terug  begin  prepost
[p. 185]

Slotwoord

(Een poging tot prognose)

Politici en politiek-aangelegden zullen met het hier meegedeelde wel hoogst ontevreden zijn; het mist een omlijnde politieke tendentie en het stevige geraamte van een politieke doctrine. Ik ben mij ervan bewust, zonder spijt. Mij interesseren de mensen meer dan de systemen, de levensuitingen meer dan de filosofemen. En ze hebben doorgaans niet al te veel met elkander van doen. Maar dat doet hier niets ter zake.

Aan de hand van doctrines en systemen kan ieder de toekomst van Spanje haarfijn voorspellen. Zo moet het lopen, zo had het moeten gaan. Alleen: de gebeurtenissen spelen zich toch telkens een klein beetje anders af. De sfinx die ons het raadsel stelt, is een MENS; de homo hispanicus, het gepersonifieerde Spanje. Hij heeft uiteindelijk zijn lot zelf in handen, hij bepaalt het, heden en in de toekomst. Daarom dient men eerst te weten wàt hij zelf wil, welke zijn geheimste verlangens zijn, ook al noemt hij ze niet, ook al geeft hij daaraan namen, aan het een of andere systeem ontleend.

Welke idealen heeft de massa daar? Wat verwacht zij van het leven? Wat eist zij tot elke prijs op voor zichzelf?

Iets onmogelijks: zij wil met rust gelaten worden, terwijl het in heel de wereld rondom het Schiereiland rumoert; zij wil voldoende te eten hebben, terwijl het grootste deel van Spanje's bodem arm en schraal is; zij wil met een hoog-ontwikkeld eergevoel en zonder slaafsheid de plichten vervullen die zij als noodzakelijk en billijk heeft leren

[p. 186]

beschouwen, zonder zich die lasten op de schouders te laden welke zij voor onzinnig houdt. Zij wil zichzelf zijn, zonder de voogdij van anderen. Dat is de reinste Don-Quijoterie, zal men zeggen in deze imperialistische, àl te eng geworden wereld.

Maar dàt is het juist. De Spanjaard wil rustig een Don Quijote blijven, wat ook alle wijzen en dommen ervan zeggen mogen. Geen Don Quijote voor de poorten van de een of andere hel, maar Don Quijote op de reële, door weer en wind geteisterde steenvlakte van La Mancha. Zonder enige metafysiek, waar hij zich niet om bekommert daar hij zich zeer best in zijn moorse berusting weet te troosten met de tribulaciën welke nimmer geheel van deze aarde zullen te bannen zijn. Dat er dan ook menige Sancho tussendoor zal blijven lopen, wat hindert dat? Zij horen bij elkaar, het idealisme en het gezonde verstand, de droom van het betere en de nuchterheid die de realiteit niet doorschouwen kan. Zij zijn beiden verenigd in dezelfde mens. Noch het kapitalistische, noch het marxistische opvoedingssysteem kan hen veranderen. Zij blijven wie zij zijn; zij blijven zoals Ruben Darío van Don Quijote gedicht heeft:

 
‘contra las certezas, contra las conciencias,
 
y contra las leyes y contra las ciencias,
 
contra la mentira, contra la verdad...’
 
 
 
(‘tegen de verzekerdheid en tegen het geweten,
 
tegen alle wetten, tegen alle menselijk weten,
 
tegen leugen zowel als waarachtigheid...’)

Zijn skepsis in alle dingen is de keerzijde van zijn groot geloof; zijn onverschilligheid voor materiële vooruitgang de keerzijde van zijn prachtlievendheid en zin voor weelde; zijn soberheid en hardheid keerzijde van zijn liefde voor het leven op aarde.

Spanje wil en wil niet: dezelfde dingen. Daarom komt men er zoveel weifelen, zoveel innerlijke tegenspraak, zulk bot

[p. 187]

afwijzen tegen, naast zulk sterk begeren. Het is niet gemakkelijk dezer lieden vriend te zijn.

Valt er een lijn te bekennen, waarlangs dit volk zich voortbeweegt, een doel waarop het, hoe langzaam ook, toeschrijdt?

Het werd eeuwenlang moedwillig afgesloten van het overige Europa; een afgesnoerde ledemaat, tot verrotting gedoemd. In angst en nood begint het nu Europa te ontdekken; de wereld dringt zich op aan Spanje, nu Spanje zich niet snel genoeg tot de wereld gekeerd heeft. Don Quijote heeft niet langer met vijanden te maken die in werkelijkheid slechts windmolens en schapen waren, maar met welbewapende legers die gemakkelijk zijn schild kunnen doorboren en met één slag het scheerbekken dat hem bedekt kunnen klieven. De speer van zijn kinderlijke oprechtheid is nutteloos geworden.

Daarbij komt, dat de idealen niet veranderen. Dulcinea bleef Dulcinea, even schoon... even boers... En het blazoen even heilig, even veeleisend. Al verandert heel de wereld, de nobele hidalgo verandert niet, en hij kan ook niet sterven, de onsterfelijke...

Dit laatste... is misschien niet waar. Het is niet zeker dat de Don Quijoterie van Spanje onuitroeibaar is; het is niet zeker dat de oude hidalgo nimmer zal ontwaken uit zijn koortsachtige fantasieën om de wereld te zien zoals zij zich aan andere stervelingen voordoet: naakt en lelijk en ontvolkt van goede geesten; hard en zakelijk, vol bedrog. Misschien zal de Sancho in hem ooit in staat zijn den meester wakker te schudden, nadat de Rocinante reeds levenloos onder hem in elkaar gezegen is, van schrik voor het langsdenderen van een sneltrein.

Dat ontwaken zal dan slechts langzaam gaan, en misschien is hetgeen wij thans meemaken niets anders dan het neervallen van het paard, en het zich voor de eerste maal de ogen uitwrijven van de goede Don.

Wat zal hij dan doen, wanneer hij geheel ontwaakt is? Zelfs geen Cervantes heeft ons dat weten te zeggen. Maar

[p. 188]

iets in zijn wezen leert het ons toch in algemene trekken. Hij zal ook dàn niet transigeren, hij zal ook dan een ‘draufgänger’ blijven, een eenzame en een autonome. Een ridderlijke anarchist.

Hij heeft reeds eenmaal de vrijheid der ledige hoogvlakten geproefd, de koortsspanning der hoge avonturen gekend; die zal hij nooit meer kunnen vergeten. Zomin als het arbeidende volk dat in deze dagen bij het begin van een revolutie toch een vrijheid heeft gesmaakt en een verwerkelijking van zijn idealen nabij gezien heeft, die ook bij de ergste onderdrukking zullen blijven lokken en lokken... Het zal geen rust meer vinden voordat het erop dóór zal kunnen gaan.

Het kan immers niet zonder zin geweest zijn, dit alles. Zóveel lijden, zóveel geestdrift, zóveel heldenmoed, zóveel liefde en haat.

De voor-de-hand-liggende afloop der jongste gebeurtenissen: dat zodra de kansen op revolutie geheel geweken zijn, een paar krachtige maatregelen van Engeland en Frankrijk de fascistische landen zullen dwingen tot retireren, en in Spanje een nieuwe zeer gematigde burgerlijk-democratische republiek voor een aantal maanden een wereldoorlog zal mogen tegenhouden, - déze afloop zal tenslotte toch maar een schijnafloop wezen. Die de socialistische ontwikkeling van Spanje, - in de aangeduide specifieke anarcho-socialistische zin, - hoogstens een tiental jaren zal kunnen vertragen. En vermoedelijk niet zo lang... De drang van het volk daartoe is te groot; het is als een boom die in de breedte uitstoelt wanneer hij gewelddadig van boven beknot wordt. Men kan hem uitroeien maar niet zijn groeikracht doden.

In de wereldtuin schijnt zulk gewelddadig snoeien onvermijdelijk te zijn; waarschijnlijk daar wij elkander in deze kleine ruimte overwoekeren zouden; waarschijnlijk daar het in vrijheid en blijheid gedijen vooralsnog voor dit mensdom niet is weggelegd. Ik weet het niet... Maar daarnaast blijft het groeiproces, het goddelijke, biologisch-

[p. 189]

goede. Wij hebben er rekening mede te houden. Het vormt al onze hoop.

Het is deze hoop die wij bergen moeten uit alle chaos en ondergang.

Het is deze hoop die Spanje bezig is tussen de vele vele lijken, uit de ruïnes van het geteisterde land te redden. In èlk geval.

Hoop: àl onze toekomst!

prepostterug  begin