De glorende dag


auteur: Albert Helman


bron: Lodewijk Lichtveld, De glorende dag. Uitgeversmaatschappij ‘Joost van den Vondel’, Amsterdam 1923  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 56]

Het heilig vermoeden

I
 
O koning, waarheen gaan uw wondere wegen
 
die leiden van waereld tot waereld, zoo wijd..
 
waarheen gaan uw schreden langs sterren millioenen,
 
waar wij, in uw eigen oneindigheid...
 
 
 
O koning, waarheen gaan de duizlende eeuwen
 
waarheen gaan de dagen na de avondglans..
 
Gij woont waar geen oogen van menschen u reiken,
 
boven de sterren-doortintelde trans.
 
 
 
O koning, ‘die waerelden telt gelijk kralen’,
 
wat is voor uw aanschijn dit nietige hart...
 
gij breekt het in gruizels, verstrooit het als assche,
 
lachend over de menschen-smart...
[p. 57]
II
 
Door grazige weiden
 
zult gij ons leiden
 
buiten de dagen-schijn.
 
Door heftige stroomen
 
zullen wij komen
 
waar koele meren zijn.
 
 
 
Uw stap-geruchten
 
zijn zoete zuchten,
 
geuren van lente-bloei...
 
De vreugden der uren
 
zijn 't stil verduren,
 
verwachtings blijde groei...
 
 
 
De sterren der nachten
 
secunden van wachten,..
 
aldoor komt gij, aldoor...
 
langs stroomen die klaatren
 
tot stille waatren...
 
uw oogen zeggen waarvoor..
[p. 58]
III
 
Uw wijsheid weet ik, wijzer dan het weten
 
dat woorden zeggen, vagelijk en koel.
 
Ik weet uw rust in al bewogenheden
 
van dit onrustig wereldlijk gewoel.
 
 
 
Want binnen al dit rusteloos gebeuren
 
weet ik de stilstand van essentie wis...
 
die zweeft binnen ons lachen en ons treuren
 
omdat de hang naar u in alles is...
 
 
 
En dàt te zien, dat is het hoogste weten...
[p. 59]
IV
 
Uw oogen blinken 's nachts in mijn slaap
 
als glanzende kersen zoo gouïg en zwart;
 
ze lijken zoo donker van doovende smart.
 
 
 
Dan komen ze nader, en heel dichtbij
 
zien ze in de weenende oogen van mij...
 
ze schouwe' in het donkerste diep van mijn ziel
 
en tintelen zacht...
[p. 60]
V
 
Ik weet niet waar nacht geboren is,
 
waar de sterren-lucht in verloren is...
 
ik weet niet waarheen al de sterren gaan
 
die 's avonds zoo stille en zoo verre staan.
 
 
 
Ik weet niet waarom er zelfs menschen zijn
 
en waarom er altijd nog wenschen zijn,
 
'k weet niet waar de nacht geboren is
 
waar dit leven zoo stil in verloren is...
 
 
 
Of is nacht uw hart........
[p. 61]
VI
 
Tot u, ach, duistert onze droom,
 
eindlooze afgrond van gedachte
 
die telkens opengaat in dieper duister
 
van onbevroedbre eindeloosheid...
 
 
 
En suizelt niet uw stem zoeter gesuizel
 
dan meinacht-wind door wiegende appel-bloesems,
 
niet inniger dan een viole-klacht
 
in sterren-stille middernacht..
 
 
 
Maar luistrend, popert ons bang hart
 
voor uw oneindigheid, voor uw ondenkbaar schoon...
 
de oogen dragen fakkel-brand...
 
Uw nacht wordt klare dag, het duister rosse gloed...
[p. 62]
VII
 
Gij schouwt ons na
 
en weet waarom
 
zooveel, zoo groote smart..
 
Gij komt weldra
 
stil-lachend om
 
de simpelen van hart
 
 
 
Want waar ooit dag
 
zich opent zal
 
uw blijheid ook steeds zijn:
 
uw stille lach
 
schemert in al
 
wat leeft in aandacht rein.
 
 
 
Waar droefenis
 
zal komen weet
 
ik klaarder glans van U..
 
en zeer gewis
 
door al dit leed
 
der liefde stille stuw..
 
 
 
Daar uw genâ
 
al wegen om
 
vervolgt der zielen smart,
 
wint ge ons weldra,
 
stil-lachend om
 
de simpelen van hart.
[p. 63]
VIII
 
Nader, nader na de nachten,
 
nader al zoo gauw het daagt,
 
wen mijn wakende oogen wachten
 
op de dag die nacht vervaagt.
 
 
 
Nader, nader in de ure
 
van mijn hoogste liefde-daad,
 
als mijn hand al enge muren
 
van mijn hart te gruizel slaat.
 
 
 
Nader, nader na de nachten,
 
wen mijn huis U open is..
 
wees mijn gast na al dit wachten,
 
toon mij uw geheimenis..
[p. 64]
IX
 
Mij vlucht de liefde der kleine dingen
 
latend de leege hoog-blanke zaal...
 
Ik zal u ontvangen met liederen-zingen
 
in mijn gouden paleis-regaal....
 
 
 
Mij duistert de waereld die buiten u heen is....
 
mijn harte wiegt in verwachtingen zoet,
 
dat nu ze weer eindlijk in de avond alleen is,
 
Gij spoedig, zeer spoedig wel komen moet.
[p. 65]
X
 
Met veler namen zoete klank
 
wordt gij genoemd, o Bleeke Man
 
die komt en gaat,
 
en in een stervens-stille stond
 
soms fluistert een onhoorbaar woord
 
uit vreemd gelaat.
 
 
 
Ik noem U Meester, Koning, God..
 
geen van mijn namen die vermag
 
te roepen U.
 
Gij hoort niet mijn verlaten stem,
 
want boven U klinkt vedel-zacht
 
een teer koraal.
 
 
 
Uw hand raakt mij soms zachtkens aan;
 
is 't in een droom... uw voeten gaan
 
als zijde zacht..
 
Uw blik doorvoel ik zooals er
 
een man zijn bleeke vinger duikt
 
in lelie-kelk..
 
 
 
Ach, wist ik slechts één luidloos woord
 
dat door uw peinzen werd gehoord
 
en werd verstaan..
 
dat in mijn hart ziet uw droef oog
 
o Bleeke Man, de vale schijn
 
der liefde-toorts.
[p. 66]
XI
 
Waar leidt ge mij heen
 
als in duistere dagen
 
mijn klagelijk geween
 
door de regen-vlagen
 
gedragen, U smeekt
 
mij te voeren naar 't
 
wondere land...
 
 
 
O, wist ik de eind-
 
looze wegen te gaan..
 
o wist ik te breken
 
de droom van mijn waan,
 
en de paden te gaan
 
die zeker mij leiden naar 't
 
wondere land..
 
 
 
Maar gij voert ons wegen,
 
met eindlooze gang,
 
veel donkerten tegen..
 
uw hand is een dwang
 
die keerloos steeds scheen..
 
o Meester, o Meester,
 
waart voert gij ons heen...
[p. 67]
XII
 
Al smart die 'k leed
 
in kil-verstilden avond
 
is nu in hooge
 
koele nacht vergaan...
 
De nacht-wind heeft
 
mij zachtjes ál verrafeld
 
en uit-gepoeierd
 
in het licht der maan..
 
 
 
En in dit leege
 
hart is slechts gebleven
 
vage gedachte
 
aan wat lang verdween...
 
In huiver-stille
 
nacht ben 'k zacht gedreven
 
o Vriend, naar U heen..
 
thans met U alleen....