewegen, bezorg ik je nog een eredoctoraat in de theoretische en vooral praktische cascadologie, een splinternieuw vak, waarvan jij de beste blanke beoefenaar bent die ik ooit leerde kennen!

prepostterug  begin  verder