Ongetelde dagen, weken zijn voorbijgegaan. Ze hebben zich zeker al tot maanden vermenigvuldigd. Maar het heeft geen zin gehad ze nog namen te geven of te tellen. De ontzaglijke eenderheid van de natuur die ons hier omringt, maakt dit, gelijk nog zoveel meer, volkomen overbodig. Het is genoeg te zijn, te leven en te werken, en in dit laatste is al onze afwisseling gelegen.
Waarom ik dan nu nog iets opschrijf? Ik had het mijzelve beloofd, en ergens heb ik deze verzameling van letters en cijfers, die ik nooit meer overlees, nooit meer ontraadsel omdat ik er noch het geduld noch de moed toe heb, liefgekregen als een zoet geheim, neen, als een heimelijke zonde, een betasten en bekoesteren van mijzelf, nu er geen andere handen zijn die het mij doen, en nu er - nog steeds - niemand is tot wie ik gaan kan om mijzelf te zijn en uit te spreken wat er in mij omgaat. Telkens heb ik deze zelfbespiegeling weer uitgesteld, slechts schijnbaar omdat er nog geen geschikte gelegenheid toe was [hetgeen tot voor kort absoluut waar was], maar in werkelijkheid vooral omdat het uitstel mij prikkelde om klaarder en beter mijzelf te zien en al wat mij beroert; het bijkomstige liever te vergeten dan het een plaats te gunnen bij al dit onherroepelijke, dat ik geweest ben, bezig was te worden, en uiteindelijk ten volle ben. Ik wist dat ik eens weer zou herbeginnen
en heb naar dit ogenblik uitgezien als naar het bezoek van een dierbare [die mij nooit nabijkwam] wiens verwachting schrijnend-zoeter wordt met het voortduren, en vermoedelijk heerlijker is dan de ontmoeting zelf ooit kan zijn. Maar nu is dan toch het ogenblik daar, dat ik een eigen kamer heb in ons eenvoudig blokhuis, en neer kan zitten bij het venster dat uitziet op onze eerste velden en op de bosrand in de verte, tot zó ver als wij reeds zijn opgeschoten met het vellen van de bomen en het gereedmaken van de goede, vruchtbare grond.
Vandaag is de vermoeidheid van mij afgevallen, die mij meestal, zelfs toen wij nog in de boot moesten slapen en nog niet in de eerste loods die thans dient tot slavenverblijf, als een steenklomp des middags op het heetste van de dag en 's avonds al heel vroeg in slaap deed vallen, zonder dat ik zelfs meer denken kon aan wat dan ook. Het had zo kunnen blijven, en ook dat zou goed geweest zijn, ofschoon niemand dit lichamelijk had kunnen volhouden. Maar de gewenning maakt zelfs vermoeienis tot iets zo alledaags, dat men haar niet meer bemerkt; en sinds het woonhuis gereed is, heeft Raoul het mij ook belet, nog zo onophoudelijk mij met de werkzaamheden op het veld bezig te houden, waarvoor hij nu zelf meer tijd beschikbaar heeft gekregen.
Het lijkt al een eindeloze tijd geleden, sinds wij het schip en daarna het stadje verlieten. Ik geloof dat kapitein Visman ons niet meer zou herkennen, zo verboerst
en gehard zijn wij al door de wildernis, - Cécile nog het minst van allen. De reis hierheen, die ook Josephine verrukte, scheen haar met een huivering te vervullen, begrijpelijk bij al die grootse, ongetemde pracht; met een ontzetting die zij nog niet overwonnen heeft. Niettemin heeft zij het aanbod van Raoul om naar de stad terug te keren, koppig van de hand gewezen, wat ik waardeer en waarmee zij zich toch, met al haar eigenaardigheden, een echte d'Esternay getoond heeft.
Er werd veel gesproken onderweg, vooral door Raoul, die niet uitgepraat raakte over al zijn schone plannen en bedoelingen, en door Willem Das, die telkens weer uiting gaf aan zijn practische geest en tal van te verwachten zwarigheden uitvoerig met ons besprak. Dit laatste is zeer nuttig geweest, en het pleit voor hem, dat hij noch toen overdreven heeft, noch later tekortgeschoten is. Zonder hem zouden wij hulpeloos overgeleverd geweest zijn aan de vele tekorten die men hier onmogelijk kan aanvullen, de vele onvoorzienbare moeilijkheden die zich plotseling voordoen en waar hij meestal wel raad op wist, of de kleine strubbelingen uit onbegrip of misverstand met de slaven. Toch is hij mij niet sympathiek; maar dat is zeker niet om zakelijke redenen. Zijn harde natuur uit zich uitsluitend tegenover de weerloze slaven, niet tegenover ons, die hij onderdanig en hoffelijk genoeg bejegent, voor zover het niet onvermijdelijk is een weinig meer familiaar met elkaar te zijn in deze bekrompen omstandigheden, dan elders wel passend zou zijn geweest. Was hij mij
sympathiek, ik zou dit laatste zelfs hebben toegejuicht; nu heeft het mij menigmaal gestoken en het zal weer ophouden, daar hij niet meer met ons samenwoont, maar afzonderlijk, in een klein huisje aan de rand van onze nederzetting, dat op zijn eigen verzoek tezamen met het onze voor hem gebouwd is.
Er is intussen heel wat verzet, eer wij zover waren en Bel-Exil, zoals Josephine de plaats gedoopt heeft, op een plantage begint te lijken. Ik ben overigens blij dat de naam geen Nieuw-Morhang geworden is, of iets dergelijks dat op de een of andere belachelijke wijze aan het verleden herinnert. Het verleden is hier niets meer dan het ruisen van het woud en de nachtelijke roep van een vogel; donkere ondoorgrondelijke verte en een vergeten sprookje. Bel-Exil is heel exact: geen ballingschap kon schoner zijn, noch meer afdoende. De anderen leggen, geloof ik, wel iets gevoeligs in deze naam; voor mij is hij een uitdaging en een triomf. Ik wilde dat de Koning, deze schurk [o, ik wil hem liever vergeten!] hem ooit kon horen. Soms schijnt een grote, verre stem hem uit te galmen, door de bossen, over de nog kale velden, waar gebrand wordt en gerooid, en over de rivier, de kreek aan de andere zijde, overal: Exil, exiil, bel-exiiil! En dan weet ik, dat wij inderdaad hier bannelingen zijn, maar ook: dat ik nog nooit zozeer bevrijd was van mijn twijfels, mijn verlangens en mijn hopeloosheid, dan juist hier, waar vriend noch vijand is, alleen de sterke, trotse, onverschillige natuur. En het is goed, zo snel en van dichtbij te zien, wat men-
senhanden kunnen om die woeste, oppermachtige natuur aan banden te leggen. Het vormt een bewijs, dat dit ook met onze eigen natuur, de wilde woekeringen in ons binnenste, mogelijk moet zijn. Een voor een verrijzen de gebouwen: stallen, loodsen, magazijnen om het woonhuis heen, terwijl al op een flinke afstand nog met groot geraas de oude reuzen vallen uit de boswand, en het oerwoud weer een stuk van zijn domein moet afstaan. Het is grandioos, de bijna naakte negers, glimmend van het zweet als waren zij van taai en kneedbaar ebbenhout gemaakt, hun zwellende, gespannen spieren te zien inspannen om met bijl en hakmes de ijzerharde stammen aan te tasten; om hen zware stammen te zien slepen, die zij met de dissel in een oogwenk tot een balk of post herscheppen; hen de grote zaag te zien hanteren, die van balken planken maakt, de neger onder de stellage waar ze met zijn tweeën daarmee bezig zijn, van kop tot teen bestoven met het zaagsel tot een vaal, spookachtig wezen; en de neger boven op de stelling, die de zaag aantrekt, een lachende, in zonbeschenen zwartheid glinsterende overwinnaar. Dit is inderdaad iets ongekends, en nooit tevoren heb ik kunnen vermoeden dat een mensenlichaam, een door kracht gebeeldhouwd mannenlijf, bij alle zwartheid iets zo heerlijks en verrukkelijks kon zijn. Het is mijn heimelijke vreugde ernaar te kijken en, nog altijd weer, verbaasd te zijn dat niemand anders het bemerkt of zou begrijpen.
Toch is er ook tussen de negers onderling heel veel ver-
schil, dat eerst niet opvalt, mettertijd echter gemakkelijk in het oog loopt. Sommigen zijn werkelijk slaafs en onderdanig; anderen trots en zelfbewust, verzadigd van een rustige onverschilligheid omtrent hun lot, en toch zonder opstandigheid wanneer zij zien dat men hun arbeidskracht naar waarde schat. Raoul weet dit gelukkig wel te doen, - in tegenstelling met de opzichter, die alle slaven een gelijke verachting toont. Zolang Raoul zijn onbevangenheid in dit opzicht niet verliest, zal Das zich er echter wel voor hoeden, de negers anders dan als menselijke wezens te behandelen.
Hoezeer zij dit verdienen, is wel gebleken toen Raoul een van de stoerste onder de slaven, voor wie de overigen een zeker ontzag koesterden en die hun ook een voorbeeld was bij het werk, tot hun hoofdman aanwees. Hij heet Isidore en is er fier op, dat hij een christelijke naam draagt. Sinds hij door Raoul onderscheiden werd, betoont hij ons een trouw die men overal elders hartroerend zou genoemd hebben. Als Raoul het veld in gaat, volgt hij hem op de voet; moet er een lastige karwei gedaan worden, hij pakt die aan nog voordat erover gesproken is. En hoe bescheiden, woordeloos haast, laat hij zijn autoriteit over de anderen gelden. Er is iets nobels in zijn regelmatige en geenszins misvormde trekken, zodat hij met zijn jonge, forse gestalte mooi zou zijn geweest, ware hij niet zo koolzwart. En menigmaal wanneer ik hem tersluiks gadesla, schieten mij de woorden van het Hooglied te binnen: ‘Zwart ben ik, maar schoon...’ Doch wij hebben
een ander begrip van schoonheid, ook al valt bij hem iets aangenaams, een zekere aantrekkelijkheid zelfs, niet te loochenen.
Het is laat geworden, en ik ben toch wel vermoeid. Maar ik ben blij, dat ik de moed heb opgebracht, weer eens met mijzelf alleen te zijn. En ik wil weer een slotsom trekken, alvorens voor wie weet hoe lang deze papieren opnieuw weg te sluiten. Rustig en zonder de kwelling van boze gedachten, leef ik hier in de ban van het meest grootse natuurgebeuren: de ongestoorde, eeuwige vegetatie, die nu voor de eerste maal benut wordt door de mens. Als in een oude kathedraal van groen, waarin het zonlicht hier en daar naar binnen breekt, is alles om mij heen verinnigd. En ik stel geen vragen meer. De nachten die verkoeling brengen en de huiveringwekkende geheimzinnigheid van het binnenste der bossen tot nabij de drempel van onze woning, omhullen mij met een vergetelheid die wegebt in een diepe, lange slaap. Het vroege ochtendkrieken vindt dan weer een opgefriste, door de duisternis gelouterde Agnès. Vaak sta ik terzijde van mijzelf en zie hoe zij hier komt en gaat in nuttige, onafgebroken bezigheid, - en denk dan: zo is het inderdaad goed. Zo zullen ook de verdere maanden heengaan en de jaren, vele jaren naar ik hoop. En eindelijk kan ik zeggen: amen, amen, het zij zo!
Wij hebben bezoek gehad. En wat anders een aangename afwisseling geweest zou zijn, die mij had gedwongen een dag in ledigheid door te brengen, zodat ik vanavond ook in staat ben tot schrijven, is mij thans een bron van zulke ergernis geworden, dat ik mijn hart moet luchten, al was het maar tegen dit zwijgende, blanke papier.
Alsof het geen ander zijn kon, moest juist die vermetele, bemoeizieke David MacFarley hierheen komen om onze vrede te verstoren. Ja, dat is juist het ergste, - ook mijn rust! Hij verscheen niet alleen, maar van de beide anderen in zijn gezelschap heb ik tezamen niet half zoveel te verduren gehad als van hem afzonderlijk. Zij kwamen gisteravond al en moesten natuurlijk hier overnachten. Maar ze bleven nog heel de dag om Bel-Exil te bezichtigen, dat gestadig is uitgebreid en aangevuld, zodat wij bijna alles hebben wat er nodig is, zelfs een suikermolen.
Met genoegen zou ik hun dit alles evenals de aanleg van de velden en de eerste al goed opgekomen aanplantingen hebben getoond, om lering te trekken uit hun goede opmerkingen en aanwijzingen. Maar het scheen alsof MacFarley slechts een half oog had voor hetgeen wij tot stand gebracht hebben, ook al ontbrak het hem soms niet aan prijzende woorden. Wat mij hinderde, waren de vage toespelingen die hij tegen Willem Das maakte, telkens wanneer wij in de buurt kwamen van
een van onze slavinnen, die Raoul eerst een poos na de man-negers hierheen heeft laten komen, toen aan het wieden en gereedmaken van de velden begonnen moest worden. MacFarley heeft er ook genoeg op zijn plantage en ze kunnen niets nieuws voor hem zijn, maar ze schijnen allen dezelfde gedachten en begeerten bij deze lieden op te wekken. Tot mijn spijt gaan zij naar 's lands gebruik ook hier halfnaakt, nadat Raoul vergeefs gepoogd had hen beter gekleed te doen gaan; zij willen het zelf niet, zeggen dat teveel bedekking hen ziek maakt en hindert bij het werk. Terwijl het bovendien kostbaar is, zodat men het nergens doet. Daaraan kon het dan ook niet liggen. Natuurlijk weet ik, wat zulke halve woorden en snel-gewisselde blikken tussen dit soort mannen betekenen, en ook dat zou mij verder onverschillig laten, ware het niet, dat ik - als door een zonderling instinct gewaarschuwd - MacFarley telkens betrapte op een soortgelijk kijken, op het gebruik van soortgelijke dubbelzinnige toespelingen, zodra hij in Céciles nabijheid was, of wanneer ik toevallig weer voorbijkwam. Ontdek je zoiets, dan wordt het een obsessie het iedere keer weer op te merken, en vast te stellen dat blank en zwart voor deze satyrs juist hetzelfde zijn. De eerste maal joeg het mij een blos naar de wangen; later maakte het mij alleen wit van woede.
Ik vermoed bij hen ook spot over Raoul en dat wat zij, in een gesprek met hem, zijn zachtzinnigheid noemden. En ik heb het daarnet ook uitgesproken in de familiekring, dat dit soort van bezoek mij allerminst op-
wekkend voorkomt. Josephine meent natuurlijk dat het goed bedoeld is, en dat de ruwheid van de planters voortkomt uit de hardheid van het pionierswerk en de afgelegenheid van hun langjarige verblijfplaatsen. Zij zegt voorts dat de plicht der gastvrijheid tegenover buren die op hun beurt niet minder gastvrij zijn, ons de critiek maar opzij moet doen zetten. Ik heb toen gezwegen. Over het andere dat ik opmerkte, valt nu eenmaal niet met hen te spreken. Maar er is een verdenking bij mij ontstaan tegenover Willem Das, en ik zal scherp op hem letten. Het is te erg om onder woorden te brengen, en naar ik hoop is het ongegrond. Dit bezoek heeft mij echter diep geschokt, ook om de linkse hoffelijkheid waarmee Arent Buys om Cécile heen draaide en zijn bijna onderdanig optreden wanneer het Josephine en mij betrof. Het was alles mis. Ik kan hier geen rustverstoorders verdragen. Zelfs de zin om verder te schrijven is mij op het ogenblik vergaan...
Ik heb een kou gevat, die mij dagenlang in bed gehouden heeft. Verzonken was ik in een soort verstarring, waardoor mij iedere vorm van denken onmogelijk werd. Maar nu dat eindelijk van mij geweken is en velerlei beelden uit de laatste tijd mij weer voor de geest zijn gekomen, zich bij elkaar aansluiten en aanleiding zijn geworden tot menige overweging, ben ik toch maar opgestaan en wil ik een deel van de tijd die ik nog
gedwongen ben binnenshuis te blijven, gebruiken om enige orde te brengen in die warreling van voorstellingen en conclusies. Want zijn deze laatste inderdaad juist, dan zijn ze schokkend genoeg, en zal ik erdoor gedwongen worden, op de een of andere manier handelend op te treden.
Maar zover zijn we nog niet. Eerst wil ik door de dingen precies te formuleren, zien wat ervan overblijft. Vaak is het toch zo, dat, zodra je datgene wat je schijnt te overstelpen, onder woorden begint te brengen, het zich oplost als in een nevel die 's morgens vroeg verwaast door het stijgende zonlicht. Er blijft niets van over dan enkele droppen op de dingen, waarvan je zelf niet meer geloven kunt, dat ze ooit nevel zijn geweest. Het betreft natuurlijk Willem Das, die hier het storende element is in de rustige maatgang van elke dag. Ik heb het altijd geweten dat hij dit zou zijn, maar ik heb getracht het van mij af te zetten en niet bevooroordeeld te zijn. Hij is ook op een heel andere wijze storend geworden dan ik aanvankelijk had kunnen vermoeden. Maar wat ik bij het bezoek van MacFarley voor het eerst bemerkte, toen nog niet meer dan bij wijze van een vage verdenking, is nu bijna zekerheid voor mij. Hij deugt niet! Hij onteert de nobele bedoeling en opzet van onze onderneming! Nog kan ik het niet bewijzen en zijn er tegenstrijdigheden in zijn gedrag, die ik niet kan verklaren. Maar zekerheid omtrent dit alles zou ook gelijkstaan met een catastrofe meemaken. Die komt stellig, indien er niet tijdig wordt ingegrepen.
Welbeschouwd zijn het één voor één slechts kleinigheden, die daarom ook ieder ander ontgaan; maar tezamen vormen zij een geheel dat afschuwelijk en weerzinwekkend is. Ik kan het niet beschrijven, zo subtiel is het strikt genomen, en toch bedriegt mijn instinct mij niet, toveren mijn ogen mij geen waandenkbeelden voor. Het is de werkelijkheid: zijn gedragingen tegenover de negers en de negerinnen; hardheid jegens de eersten, neen ook tegenover de vrouwen, maar soms plotseling jegens de een of andere slavin - steeds een van de jongeren, die men een zekere aantrekkelijkheid niet kan ontzeggen - iets weifelachtigs, een schaduw van verstandhouding, een flits van begeerte, die als het ware op mij terugspiegelt en mij doet blozen. Evenzeer als wanneer ik soms onverhoeds zijn blik opvang, dan heimelijk op mij gericht; zijn half-geopende mond zie, alsof hij iets verschrikkelijks wil gaan zeggen of gaat schreeuwen, maar zich juist op tijd bedenkt, het hoofd afwendt en voortgaat met zijn bezigheid of dóór-loopt op zijn weg. Het is niets, een vleug slechts van gebeuren, en toch alles. Het is de beangstigende beweeglijkheid, de roofdierspanning tegen de placiede, onverstoorbaar-rustige achtergrond van het woud. De aanwezigheid van het gevaar in alles om ons heen en tevens de vertrouwdheid, wijl de catastrofe uitblijft.
Raoul, bevangen door zijn werk, ontgaat wat hij misschien een kleinigheid zou noemen als hij het wist; je moet een vrouw zijn om zo scherp te zien of met een ander zintuig waar te nemen als je niet meer zien kunt,
al de kleinigheden op te tellen tot een som, - een slotsom die slechts boosheid is. En niet voor niets noemt Raoul mij goedig spottend zijn opzichteres, hoewel ook iets in die bijnaam mij hindert, omdat hij mij ergens naast de opzichter stelt, over wie ik juist het meest waakzaam moet zijn.
Of ik mij dan niet, wat mijzelf betreft, over dit alles heen zou kunnen zetten? Misschien wel. Maar er is ook onder de slaven een vage, nauwelijks merkbare en toch als een soort van koortshitte uitstralende onrust gekomen, die dezelfde grondoorzaak moet hebben als de mijne, ofschoon waarschijnlijk tastbaarder en gemakkelijker te noemen.
Nu ik door mijn dagenlange bedrust al meer dan uitgeslapen ben en vanochtend vroeg vóór dag en dauw ben opgestaan, heb ik mij in het donker bij het venster gezet dat uitziet op de achterkant van de plantage. Een dunne dauw hing nog over alles en het was doodstil, - de stilste tijd van dag en nacht, de diepe, ingehouden adem vóór de ochtend met zijn honderdvoudig tjilpen, piepen, kirren van de vogels aanvangt. Slechts een enkele haan kraait af en toe, en roept het daglicht dat nog ver is. Plotseling, in weinige minuten breekt het licht door, ergens diep achter het verste bos vandaan, en is het dag. Maar eer het nog zover was, kon ik toch al de omtrek onderscheiden van de slavenloodsen en de grote was- en droog-loods dicht daarbij. Wat verderop, waar dichtere nevel boven het kanaal hing, zag je vaag al de contouren van de suikermolen; rechts de maga-
zijnen en een eindweegs er vandaan, nabij een groepje bomen met de kruin reeds boven alle nevels uit, het huisje van Willem Das. Toevallig bleef mijn oog gevestigd op die nog onduidelijke omtrek, en ik zag, hoe uit de richting van zijn woning een negerin kwam aangeslopen, schichtig eerst, dan sneller, naar de slavenloods toe, de bosschages langs. Ik kon haar niet herkennen, zag alleen maar aan haar gang dat het een vrouw moest zijn, een weinig later opgenomen tussen al de andere vrouwen die naar buiten kwamen. Dat was alles, - maar toch bijna zekerheid.
En ik zag vóór me, hoe het was gegaan, noodwendig moest gegaan zijn, 's avonds laat tevoren, in de nacht, bij hèm. De slaven leven samen met de negerinnen, dat is onder heidenen gewoon, en zelfs dan hebben zij onderlinge wetten en eerbiediging van elkaars voorkeur. Maar een blanke? Er is onderscheid... de blanke wéét, gedraagt zich als de meerdere overdag en kent de zonde. Als hij een van haar als zijn gelijke tot zich neemt, is hij ofwel onmenselijk, ofwel hij sluit zich uit van ons en hoort niet langer op de plaats die hij tot dusver innam. Het is weerzinwekkend, en ook de slaven moeten dit verschrikkelijk vinden, want de vrouw is een der hunnen en wijkt slechts voor de overmacht van haar geweldenaar. Het laat mij niet meer los, dit klamme, duistere beeld.
Ik zou het moeten zeggen aan Raoul, voor wie dit kleine voorval misschien toch nog geen bewijs is. En ik weet, op andere plantages is zoiets gewoon. Maar
hier... Er zijn hier immers nog twee ongehuwde blanke vrouwen, tegenover wie Raoul zoiets niet kan dulden in hun tegenwoordigheid. Of moet ik zwijgen, dat het werk kan voortgaan, schijnbaar rustig en zolang het mogelijk is? Mijn eigen zielevrede offeren voor de schijn van rust der anderen? Ik zal nog scherper uitzien en inmiddels overwegen wat het beste is. Nog heb ik koorts, geloof ik.
Tot in mijn dromen achtervolgt hij mij; de schennis van zijn blikken, de ergernis van zijn aanwezigheid, de klamheid van zijn greep die dichterbij komt en al voelbaar wordt. Het is de donkerte van het bos en zijn moerasgeur die mij nog omhullen in mijn slaap. Ik zie Cécile, zo bleek, en Josephine die met opgeheven handen om iets vraagt dat zij omvatten wil en in haar binnenste verbergen. Maar Raoul gaat als een dronkeman, verblind de velden langs, die donker en beschaduwd zijn als lagen zij nog steeds bedrongen door het oerwoud, op een nog veel wildere en afgelegener plek dan Bel-Exil. Een ziekelijk lila licht over het groen dat enkel onkruid is, waarlangs ik rijd op een tot zijn geraamte uitgemergeld paard. En overal zijn ogen, loense ogen, blikken zijwaarts, bijna achterwaarts gericht; zijn rood-verbrande, harde kop; de zweep die hij steeds bij zich draagt en die als een adder door de lucht zwiept, rekbaar zich tot naar mij uitkronkelt, zodat ik woest het paard de sporen geef, dat niettemin zo traag
en ijselijk langzaam voortstapt als de dagen hier. Valse blikken van de deugniet Willem Das.
En in de werkelijkheid teruggekeerd, zie ik nog steeds als door het schrale, vreemdgekleurde vensterglas van deze droom de mensen om mij heen: dat Josephine iets gebogen gaat, iets minder fier dan vroeger en met donkere kringen om haar ogen; dat Cécile zo stil en bleek het huis door glijdt of staat te mijmeren bij de zwarte kreek, de enige die snel van hier vliedt en waarschijnlijk haar gedachten meevoert in zijn kabbeling, tot waar een betere, propere wereld is; en dat Raoul zijn ridderlijke strijd slechts levert tegen machten die ongrijpbaar zijn, zo groot als de natuur, het kwaad, de mensheid. En dan kan ik schreeuwen in de dag, opeens bevangt die droom mij weer, als ik de ringvaart door-geboomd word op een platte schuit en om mij heen de brokkelende oevers zie, de dammen en de velden, met een onophoudelijke moeite ingericht; opeens, als ik de brandlucht ruik, die mij van de nieuwe aanleg tegemoetwaait, of als ik de scherpe slagen hoor, die dun op deze afstand klinken, waarmee bomen aan de bosrand worden omgehakt, wier tuimeling als harde regenvlagen uit de verte klinkt.
Niet dat ik bang voor Willem Das ben. Op het beslissende ogenblik zal ik hem ongetwijfeld weten te weerstaan, en dan zelfs blij zijn dat er een ontknoping is en ik gelegenheid zal hebben te bewijzen dat hij weg moet, weg van hier! Maar ik ben bang voor alle andere ogen die mij heimelijk aanzien, steels en loerend, - die der
opgejaagde negers, mannen, vrouwen die hun mompelend gesprek laten verstommen als ik hen genaderd ben, soms ook hulpeloos naar mij opzien uit hun krom gebogen arbeidshouding. Isidore is de enige die overeind komt en mij met een knik begroet, mij aankijkt als een menselijk wezen vol vertrouwen. Al de anderen koesteren achterdocht en volgen de ogen van de strenge opzichter als honden bij de jacht de jager. Ja, dan weet ik, hoezeer ik tot hier een vreemdeling gebleven ben. Dat zelfs het paard dat door Raoul speciaal voor mij gekocht werd, niet het mijne is, maar schichtig blijft en meer vertrouwen stelt in Isidore, die hem verzorgt omdat hij dit aan niemand anders wil overlaten. Hoeveel jaren moeten nog voorbijgaan, eer ik opgenomen ben in de gemeenzaamheid van dat wat hier toch ook aan goeds en goedheid is naast zoveel wildernis? Wij allen zijn vermoeid. Nu al.
Vanmiddag is het bijna tot een ontknoping gekomen. Maar ook nu, wat blijft er bij nadere beschouwing van over? Schijnbaar niet méér dan een erge onbeheerstheid mijnerzijds; iets waarover ik mij zou moeten schamen, wist ik niet met een zekerheid boven alle tegenspraak, dat ik toch gelijk heb... Doch de toestand wordt er alleen maar moeilijker door, en de catastrofe verhaast.
Ik was tegen de middag tot aan de achterste velden gekomen, daar waar men bezig was met het opruimen
van termieten-nesten. Dat gebeurt meestal niet grondig genoeg, zelfs niet in aanwezigheid van Willem Das, die te weinig oog voor zulke kleinigheden heeft. En later zijn de gevolgen fataal, als er iets van dit ongedierte achterblijft. Ik liet dus mijn paard tussen de boomstompen door, tot naar de plek gaan, waar de slaven bezig waren. En toen ik hun nog enige aanwijzingen gegeven had, besloot ik langs het bos terug te rijden om zoveel mogelijk in de schaduw te blijven, nu de middag zo gloeiend heet was. Ik was al een eindje gevorderd op het pad dat daar gekapt is, toen ik in die stille, sombere eenzaamheid plotseling de opzichter vóór mij ontdekte, die onbeweeglijk, als was hij tot een beeld verstard, mijn nadering stond af te wachten. Ik maakte een onwillekeurige beweging van ontzetting, heel even maar; het paard dat toch al schichtig van nature is, moet het gemerkt hebben, of misschien raakten mijn sporen zijn zij.
Met de lichte gestalte van Das vóór hem op het pad wist hij niet meer hoe of wat, begon te steigeren en zijwaarts het doornige struikgewas binnen te stoten, waar hij zich stak en verwondde, zodat hij nog onrustiger werd en meer en meer begon te steigeren, en mij tenslotte van zich afwierp op het pad. Ik besefte meteen dat ik goed terechtgekomen was en mij niet bezeerd had, wilde dadelijk overeind komen, maar daar stond Willem Das al vóór mij, greep mij vast en tilde mij omhoog. Natuurlijk was ik opgewonden, en het gevoel van zijn hete handen om mijn middel, zijn greep die ik
mij al zo lang voorgesteld en verafschuwd had, maakte mij razend. Zonder goed te beseffen wat ik deed, schopte ik hem van mij af en sloeg naar hem, in redeloze vrees dat hij nog één seconde zijn aanraking zou voortzetten en zo dicht bij mij blijven met zijn nat-bezwete lijf. Zeker, hij liet aanstonds los en wendde zich naar het paard, dat dadelijk weer gekalmeerd was. Maar ik niet, ik barstte in snikken uit [een onvergeeflijke stommiteit, waaraan ik op dat ogenblik toch niets kon doen] en begon zo snel ik kon het pad af te lopen, zonder nog één keer naar hem om te zien.
Buiten adem en ontdaan kwam ik bij de behuizingen aan. Vóór de slavenloods stond Isidore, die mij even verbaasd aankeek, daarna de ogen neerslaand, op de knieën ging liggen om de grote kluiten aarde en modder die zich aan mijn laarzen hadden vastgekleefd, met zijn handen te verwijderen. Ik was niet in staat ook maar één woord te spreken en moest hem laten begaan. Pas toen hij bijna gereed was, kwam ik weer wat tot mijzelf en kon ik de woning binnengaan. Ik kon hem niet eens bedanken, en nu is het te laat daarvoor. Tot mijn verbazing vroeg hij toen zelfs niet waar mijn paard gebleven was. Alsof hij alles vanzelf begreep.
En nu vraag ik mij af: hoe is het mogelijk, dat ik mij geen ogenblik onveilig voel bij Isidore [noch bij een van de andere slaven, dunkt mij] en ik zijn aanraking rustig verdraag, er zelfs bij kalmeer, terwijl alleen al de onverwachte nabijheid van Das mij buiten mijzelve brengt? Er is een verwantschap, maar niet meer dan
een schijn van verwantschap, tussen deze onrust en die welke ik veel vroeger - in het bijna-vergeten tijdperk van ‘daarginds’ - ervoer als ik aan sommige mannen dacht of hen vlakbij mij wist; maar er was destijds geen afgrijzen bij gemengd, zoals nu. Het is veeleer zoals, - neen, het is met niets vergelijkbaar, of het zou met de nabijheid van de overige planters moeten zijn, die net als hij hun driften de vrije teugel laten en vrouwen met hun ogen schennen, zo zij het niet met hun ledematen kunnen. De MacFarley's en de Buysen of hoe ze nog verder mogen heten. Ik geloof niet dat ik mij, zolang ik hier ben, ooit volkomen zal kunnen beveiligen tegen zulk een aantasting; ik moet alleen op mijn hoede blijven, en waakzamer dan ooit zijn.
Sinds ik vaker in de slavenloods kom, vooral des avonds wanneer allen bij elkaar zijn om zich te verpozen, begin ik iets meer van deze zwarte mensen te begrijpen, in wie toch wel degelijk zin voor het hogere en begrip van het goede leeft, naast veel kinderlijks, veel dat naïef en zelfs dom is. Maar men kan hun van alles bijbrengen, en zij luisteren gaarne, zoals zij ook gaarne vertellen. Isidore vooral heeft dan vaak het woord, windt zich soms op; maar niet zodra merkt hij mijn aanwezigheid, of hij kalmeert, maakt een kwinkslag die allen tot lachen brengt, en tracht mij zo op mijn gemak te stellen. Zijn,woord heeft een groot gezag, daar in de loods, en nog méér zijn kort gebaar of een
strakke blik van zijn ogen. Hij heeft de werkelijke autoriteit, die Willem Das zich hier nooit eigen kon maken, ondanks zijn zweep waarmee hij hoe langer hoe kwistiger omspringt. Het zijn juist zijn wreedheid en willekeur die menigmaal het onderwerp van de onrustige gesprekken in de slavenloods zijn, waar Isidore dan telkens weer de gemoederen tot bedaren brengt, zoals ik hem een poos geleden heb verzocht. Maar dit kan zo niet blijven doorgaan; Raoul is te onbezorgd over deze mensen en houdt zich te uitsluitend bezig met zijn velden en akkers en de strijd tegen het bos. Alles staat nu al hoog en tamelijk goed er voor. De eerste grote oogst moet weldra komen; daarom is het tijd zijn aandacht thans wat meer aan de mensen te besteden, en tijdig het menselijke onkruid uit te roeien, alvorens het de goede redelijke wezens geheel verstikt. In deze zin ga ik met Raoul spreken, dadelijk al, wanneer hij nog op de veranda zit. Het is nog vroeg in de avond, wacht...
Mijn gesprek van gisteren met Raoul heeft zo lang geduurd, dat ik het vandaag pas kan opschrijven en doorgaan met dat waarin ik ben blijven steken. Hij zat er alleen, en ik kon geen lange voorbereidingen bedenken, maar viel met de deur in huis: ‘Wat denk je van Willem Das, Raoul?’
Ik had hem evengoed kunnen vragen wat hij dacht van koning Louis of van mevrouw de Montespan, zo af-
wezig keek hij mij aan. Maar toen ik mijn vraag herhaalde en er aan toevoegde, dat hij wellicht beter een ander in zijn plaats kon aanstellen, toonde hij zich opeens erg ontsteld en vroeg op zijn beurt, of Das mij wellicht door het een of ander gekrenkt had. Ik ging er niet op in, met opzet niet; het zou teveel eer voor de opzichter geweest zijn en was misschien nog aanleiding geworden tot allerlei discussies, waaraan Das tenslotte alleen nieuwe vrijpostigheid zou kunnen ontlenen. Ik zweeg dus over mijzelf, maar wees Raoul er wel op, hoe verkeerd de slaven behandeld werden, als redeloos vee meer dan als mensen, zonder enige eerbied voor hun ziel [over het respect voor de eerbaarheid der slavinnen zweeg ik maar] en zonder enig geduld voor hun natuurlijke misslagen en tekortkomingen. De zweep regeerde, en de haat groeide onder het schrikbewind van de opzichter. Zoals ik al vermoed had, nam Raoul de zaak niet al te ernstig, wat ik hem tenslotte ook, zonder boosheid overigens, duidelijk genoeg verweten heb. Maar hij gelooft niet een wat betere opzichter te zullen vinden, noch ook in de mogelijkheid om Isidore de plaats te geven van een blanke. ‘De gewoonten hebben zin; gewoonten in een vreemd land moet je niet te gauw verwerpen; een gewoonte die onjuist is, kan slechts langzaam en met veel geduld verbeterd worden,’ - al dit soort van wijsheid houdt verbeteringen tegen, nu, meteen, en voert tot uitstel dat de euvelen voort laat woekeren tot ze niet meer uit te roeien zijn.
Ik heb niets bereikt; maar nu is toch Raoul gewaarschuwd en zal hij misschien wat meer gaan zien en zich ook meer bekommeren om het negervolk dat hem is toevertrouwd om andere redenen nog dan slechts vermeerdering van zijn bezit. Waar blijft zijn fiere Gods-staat, vrijheid, broederschap, de zin van zijn verbanning anders? Hij moet toezien dat zijn idealen niet verstikken door de overwoekering van zakelijk voordeel en belang.
Raoul heeft revanche genomen. Zoals ik hem onlangs verraste met een vraag, zo heeft hij mij op zijn beurt daarstraks verrast. En bovendien geschokt. Mijn hand beeft nòg van woede en drift, woede ook op hem, dat hij een werktuig wilde zijn van de ander, ofschoon hij het natuurlijk wel goed bedoelt en mij het gebeurde ook moeilijk kon verzwijgen. Was het in de stad geschied, het zou bijna vermakelijk geweest zijn. Maar hier in de eenzaamheid veroorzaakt het een onmogelijke situatie, en ofwel de opzichter, of ik zal van deze plek moeten verdwijnen. Het is goed dat Raoul het mij niet zo plompverloren heeft medegedeeld, maar voorzichtig, stukje bij beetje, alsof hij zelf wel inzag, hoe driest en vermetel de opzichter is, om zó achter zijn verbeelding en zijn ingebeeldheid [noem het liever hoogmoed of gemis aan onderscheid] aan te hollen. En dat zonder schaamte voor Raoul, die ik zelf eens...
Een hese, ietwat plechtige klank in zijn stem alarmeer-
de mij dadelijk toen hij mij riep. Flitsen van vroeger schoten mij door het hoofd, door het hart, tot in mijn lijf, en ik dacht bliksemsnel: ‘Gaat hij nu spreken, nu het te laat en alles voorbij is; nu ieder van ons al een ander werd?’
Ik trachtte hem af te leiden - uitstel te zoeken van dat wat een zoete onzekerheid breken zou, tot geluk, ach neen, niet langer, maar veeleer tot ergernis - en ik vroeg hem iets over het werk. De tijdwinst hiermee bracht hem niet van zijn voornemen af, en ik zag aan zijn wijze van doen, dat hij sprak voor een ander toen hij terugkwam op onze vereenzaamde toestand hier, en mijn werk, als een man, terwijl het de roeping der vrouw is, te bloeien in tederheid, niet te verruwen en ondanks haarzelve te zijn als een man, - zoals hij begon te bepraten. Toen wist ik het duidelijk: hij wilde mij kwijt, want hij dacht aan een huwelijk voor mij. Maar nog had ik niet het flauwste denkbeeld met wie. Ik was wel nieuwsgierig te weten waar hij met zoveel woorden naar toe wou. Het was dom en een zwakheid dat ik er op inging door te vragen wie hij op het oog had. Terwijl ik het eigenlijk toch ook wel weer wist. Maar een tweede ik in mij, de duivelse ik, zocht naar bewijzen om Raoul te overtuigen, en misschien zelfs terug te grijpen naar een stukje verloren verleden. Pleitend dat ik niet de enige vereenzaamde op Bel-Exil was, verklaarde hij mij, dat de opzichter hem om mijn hand gevraagd had. Zijn verdere antwoorden konden mij niet schelen; daarvan hing niet meer af wat er nu nog ging
gebeuren. Of hij hem al dan niet iets heeft toegezegd, is van geen betekenis; trouwens dat deed Raoul ook niet. Maar nu is alles toch wel overduidelijk. En daarom is het de opzichter die moet gaan. Niet ik. Hij heeft zichzelf voor het alternatief gesteld, en ik kan hem niet meer ontmoeten. Raoul weet het nu; mijn neen kon onmogelijk beslister zijn, en ik hoop dat hij even duidelijk tegen Das zal zijn als hij tegen mij geweest is. Ik geef hem een week de tijd.
Een bittere lach komt er om mijn mond, nu ik dat laatste zinnetje herlees: ‘Ik geef hem een week de tijd’. Al zeker een paar maanden zijn voorbijgegaan, hij heeft alle tijd gehad, èn Raoul, èn ikzelf; alle tijd, want hier telt geen tijd, - en toch is er niets gebeurd. Juist wijl de tijd zo gemakkelijk gaat en het uitstel onmerkbaar in afstel verandert, gewoonten zich vastzetten als de kleine nestvormige groeisels op takken en stammen, die later reusachtige woekeringen geworden, hun drager verstikken en zelfs de lianen trotseren. Niemand is weggegaan en niets is veranderd. Integendeel. Wantrouwen, stomme woede en wrok, ze loeren aan alle kanten; wanhoop, wreedheid en wellust, ze leven als furiën om deze man heen, ze volgen zijn stappen als hongerige honden, terwijl hij dwaalt als een dronkaard door de plantage en de negers van schrik voor hem samenkrimpen.
Ik zorg er wel voor, dat hij mijn pad zelden of nooit
kan kruisen, en zo hij al des avonds naar onze woning komt om het een of ander te bespreken, hij treft mij er nooit meer aan, want ik ben meestal bij de negers, die met hun zonderlinge dierverhalen, welke zij zo smakelijk aan elkaar weten op te dissen, mij heel wat beter vermaken dan welke opzichter of zijn kornuiten die op bezoek komen, met hun half-beschaafde praatjes.
In de mannenloods, waar Isidore tegenwoordig is, behoef ik voor niets bevreesd te zijn. Daar komt Das ook niet. Wel bij de vrouwen, die ik om deze reden dan ook maar liever vermijd, hoewel het steeds aardig is te zien hoe zij met hun kleintjes omspringen, kinderen met grote, gitzwarte ogen en grappig kroeshaar die je onbewogen met hun verbaasde kijkers na-staren. Hij haalt er soms de een of andere slavin weg, zoals men zich een kleed kiest voor de avond. De negers doen dit ook, maar het is voor hen die geen betere zeden kennen, toch niet zo brutaal. En ik heb nooit zoiets gemerkt van Isidore. Zo rustig en bescheiden, toch zo zelfbewust en nobel is zijn optreden, wanneer hij mij des avonds laat met zijn lantaren uit de loods naar huis begeleidt, wat hij nog nooit heeft nagelaten; of wanneer hij mij te paard helpt, mij een dienst bewijst, mijn laarzen uittrekt voordat ik het huis in ga, mij aanreikt wat ik nodig heb, nog voordat ik mijn hand ernaar heb uitgestrekt. En alsof er nog twijfel kon bestaan hoezeer hij mij vereert, is gisternacht - ik weet niet of ik het niet slechts gedroomd heb - iets met hem gebeurd, dat me op een wonderlijke wijze heeft ontroerd.
We liepen door het maanlicht onze korte weg naar huis, de slaaf voorop, zijn fiere, naakte bovenlijf zo sterk, zo prachtig evenwichtig in beweging, en zijn benen stevig, welgeplant. Het zwarte van zijn lichaam leek zo zwart niet meer, omgeven door de heldere nacht, en ik kon me wel verbeelden, dat zo hij een prins was van de wildernis, ik mij heel veilig in zijn arm zou voelen. Minder dan een flits heeft die gedachte in mij geduurd; ik kan immers niet vergeten dat hij maar een slaaf is, en ik vroeg hem, nog wat door die hele sfeer van innigheid bevangen, of het hem nog altijd goed beviel bij ons. Hij gaf een aarzelend, maar hoffelijk antwoord, waaruit ik, geloof ik, zijn bedoeling goed begreep: persoonlijk had hij niets te klagen, maar er heerste heel wat wrok en ontevredenheid onder de anderen. Toen, opeens, wij waren al aan huis gekomen, en ik stak hem als gewoonlijk een voor een mijn benen toe, om ze te bevrijden van hun modderlaarzen die daarbuiten in het open voorhuis blijven, terwijl ik even naar zijn naakte schouder greep om steun te zoeken en mijn evenwicht te houden, nu hij daar zo diep gebogen aan mijn voet trok, moet het zijn gebeurd - ik weet het eigenlijk nòg niet volkomen zeker - dat hij op mijn voet een kus gedrukt heeft. Of viel er een zweetdrup van zijn voorhoofd op? Het moet toch wel een kus geweest zijn, en ik vind het prettig dit te denken. Zo uit eerlijke genegenheid gekust te zijn, zoals het een vazal past, een die ook een koningszoon zou kunnen zijn... Dit is beslist iets dat geen mens mag weten; Isidore zelf
mag het nooit vermoeden dat ik het gemerkt heb, - dit alles kàn niet. Maar het is toch heerlijk en opwindend om er aan te denken. Er is iets om zijn besloten wezen heen, om heel deze geluidloze plantage, dat mij dronken maakt en met een roes bevangt, waarin geen kwaad van goed meer te onderscheiden valt en ik mij nog het best kan laten tuimelen, de zachtste, liefste afgrond in. Hij moest alleen niet zó zijn, niet zo ondoorgrondelijk, niet zo zwart. Ik weet niets meer; er is geen steun om naar te grijpen...
Isidore heeft mij vandaag beschaamd. Dat ik niet eerder achter zijn geheim gekomen ben, bewijst hoeveel er om ons heen gebeuren kan, zonder dat je er iets van merkt; hoe gemakkelijk het de negers valt, hun blanke meesters te verschalken en te doen wat zij verkiezen. Toch is zijn handel - wijze wel begrijpelijk, ik heb het hem vergeven en zal hem zelfs helpen, wanneer Raoul het ermee eens is. Ofschoon er een bijna vermakelijke dwaasheid in zit [en misschien juist dáárom], dat wij die moesten vluchten voor de terreur der Roomsen, om tot hier in de wildernis de vrijheid van godsdienst en geweten te zoeken, nu bescherming zouden gaan verlenen aan een Roomse priester, aan wie het verboden is de plantages te bezoeken om er te prediken. Hoe dan ook, hij komt hier nu al maand na maand, telkens maar heel kort, en houdt zich schuil, voor ons nog meer bevreesd dan voor de mannen van het gerecht, geloof ik.
Maar hij is de enige die zich om het heil der slaven bekreunt en hun de leerstellingen van het christendom bijbrengt, die de besten onder hen, zoals Isidore, goed genoeg kunnen begrijpen.
Ook de wijze waarop ik achter Isidores geheim kwam, heeft iets amusants. Hij kon het niet op zich laten zitten dat ik hem met een zekere spot, of mogelijk minachting daarbij, ervan verdacht bij zijn nachtelijke escapades mee te doen aan de afgodische praktijken van vele van zijn mede-zwarten, die zich bij tijd en wijle ginds aan de bosrand aan deze gebruiken te buiten gaan, - of, wat hem nog erger scheen te deren, dat hij op soortgelijke wijze als de opzichter het met de een of andere negerin hield. Ik zei hem, dat hij als leider van de negers al deze dingen beter kon nalaten, om hun een voorbeeld te zijn ten goede. Toen, om mij te bewijzen hoezeer ik mij vergiste, en meer nog, vermoed ik, om mij zijn vertrouwen te tonen, heeft hij mij verteld van de bezoeken van de blanke priester, zijn onderricht in een leer die ook de mijne zou moeten zijn [hoe zal hij ooit de twijfelachtigheid van dit laatste kunnen verstaan] en de geestdrift daardoor bij de kleine groep van leerlingen gewekt, voor wie de wildernis dunkt mij als catacombe dienst doet. Het kan niet anders, of Raoul zal dit moeten goedkeuren, op gevaar af anders even intolerant te zijn als degenen die ons verdreven. Zelfs een onjuist, Rooms gekleurd en pauselijk christendom moet voor de negers beter zijn dan totaal niets.
Geloofde ik zelf, reeds lang had ook ik hun het een en
ander bijgebracht. Maar waar zou mijn catechisatie haar bezieling of haar geloofwaardigheid ooit vandaan kunnen halen, wanneer de bodem van mijn hart als een barre rots zo hard en droog ligt, zo verschroeid door hartstocht dat het zelfs geen woekering van kwaad meer kent, alleen maar dor is en verlaten? En dan nog... hetgeen de Roomse priester leert, past stellig beter bij hun oorspronkelijke afgodische aard, hun vreemde riten en gebruiken, dan de strenge, koude leer der voorbeschikking en der onherroepelijke raadsbesluiten Gods, waarvoor wij zo blijmoedig onze ballingschap hebben aanvaard, in zekerheid van uitverkoren-zijn. [O neen, de bittere spotlach is mij al vergaan; het hindert nauwelijks welke van de vele dwaasheden men kiest, zolang het toch de wijsheid niet kan zijn...]
Maar welk nut heeft voor een slaaf het geloof in zijn vooraf-bepaald verworpen-zijn, en in een God die hem getekend heeft om Kaïnsschuld die hijzelf niet veroorzaakt heeft, om boete voor iets wat de Almacht onuitdelgbaar gelaten heeft? De Roomse priester geeft de negers tenminste nog een kans en houdt hun Jezus Christus voor, die ook gegeseld en gebonden als een slaaf, een ieder van de zondeschuld zou hebben vrijgekocht, ook hen, volgens hun naar men zegt wel valse, maar dan toch zeer milde leer. Wat of er later waar of vals blijkt, kan de stakkers thans een zorg zijn; zij hebben toch niets te verliezen, slechts te winnen. En dit argument, dat buiten alle godgeleerdheid of geloof staat, zal Raoul toch wel toegankelijk doen zijn voor het-
geen ik hem van plan ben voor te stellen: De Roomse priester hier ongehinderd bij de slaven toe te laten. Al was het maar als tegenwicht voor het liederlijke voorbeeld van de opzichter.
De ontzettende regens die al een eindeloos aantal dagen voortduren en zowat iedere werkzaamheid buiten onmogelijk maken, geven mij gelegenheid om - al was het alleen maar voor tijdverdrijf- weer eens met mijzelf te praten en deze blanke blaadjes getuige te maken van hetgeen gefluisterd wordt van hoofd naar hart en omgekeerd. Geheel de nieuwe wereld waarin wij hier leven, en die nu al haast een welbekende is geworden met zijn gunsten en verrassingen, maar ook zijn kleine rampen en teleurstellingen zoals bij dit regenweer, is een wereld van fluisteringen, van een stilte die je in haar ban houdt, wijl ze vol geheimen is, maar die nooit één daarvan verstaanbaar-luid of duidelijk openbaart. Onze aandacht vangt slechts fluisteringen op. Bemoedigende en gelaten flarden van gedachten, vrees verijld tot klachtloos wachten, wanhoop die een zacht, aanhoudend zoemen werd. Wie van zijn jonge leven iets verwacht, zou hier waanzinnig worden, of terende vergaan, zoals dat met Cécile gebeurt, die bij dit regenweer vooral zo'n holle hoest heeft, dat ik ervan huiver. Het zijn de anderen, het is niet langer ikzelf, wat mij van schrik en deernis of van afschuw en vertwijfeling vervult. Ikzelf ben, evenals een van de vele planten hier,
een onbelangrijk onderdeel, een nutteloze herhaling van een nutteloze eenheid geworden, die hoogstens korte tijd een zinvolle aanwezigheid in deze omgeving heeft, en daarna uit dit eeuwige, eendere beeld verdwijnt. De anderen echter koesteren idealen, hoop, verwachtingen; op zulken wacht het leed gelijk een roofdier achter de woudreuzen van hun toekomstdromen, gelijk een slang in de koele opslagloods van hun rijkdom. Ik heb mij van hen afgewend naar de verstilling van de platgebrande velden, die nu door de eindeloze regen worden schoongespoeld, zodat ze lang nog on-doorwaadbaar zullen zijn.
Maar daarna, als de zon weer doorbreekt, keert de vruchtbaarheid terug, begint de modder te ontkiemen, spruit het groen aan alle kanten uit. Al wat verdord was, is dan al omlaag geregend; wat niet dienstig is, viel af en stierf. Maar in de broeierige hitte die straks na de regenkilte ontstaat, krijgen de goede en de kwade groei opnieuw gelijke kansen. Het gezaaide kostbare gewas en het ongezaaide onkruid; vruchtbare, van ver gehaalde stekken en de woekerwinden die vanzelf er zijn; de marentakken en de tere uitlopers, het grote en het kleine, het vermengt zich alles in een strijd om voorrang en om overmacht. En dubbel zwaar is ons werk dan, na deze ongewilde rustpoos van de regentijd.
De vorige maal was dit nog niet zo bemerkbaar als thans, nu het meeste wel zijn vaste vorm en maat heeft en de regel van ons leven hier al duidelijker en duide-
lijker wordt. Er gebeurt teveel, dan dat er voor eentonigheid gevaar zou zijn, en toch zó weinig, dat de tijd die is verstreken kleurloos lijkt en grijs: het kost je moeite te bedenken wat er tussen een bepaalde dag in het verleden en een andere, gisteren of eergisteren bijvoorbeeld, is gebeurd. Het eeuwige van het oerwoud geeft aan ons bestaan hier ook een soort van gelijktijdigheid; een zijn, geen worden en geen groei, - wel duur. Totdat dit alles eensklaps over is, - wanneer en waar vertelt de regen niet, die maar blijft stromen...
Omdat Raoul het, al een poos geleden, goed gevonden heeft dat onze slaven door de Roomse priester worden onderricht, nu er geen ander is om hen te kerstenen, is de geestelijke al een paar maal hier geweest, een magere, zeer slecht-uitziende man met holle ogen en een haviksneus. Vaak geplaagd door koortsen, slecht gevoed, zwerft hij langs de binnenpaden der plantages om zijn taak in alle heimelijkheid te volbrengen. En sinds ik hem zelf zag, geloof ik dat hij een bizonder mens, een heilige dwaas is, voor wie geen offer te groot zal zijn om het evangelie te prediken aan hen die het meest daarvan verstoken bleven. Kwaad doet hij er in geen geval mee, en hij betaalt er duur genoeg voor met zichzelve, al heeft Willem Das, toen hij zijn aanwezigheid bemerkte, vuur en vlam gespogen uit dronken woede dat zoiets werd toegelaten op Bel-Exil. Het zet de sla-
ven aan tot opstand, muiterij en weglopen, beweert hij, en onze verre naburen die het op hun eigen plantages nooit toelaten, zullen er allerminst over gesticht zijn dat wij zulks doen. Das begon zelfs te schreeuwen en zei, dat wij met dit slechte voorbeeld onze eigen ondergang veroorzaakten, en nog allerlei meer. Hij zag er roder en verdwaasder uit dan ooit, en Raoul maakte ook van deze gelegenheid geen gebruik om hem zijn ontslag te geven, zo min als destijds toen de opzichter hem om mijn hand gevraagd had en hij bij het vernemen van mijn weigering van Raoul het ontslag niet kreeg, waarom hij toen zelf - en zeer terecht - gevraagd had. Raoul houdt vol, hem niet te kunnen missen en hem al teveel verplicht te zijn, om hem zonder een groot geldsbedrag aan kant te kunnen doen. Een geldsbedrag dat hij bovendien bij lange na nog niet bezit. Nu blijft hij hier, de opzichter, steeds dreunender en zwaarder stappend, driest en wreed [de negers stuiven voor hem weg als het hun maar enigszins mogelijk is] en ook eenzelviger dan wie ook, hier in deze eenzaamheid en ondanks al de vrouwen die hij, tot verdriet der negers, zich des avonds telkens in zijn woning haalt.
Het heeft zelfs niet geholpen dat Cécile een toeval nabij geweest is, toen zij, ergens achter in de bloementuin waar zij zich ongezien bevond, getuige was van de wijze waarop Das in de nabijgelegen suikeraanplant is te keer gegaan tegen een van onze slaven, hem een bloedige afranseling gaf en nog een paar vloeken achterna.
Zij had het niet gewaagd ertussen te komen [wat ook verkeerd en onmogelijk geweest zou zijn] maar was naar huis gevlucht, waar zij een huilbui en een vlaag van rillingen en huiver kreeg, die Josephine en mij niet weinig hebben ontsteld. Het duurde een hele poos voordat wij haar weer wat tot kalmte konden brengen. Zo zwijgzaam is ze echter niet, of ze heeft ons toen wel een blik vergund in haar ziel: dat ze zich hier niet bijster op haar plaats voelt en vaak somber, bang gestemd. Te naakt en ruw staat de natuur hier om haar heen, te vreemd en te vijandig ook. Ze heeft ook niet de minste aanraking met de zwarten, die haar ontzien.
Raoul heeft zelfs naar aanleiding van die gelegenheid niet ingegrepen, zoals hij toch wel had kunnen doen; integendeel heeft hij zich boos gemaakt om Céciles opwinding en wat hij de overgevoeligheid van vrouwen geliefde te noemen. Hij ziet geen kans veel af te wijken van het geijkte gewicht dat hier de planters aan geweld hechten, en die onmacht benauwt en prikkelt hem. Voor het eerst zie ik ook hem zich in de laatste tijd weleens onredelijk gedragen, hoewel hij tegen mij nog altijd dezelfde oude, hartelijke broeder is, die mij bij alle landbouwwerkzaamheden betrekt met eenzelfde vanzelfsprekendheid als Josephine bij de intimiteiten van zijn slaapvertrek. Ze is overigens ook niet zo stralend meer als toen wij hierheen kwamen. Voor buitenstaanders moeten wij geen al te opgewekte troep zijn, zo wij dat al in het verleden waren.
Op wonderlijke wijze wordt het nieuws hier verspreid, van oever tot oever, van plantage tot plantage, over alle bossen, alle afstand heen, men weet niet hoe. Die Schotse bastaard vooral, de tot in zijn diepste wezen verdorven MacFarley [vergeefs tracht ik, om hem recht te doen, iets goeds in hem te ontdekken, maar hij is de verpersoonlijking van het gladde, gepolijste kwaad] deze ingebeelde schurk die een van onze buren is, heeft er een duivelse vreugde in, Raoul telkens de les te komen lezen wanneer hij meent dat hier inbreuk gemaakt wordt op de gewoonten van uitbuiting en onderdrukking die voor de planters en kolonisten de ongeschreven wet zijn om zich zo haastig mogelijk te kunnen verrijken, liefst ten koste van het hartebloed der domme zwarte mensen. Dat hij dit bloed zelf in zijn aderen heeft stromen, schijnt deze mulat eer te prikkelen dan te verhinderen om hun vijand te zijn. Hij kwam hier eerst beleefd, maar weldra heftig en heerszuchtig opzetten, daar hij - naar zijn beweren - had gehoord dat wij de Roomse priester onderdak verleenden en hem hadden toegestaan te prediken voor de slaven. Al de onzin die, schuimbekkend op het laatst, zijn mond uit kwam, zal ik heus niet neerschrijven, maar hij dreigde nu eens met de wet [die hier toch nooit wordt toegepast], dan weer trachtte hij te overreden, vleierig als een echte Schot, om opeens weer achterdochtig en gemeen-insinuerend als het laagste uitvaag-
sel dat deze Wilde Kust onveilig maakt, te keer te gaan. Het is de onmogelijkste nabuur die men zich kan denken.
Hij vond op dit punt Raoul gelukkig toch onvermurwbaar. Deze zei hem onomwonden, dat hij niet de tyrannie en de gewetensdwang uit Frankrijk was ontvlucht, om hier te komen zuchten onder een gelijke, maar dat hij niets zou nalaten om zo te kunnen leven op zijn eigen landgoed, als hem juist voorkwam. Met het doen en laten van een ander wenste hij zich ook niet te bemoeien. Het is zodoende bijna tot een twist tussen de twee gekomen. Willem Das was er niet bij, gelukkig; of in zekere zin: ongelukkig, want het heette dat hij zich niet heel wel voelde en op zijn brits bleef, waar hij ook MacFarley niet kon ontvangen. Wat dat betekent, weten wij nu zo langzamerhand; hij heeft de drankfles niet bijtijds meer kunnen wegzetten en moest zijn roes uitslapen.
Toch heeft iets van de vele dingen die de Schotse bastaard hier uitbraakte, mij heviger verontrust dan ik mijzelf aanvankelijk wilde toegeven. Hij schimpte dat onze velden er kwalijker voor stonden dan eerst, en dat dit te wijten zou zijn aan moedwillige slapte der negers en negerinnen bij hun werk. Dit laatste kan niet waar zijn, daarvoor let ik te goed op en zie ik te scherp wat ieders deugden en gebreken op het veld zijn. Maar dat de oogst minder rijk belooft te zijn dan het vorig jaar, dat er een zekere schraalte over alles ligt, vooral na de buitengewoon hevige regentijd duidelijk geworden,
is helaas juist. Ik heb het mijzelf niet durven toegeven en wist het toch. Nu hij het evenwel heeft uitgesproken, met een zekere wellust en wreed genoegen, op dezelfde wijze als hij naar mij kijkt, nu ligt het daar als een treurige werkelijkheid. Misschien valt het nog mee, tenslotte, en helpt de hoeveelheid.
Daphne, het kamermeisje, sprak laatst over het boze oog. Indien ik er aan geloofde, zou ik zeggen dat David MacFarley zulk onheilsvermogen bezit, en dat zijn blik het land zo plotseling heeft geschaad. Maar het kan ook de aanwezigheid zijn van Willem Das, die op zijn beurt evenals MacFarley de toelating van de Roomse geestelijke de oorzaak vindt van alle euvelen welke ons nog zouden kunnen treffen. Zelf vertelde MacFarley vol verwaten trots, dat hij steeds iets van ijzer bij zich draagt, om de kwade invloed van priesters en dergelijke tovenaars van zich af te wenden. Zo wordt hier het ene bijgeloof verdreven door het andere, maar voor de waarheid is geen plaats in dit onafzienbaar-wijde land. Tenslotte is een heiden als Isidore veel dichter aan de waarheid toe, dan al degenen die zich meester over zijn lijf en leven wanen omdat zij blank zijn. Trouwens, hoe vaak heb ik mij er al niet op betrapt, dat ik, terwijl hij met mij spreekt, vergeet dat hij een neger is, van aard en levenswijze zo geheel verschillend van ons. Dat verschil is er in werkelijkheid niet meer, want hij heeft geen verleden, het is weggewist gelijk de dag van gisteren en bestaat niet meer voor hem, hij rept er zelfs met geen toespeling over. Alles is voor hem heden en
toekomst, en waar die hem met ons samenbrengen, sluit zijn denken en voelen ook volkomen aan bij het onze.
Zijn verering voor mij is ontroerend, en haast zou ik haar kunnen beantwoorden met mijn respect voor zijn kracht en zijn prachtige romp, zo dit wat mij misschien wat kinderlijk imponeert, niet geheel op de achtergrond werd gedrongen door mijn bewondering [het woord is niet overdreven] voor zijn autoriteit over de andere slaven, - en niet minder de slavinnen. Ik ben ervan overtuigd, neen, ik hoop het niet te behoeven betwijfelen, dat hij van dit laatste geen misbruik maakt, en dat zowel de ernst waarmee hij zich tot het christendom aangetrokken voelt en zich daarin bekwaamt, als zijn vermoedelijk toch oprechte verering voor mij, hem doen afzien van de gebruikelijke praktijken die de huisdieren veeleer passen dan zelfs de meest verworpen mensen. Hij veracht de opzichter diep genoeg, om voor zijn slechte voorbeeld ontoegankelijk te blijven, en hij weet ook hoe ikzelf er over denk. Ik heb overigens de laatste dagen weinig of niets van Isidore gezien, ofschoon de Roomse priester er niet is, die hem 's avonds, als hij niet in de slavenloods is, in beslag neemt. De anderen weten het mij ook niet te vertellen, of als ze het weten, zwijgen ze, om het gezag dat hij, ook wanneer hij afwezig is, over hen doet gelden. Wie-weet welke prettige verrassing hij mij bereidt; hij is de enige hier die zich zo persoonlijk om mij bekommert, dat hij mij weleens een aangenaam tijdverdrijf bezorgt.
Wat of hij van mij denken zou, wanneer hij eenmaal ging doorzien, van hoe geringe waarde feitelijk het christendom voor mij is, en hij daardoor zelf misschien ook twijfelen ging aan wat hij nu zo gaarne en met geestdrift wil geloven?
Terwille van ons beiden zal ik dit deel van mijzelf ook voor hem, deze enige, povere vriend, angstvallig verborgen moeten houden. En het is te hopen dat zijn overigens zo slimme ogen en zijn snel verstand, dat soms zelfs de taal der dieren schijnt te verstaan, mijn geheim nooit doorzien. Hij is zelf mijn grootste geheim geworden. En ik beef niet eens meer terwijl ik dit schrijf, - iets dat mij nog kortgeleden de ineenstorting van al wat bestaat zou hebben toegeschenen. Ik beef alleen een beetje voor wat er wellicht uit dit alles zal voortkomen. Vooral als ik denk aan de blikken vol haat van Willem Das en aan die van een horde van planters, gereed om hem bij te staan. Gelukkig dat Bel-Exil zo ver is van alles en iedereen.
Gisteren toen ik met Raoul, te paard vanwege de ontzettende modderboel bij de achterste, nog niet ontwaterde velden, een omweg maakte om naar het herstel te zien van het kunstige sluis- en waterwerk dat op de wijze der Hollanders een der hoofdzaken op onze plantage is en dat door de regentijd heel veel geleden heeft, is er weer een voorval geweest, dat duidelijk aantoont hoe ver het hier al met ons gekomen is. Zonder Isidore
zou het ons ontgaan zijn, en toch is het goed dat vooral Raoul dit weet, al doet het hem ook verdriet en ziet hij zich nu genoodzaakt op reis te gaan en grote stappen te ondernemen. De ergste waarheid onder ogen te zien is beter dan onwetend je neer te vlijen in de nabijheid der gifslangen van een gevaar dat zéker dreigt en dat je tot de ondergang kan voeren. Isidore was overigens discreet genoeg in de wijze waarop hij het ons toonde.
Hij stond met een troepje anderen bij de sluis te werken, toen we bij hen kwamen en ik aan zijn schichtige blik bemerkte, dat er iets hinderlijks aan de hand was, iets dat hij wilde zeggen, zonder goed te weten hoe. Na enig vragen kwam het er uit, dat wij eens naar de opzichter moesten omzien, bij de laatste suikerrietvelden. Een ongeluk was er niet gebeurd, stelde hij ons wel gerust, en de opzichter was niet alleen, maar toch moesten wij er maar eens gaan kijken. Wij reden er zo snel mogelijk naar toe en vonden Willem Das smoordronken en volkomen buiten kennis liggen in de schaduw onder een boom. De drankstoop lag nog naast hem, en vredig, maar niet zonder enige spot op hun anders zo effen gezichten, waren de slaven om hem heen met hun werk bezig. Tot dusver hadden wij niet gemerkt dat hij zich ook overdag te buiten ging aan sterke drank; maar hij vervalt van kwaad tot erger en is tegenwoordig de negers en negerinnen zo lastig, dat ze hem nu met kennelijk genoegen daar als een dronken beest in zijn roes zagen liggen, zonder zich verder om hem te bekreunen.
Raoul beval het volk hem naar zijn huis te dragen en terwijl wij die trieste optocht achterna reden, heb ik nogmaals - en weer tevergeefs - getracht Raoul ervan te overtuigen, hoeveel kwaad door de opzichter hier tegenover de negers wordt aangericht.
Zonder dit te kunnen of te willen ontkennen, trachtte Raoul hem toch te verontschuldigen door te betogen, dat hij een ongelukkig en eenzaam mens was, en door er een toespeling op te maken, dat Das zich zou bedrinken uit verdriet over mijn weigering om in te gaan op zijn pretenties. Het drinken zou hem dan weer wreed maken tegenover anderen. ‘Ik kan hierover eigenlijk niet spreken’, zei Raoul nog, ‘want ik kan jullie geen van beiden missen’.
Ik heb dit goed verstaan. Niet ik, zijn bewonderaarster van de Hoeve, zijn schoonzuster en vriendin van Morhang, ben voor hem onmisbaar, maar ‘jullie beiden’, zijn opzichter en zijn opzichteres [zoals hij mij weleens noemt] zijn dat. Terwille van het werk, van de plantage. Niet terwille van mijzelf, - anders zou hij mij nooit in één adem genoemd hebben met die verafschuwde persoon, die zelfs niet de verontschuldiging van een zwarte huidskleur heeft om zó de slaaf te zijn van zijn hartstocht.
Raoul, Raoul, wat zijn we ver uit elkaar gegroeid! Maar het is goed zo, het is beter dan ooit, het heeft mij mijn onbevangenheid tegenover jou en Josephine teruggegeven. Ik zie nu jullie beiden en mij zelve eindelijk scherp en klaar, en zeg dan ook: ik kan jullie geen
van beiden missen. Al heb ik eens anders gesproken, over elk van jullie beiden afzonderlijk anders. Zo alleen als ik hier thans sta, zo eenzaam als ik nu ben, kan niemand ooit zijn. Daar is weliswaar veel wat mij bezighoudt, maar het houdt de eenzaamheid bezig en maakt deze voelbaar aan zichzelf; het helpt geen gemeenzaamheid vormen. En ‘wij beiden’, de opzichter en ik, zijn waarlijk niet de enigen die ieder op onze manier de last van onze eenzaamheid dragen. Daar is stellig ook nog Cécile, die er slecht uitziet en die ik onlangs nog erop betrapte dat zij aan het venster stilletjes voor zich uit zat te huilen, met haar naaiwerk op de schoot. Ik werd er een ogenblik zo ontdaan van, dat ik naar haar toegegaan ben en haar gekust heb, wat ik anders nooit doe, en daarna sprakeloos de kamer uit gevlucht ben.
Cécile heeft zelfs niet de omgang met de mensen en de dingen, die anderen aanleiding geeft te spreken van ‘jullie beiden’, hoezeer ook ten onrechte. Zij leeft in een wereld waarin niet gewerkt wordt, slechts gedroomd, geduld en geleden. En Josephine dan... is zij niet eenzaam soms, ondanks Raoul? Elk gebaar van haar, heel haar grote gestalte hunkert naar een kind, - een kind dat nu al jaren uitblijft. En wat eerst nog een geluk kon schijnen, gezien onze vlucht, de tijd in ballingschap, de reis hierheen, is nu in deze eenzaamheid een ramp voor haar. En voor Raoul niet minder, die laatst nog schamper zei: ‘Een planter werkt alleen maar voor de toekomst, voor zijn nageslacht. Het heden laat
hem niet veel kans in rust te teren op zijn arbeid’. ‘Sinds het slavenarbeid is’, heb ik hem toen geantwoord, maar het was niet geheel rechtvaardig, want hij werkt niet minder dan wie ook, hier op onze onderneming. In dit opzicht, meer dan in doortastendheid of vastberadenheid, is hij wel degelijk ieders voorbeeld. Ook een eenzame...
Wij mogen allen met elkander medelijden hebben, maar het baat ons bitter weinig; ieder gaat zijns weegs en slikt zijn smartjes weg en drukt zijn springend hart weer op zijn plaats terug, de ene dronken ofwel droomverloren of in de armen van haar man; de andere nuchter, met de grote, veelziende ogen van de nachtuil. Het zijn evenwel de nuchteren die het meeste lijden. Nuchter is: wie niets gelooft, niets hoopt, niets liefheeft dan verboden vruchten, glanzend-zwarte giftige, en zelfs die onbereikbaar weet.
En nu schijnt Raoul vandaag een lang en heftig gesprek met de opzichter gevoerd te hebben, dat niet tot resultaat zal hebben dat hij gaat, maar dat Raoul ertoe gebracht heeft mij zoëven te vertellen, dat hij is besloten over enkele dagen naar de stad te gaan om daar over de voorverkoop van onze oogst te onderhandelen.
Misschien tracht hij op deze manier geld te vinden om van Willem Das af te komen, misschien wil hij ook alleen maar de moeilijkheden voor een poos ontvluchten. Het schijnt de bedoeling te zijn om Cécile mee te nemen, teneinde haar wat afleiding te verschaffen; in de laatste tijd is ze nog stiller en teruggetrokkener dan
ooit tevoren en zo onnatuurlijk bleek. Het zal haar zeker goed doen. Mij trekt de bende van daarginds volstrekt niet aan, en met zoveel gewas dat al zo hoog opgeschoten op het veld staat, zou het niet raadzaam zijn, dat zowel Raoul als ik afwezig waren en alleen de dronkelap en hoerenloper [ik heb geen ander woord voor hem, zijn we hier planters of niet?] verantwoordelijk is voor alles. Dit is de reden waarom Josephine ook niet meegaat. Na de suikeroogst zullen ze dan wel weer eens samen de bewoonde wereld gaan bezoeken.
Anders dan de natuur is onze menselijke samenleving hier verdeeld in twee klassen: die der gepaarden en die der ongepaarden. Het leven van deze laatsten, die niets met elkander gemeen hebben, is niettemin aan elkander welbekend, omdat het gelijksoortig is. De gepaarden echter voeren een apart en geheimzinnig bestaan, en hun gemeenzaamheid met de buitenstaanders is er een van toegeeflijk op-een-afstand-houden en de illusie wekken, dat die stakkers ook eens zullen worden toegelaten tot de kring der ingewijden van het bed. En dat... neen, ik wil beslist niet meer hierop doordenken. Ik ben trouwens veel te moe, als altijd sinds lang, gelukkig.
Dat ik er nu toch toe kom te schrijven, is omdat de eenzaamheid hier mij benauwt, nu Raoul afwezig is en daardoor het werk voor mij juist is verdubbeld. Ik heb eigenlijk geen tijd meer voor iets anders, en voel toch,
terwijl hij weg is, wat zijn tegenwoordigheid voor ons aan veiligheid en geruststelling betekent, en voor mij aan kameraadschap. Wat er ook in de loop der jaren aan gevoelens tussen ons verloren geraakt mocht zijn, en dat is wellicht meer dan wij beiden ooit tegen onszelve zouden durven bekennen, Bel-Exil heeft van ons strijdmakkers en wapenbroeders gemaakt, - voor Raoul iets heel natuurlijks, voor mij iets geheel in strijd met mijn vrouw-zijn, maar niettemin iets waardevols, wijl het mij losgemaakt heeft van mijn oude, verschrompelende zelf. Het is een grote zeldzaamheid, dat ik mij, zoals nu, nog met mijzelve bezighoud. En zodra ik het merk, laat ik het liever na, om met meer nut mijn tijd en aandacht aan de negers te gunnen, te luisteren naar hun vermakelijke verhalen en soms allerdwaast gesnap; te zien hoe Isidore in kennis vordert, heel precies onthoudt wat hij één keer gehoord heeft, en aan te horen hoe hij op zijn beurt mij zoveel vertelt dat wetenswaardig is, over de planten en de dieren, de natuur die ons omringt.
Daarin beweegt hij zich gelijk een koning, zo verzekerd van zijn kracht, en als een broeder van de dingen, zo gewend. Zijn donkere en toch zachte stem klinkt zo vertrouwenwekkend soms, en al de Franse namen en gezegden die ik hem uit tijdverdrijf soms voorzeg, weet hij ook na weken te herhalen. O, hij spreekt als een Normandiër, en dan nog met iets kinderlijks in zijn accent. Een groot, goed kind en toch een sterke man. Was hij niet hier, ik zou mij - met Raoul op reis - toch
niet zo welbehoed en veilig voelen in dit stille, verre oord, met Willem Das zo dichtbij om mij heen. Maar nu durf ik wedden dat - het is al 's avonds laat en iedereen is binnen, slaapt vermoedelijk al - als ik een stap naar buiten doe, hij op de een of andere manier daar is om over mij te waken. Ik heb veel zin om de proef op de som te nemen en het mijzelf te bewijzen, hoe volkomen ik op hem rekenen kan. Maar het is overbodige moeite, die anderen slechts zou alarmeren. Ik weet het voor mijzelve met volstrekte zekerheid; dat is voldoende.
Haast zou ik van hier uit zachtjes tot hem kunnen spreken, als in een van die krankzinnige toverijen waarvan hij soms vertelt, volkomen overtuigd dat zij op geen bedrog berusten. Het is de duivel die dat alles doet, heeft de Roomse geestelijke hem onderwezen; het is de koning der verdoemden die de afgodsdienaars tijdelijk zijn macht verkoopt. Was dat echter waar, hij moet mij dan al dikwijls hebben bijgestaan. Het boze is er, en het neemt zelfs een gestalte aan om ons te kwellen [en het liefst nog een gestalte of vorm uit onze omgeving]; maar de Boze of de Duivel met zijn staart en bokspoot en zijn hoornenkop is een verzinsel van het bijgeloof. Het is wel jammer dat met heel veel goeds aldus ook heel veel nodeloos verkeerds de onwetenden wordt bijgebracht door hen die, zelf wellicht te goeder trouw, het valse prediken. Vroeg of laat zal ik bij Isidore de priester moeten tegenspreken. Als hij mij dan gelooft, en aan mijn woord meer waarde hecht dan aan
het geleraar van de Roomse geestelijke, dan is zeker het bewijs geleverd dat - neen, dit niet. Maar wel het bewijs dat hij mijn toegewijde slaaf is, slaaf van mij, die slechts zijn vrijheid wil en hem die vrijheid nu al toeken in gedachte.
Gelukkig dat Raoul terug is! Wij horen nu eenmaal bij elkaar en elk uiteengaan van ons viertal veroorzaakt moeilijkheden en een schrijnende, pijnlijke plek, daar waar wij zo lange tijd tegen elkaar aan leunden. Daarom ben ik ook blij dat Cécile niet is achtergebleven, ofschoon daarvan een ogenblik sprake is geweest en wat voor haar lichamelijke gezondheid misschien te verkiezen was. Maar ook bij haar overheerst het saamhorigheidsgevoel alle andere gevoelens, tenminste zo lang niet ‘het’ betere, het beste aller gevoelens - zo dat bestaat - er voor in de plaats komt. En daar schijnt weinig kans op, in de stad zo min als hier.
Hoewel het mij daarginds, toen wij de plaats verlieten om voorgoed naar hier te komen, tamelijk saai en stil leek, vooral bij Frankrijk of bij Holland vergeleken, zegt Raoul, dat het er nu rumoerig en onrustig is, met gekrakeel en slemppartijen overdag en 's nachts nog minder fraai gedoe. In de beginne vond Cécile het er wel amusant, na al de stilte en eenzaamheid van hier, en naar haar zeggen zijn er heel wat propere en wel-onderhouden tuinen bijgekomen sinds wij er zijn aangekomen met het schip. Maar met dat al, en zelfs ondanks
de vriendelijke ontvangst die Cécile van sommigen ten deel viel, was zij toch liever op Bel-Exil, zodat zij niet is ingegaan op Raouls aanbod om achter te blijven en op de uitnodigingen waarmee men haar vereerde.
Eerlijk gezegd valt deze flinkheid mij van haar mee, en zij is toch meer een d'Esternay dan ik vermoedde. Dat wat ik bij haar het vluchtige en onvatbare pleeg te noemen, heeft toch een vaste, harde kern, die nu en dan te voorschijn komt, maar meestal achter dromerigheid en een gebrek aan practische werkelijkheidszin verscholen blijft. Dit verzoent mij er ook mee, dat ik nu, sedert zij terug is, mijn kamer met haar delen moet, omdat Josephine, die tijdens de afwezigheid van Raoul blijkbaar ook haar verborgen angsten heeft gekend, het beter vindt met het oog op Céciles gezondheid, dat ik wat op haar letten kan. Zo vooral des nachts, dat zij geen kou meer vat, en ook niet - als weleens gebeurd is - zich zo opwindt dat het haar gezondheid schaadt voor dagenlang. Zoals toen zij de opzichter voor het eerst een slaaf zag ranselen. Dat is nu een bijna alledaags gezicht geworden, - God moge zich voor zijn schepping schamen! [Als ik nog een ergere vloek wist, zou ik hem nu schrijven.]
Zij zijn overigens geen van beiden opgewekt teruggekeerd; Raoul niet, wegens allerlei gestrubbel met de planters, hun verscherpte eisen dat er streng zal worden opgetreden, wijl er zoveel negers zijn die naar de bossen vluchten, zodat iedere slavenhouder nu zijn eigendommen brandmerkt [als dat hier gebeuren zou, ver-
laat ik Bel-Exil voorgoed] - en ook wegens het geknoei met prijzen van de suiker en tabak. Er is veel verwarring en ze zijn het hierover nog niet eens geworden. Snelle rijkdom is het enige waarover deze lieden zich bekreunen; al het andere is bijzaak of telt in het geheel niet.
Deze reis heeft één man bovenal hier een even verholen als gemene triomf gebracht, zoals hij een ander een treurige schok gaf. Hun reacties tekenen volkomen duidelijk de uitersten af, waartoe wij hier zijn gekomen en waartussen ik leef als een verdwaalde vogel, die zich nu aan alle kamerwanden de kop te bloeden vliegt. De Roomse priester die hier kwam, is in de stad gestorven, evenals zijn metgezel die onder andere groepen van plantage-negers predikte. Ontberingen en ziekten bij het zwerven langs verborgen paden hebben snel genoeg hun leven ondermijnd. Nu zijn de negers weer als vroeger aan zichzelve en hun meegebrachte heidendom overgelaten, en niemand die zich verder om hun kerstening of hun beschaving bekommert. Zo heeft Willem Das zijn zin gekregen, zonder er zelfs zijn best voor te doen; en zo is Isidore de mogelijkheid ontnomen voort te gaan op een weg die hij de beste dacht en die hij nu, door een Voorzienigheid die hij juist begon te aanbidden, afgesneden ziet. Was het niet juist, dat ik daareven vloekte? Of moet ik Isidore nu verder helpen, niet zoals de priester uiteraard, maar naar mijn eigen, diepste overtuiging? Wat moet ik hem zeggen? Jij en ik zijn voorbeschikten ter verdoemenis, noch het ge-
loof, noch deugd, noch goede werken baten ons uiteindelijk, en wij zijn dubbele dwazen als wij nog iets anders doen dan wat ons aangenaam of dierbaar is. Een beetje durf... Kom, laat ons vluchten, éénmaal ver en vrij van al wat knelt en hinderen kan, gelukkig zijn! Zoals de dieren en de planten en de vlinders. En dan als een wolk vergaan, desnoods verdoemd, omdat dit toch, zoals geleerd wordt, onherroepelijk is. En mocht die leer onwaarheid zijn, - zoveel te beter! Ik wil niet goed en deugdzaam op de bonnefooi zijn, ik wil weten wáárom ik mijzelf nog langer geweld moet aandoen! Maar ach, ik zal niets van dit alles zeggen. Isidore heeft het de laatste tijd een paar maal over Christus gehad, die hij raadselachtig vindt, omdat naar zijn opvatting niemand tegelijkertijd koningszoon en slaaf, de gezalfde des Heren en de gekruisigde kan zijn. Met het verkrijgen van de ene staat verliest men de andere, zou Isidores redenering luiden, wanneer hij theologiseerde. Maar hij denkt in beelden, en uit de voorstelling daarvan, verbonden met de werkelijkheid om hem heen, ontstaan zijn gevoelens. Daarom zegt hij: ‘Wij slaven lijden zoals Jezus, maar eens gaan wij terugslaan zoals Jezus' Vader. Want er komt een dag dat elke zoon ook op zijn beurt de vader wordt’.
Hij zegt zo schijnbaar simpele dingen, die toch, als je maar de moeite neemt er dieper over na te denken, een heel wonderlijke zin behelzen. En hij spreekt zo weifelend soms, zo zacht met zijn sonore stem, dat ik hem haast wel in mijn armen zou willen sluiten of wegkrui-
pen aan zijn onbehaarde, sterke borst. Ach ja, men wordt een beetje dwaas hier in de wildernis. Het is niet alleen de dronken Willem Das... De een handelt zonder te denken, de ander denkt zonder te doen; er is eigenlijk niet eens zo heel veel verschil meer tussen ons, - ‘jullie beiden’ zou Raoul zeggen!
Raouls reis naar de stad heeft nog een hele nasleep. Het blijkt dat de oogsten die bijna overal gunstig zijn uitgevallen, toch bij de handelaars en de verschepers minder opbrengen, doordat deze nu de beschikking hebben over grotere hoeveelheden dan anders. De planters willen daarom onderlinge afspraken maken en zodoende voorkomen dat zij te weinig ontvangen door het dalen van de prijzen. Al een paar van onze buren hebben de urenlange tocht naar hier ondernomen om ook met Raoul overleg te plegen.
Op zichzelf zou dit tot een prettige verhouding kunnen leiden, maar het gaat ermee als met de minder zakelijke bezoeken van MacFarley en zijn soortgenoten: ze laten slechts wrevel en geprikkeldheid na, omdat er bij die gelegenheden altijd karaktertrekken vertoond en leerstellingen verkondigd worden, die lijnrecht indruisen tegen de onze. Niet alleen tegen de mijne, hetgeen haast vanzelfsprekend en zeker overkomelijk zou zijn, maar ook tegen die van Raoul en Josephine in. [Cécile ontvlucht deze lieden maar; dat is het gemakkelijkst.] Het zijn de krachtige hulptroepen van Willem Das, die
zich na zulke gesprekken weer gestijfd voelt in zijn opvatting, dat planters bovenal plukkers en afpersers behoren te zijn. Het liefst bleef ik ook uit hun buurt, te meer daar ik geen gastvrouw behoef te zijn, zoals Josephine. Maar omdat ze toch steeds weer terechtkomen op de werkzaamheden zelf en de moeilijkheden van het land, ben ik wel gedwongen hen aan te horen en mij soms zelfs in de discussie te mengen, waarin ik, ook als ik haar tracht te ontwijken, toch door Raoul betrokken word, die in mij immers zijn oudste [en wellicht beste] bondgenoot heeft.
Altijd weer is het MacFarley die, vooral als hij door Das gesteund wordt, mij in bizondere mate boos maakt, en het van zijn kant ook bizonder op mij gemunt schijnt te hebben. Ik gun hem het plezier, mij met zijn klamme, gierige ogen van elk omhulsel te ontbloten, zoals ook de opzichter dat, minder brutaal en slechts wanneer hij zich onbespied waant, pleegt te doen. Van MacFarley zie ik het, en in zekere zin kan ik mij ertegen verweren; van Das voel ik het alleen; als ik hem aankijk slaat hij dadelijk zijn ogen neer, maar wend ik mij af, dan is hij er meteen weer bij. Daartegen ben ik weerloos.
Deze laatste keer heb ik er overigens nog het minst last van gehad, want het is bijna tot ruzie gekomen, omdat de planters wilden dat wij ons allen zouden verbinden om een groot deel van de oogst [bijna de helft] in het water te gooien of te verbranden, om zo de kooplieden in de stad te dwingen hogere prijzen voor de schaarser
geworden goederen te betalen. Natuurlijk wilde Raoul hiervan niets weten; hij vond het een duivelse inval en tegen de zin der Schepping. Hij zei hun onomwonden, dat wie in God gelooft en de Vader bidt: ‘Geef ons heden ons dagelijks brood’, nooit tot moedwillige vernietiging van een der gaven die Hij ons vergunt, mag overgaan.
Voor christelijke argumenten zijn de planters, die zich niettemin christenen noemen, en zich soms zelfs daarop laten voorstaan [als in de kwestie der slaven], volkomen ontoegankelijk. Ik meende hen beter te begrijpen en hun daardoor beter te woord te kunnen staan; ik zei derhalve, dat men er dan veel verstandiger aan zou doen, minder van de slaven te vergen en van de grond, waardoor dan vanzelf minder zou worden voortgebracht en het negervolk een menswaardiger leven zou kunnen leiden.
Ik had nog niet geheel uitgesproken, of de storm brak los. Zonderling genoeg niet tegen mij, die het woord had gevoerd en als vrouw misschien daarvoor kon worden gegispt, maar tegen Raoul, die slechts had geluisterd. Door hem te treffen konden zij mij, als reeds buiten het geding, eenvoudig opzijschuiven. Maar Raoul heeft zich uitstekend verweerd en is geen duimbreed van zijn standpunt afgeweken, dat ook het mijne is, al heb ik andere argumenten dan die hem zijn vroomheid ingeeft.
De reden waarom wij van alle plaatsen ter wereld juist hierheen gekomen zijn, is tenslotte de mogelijkheid ge-
weest om hier iets te verwerkelijken van de liefelijke staat van vrijheid en broederschap, waarvan het denkbeeld in ons leefde. Dit is het wat mij aan Raoul verbonden heeft gehouden toen ik evengoed alle andere kanten op had kunnen gaan. En dit is het wat mij aanvaardbaar blijft in zijn en Josephines opvatting van een Gods-staat op aarde, - een waarin ook voor de bozen, en zelfs voor de verdoemden nog een kleine plaats is. Raoul heeft het hun behoorlijk, en ook aan Willem Das naderhand nog eens overduidelijk gezegd: wat de planters ook dreigen, en hoezeer men in deze streken ook op elkanders hulp is aangewezen, op Bel-Exil is hij en niemand anders de baas; en zolang hij het is, zal worden vastgehouden aan onze opvattingen van wat goed, rechtvaardig en menselijk is. Het zal zeer moeilijk blijven, dit laatste restant van onze idealen te handhaven; er ging al zulk een goed gedeelte in de strijd om het bestaan verloren. Maar de grens der toegeeflijkheid aan het kwaad in onze omgeving is bereikt.
Als Raoul vasthoudend blijft, zal hij mij aan zijn zijde vinden tot het bittere einde; zo niet, dan zijn spoedig daarna mijn dagen op deze plaats ten einde; ik vlucht nog liever de bossen in om er te sterven. De enige zin die het leven in de wildernis nog heeft, is: jezelf te zijn. Zonder deze mogelijkheid is hier de planten-dood, de grote oerwoud-dood alreeds begonnen.
Oef en oef en oef! De drukste weken zijn voorbij, de
weken van dag en nacht werken om het suikerriet te oogsten, het van de verre velden naar de suikermolen te vervoeren, het daar tot sap te persen onder het aanhoudend knarsen van de grote raderen, en in de stokerij het sap te koken, in te dikken en te drogen. Alles ruikt er naar, een weeë, zoete maar intense geur, die meer nog dan de rook die opstijgt uit de stokerij, aan iedereen bericht, dat hier van middernacht tot middernacht het hele leven draait om suiker. Van de snelheid en de drift waarmee dit werk gebeurt, hangt de hoeveelheid suiker af, die uit het riet kan gewonnen worden. Vandaar dat deze tijd, hoe vermoeiend ook, iets meeslepends heeft; niet alleen voor ons, maar zeker ook voor de negers die ervan schijnen te houden en als grimmige of opgewekte duivels rondspringen met hun zwart-glimmende lijven, vanwege de hitte der ketels en de nauwe werkplaatsen bijna geheel onbedekt, met rosse gloed van de stookplaats beschenen, of plotseling uit het schijnsel van een stallicht weer verzwolgen door de schaduw en het duister achter een rietstapel of pers. Dan ontstaat er ook een gemeenzaamheid die anders zelden, of slechts bij enkelingen zoals Isidore, te vinden is: de vreugde van het op-elkander-aangewezen-zijn en het tezamen voltooien van een taak. Zelfs de opzichter, wanneer het zijn beurt was om daar toezicht te houden, kalmeerde er een weinig van en kon weleens een grijns trekken om een grol van de rondspringende negers, die altijd vrolijkheid tonen wanneer het een of ander hun naar de zin is, zoals ze ook dadelijk tot zwaarmoedig-
heid en zelfs tot ziekte vervallen, wanneer hun de zwarigheden des levens al te talrijk of van al te lange duur worden.
Nu is die drukke tijd echter weer voorbij, de suiker ligt opgestapeld en vertrekt een van de komende dagen naar de stad. Op dezelfde wijze als bijna een ieder is opgeleefd in de tijd dat ze vervaardigd werd en eerst op het laatst, toen bijna niemand meer voort kon van vermoeienis, het werk een beetje verslapte, zo is nu een ieder aangestoken door de algemene gemelijkheid, die aanstonds op de spanning is gevolgd, en vertoont nog slechts een enkeling wat veerkracht. De velden hebben niets aanl