Zij woonden in een schoongeschuurde steeg die uitliep op een gracht, de eerste dagen als vier schuwe vogels weggedoken in de grijze eentonigheid van wachten, wachten. Maar op een morgen toen in de herfst een zonnescheut opeens een zweem van lente bracht, en Josephine bijna-vergenoegd keek om de kalme helderheid van 't binnenplaatsje en het hartelijke bruin van vloer en muur, was Raoul met zijn aanbevelingsbrieven naar het grote koopmanshuis gestapt, om raad en bijstand van de pensionaris in te roepen.
Het was de eerste maal dat hij zijn zelfgevoel hervond, sinds hij Morhang verliet. Want wel zei hem de pensionaris met veel omhaal dat hij om geen schoner reden dan rechtschapenheid en vrijheid van geloof een balling zijn kon, maar tevens zei hij hem, dat niemand in 't geordend land dat moeizaam aan de zee ontworsteld werd, het recht had, ter wille van rechtschapenheid genadebrood te vragen.
‘Ik ben geen koopman,’ had Raoul niet zonder drift gezegd, ‘en ik vrees het ooit te zullen zijn.’
Maar zalvend bracht de pensionaris hem weer tot kalmte, en toen Raoul het hoge trappenhuis verliet, wist hij zich op die gracht waar alle leven zo geëffend voort-
ging, toch een wrevelige vreemdeling, wiens opstand slechts door vrees en door bekommernis tot wrevel was verschrompeld.
Hij was te triestig om naar huis te gaan en liep de grachten langs tot aan de kaden, en langs de kaden naar de haven waar het spichtig woud van masten en van ra's zijn troosteloos denken ijler worden deed. Waar ook het zachte klotsen van het water tussen kade en scheepswand hem vergeten liet hoe ver hij reeds gezworven was. Die schepen waren wonderen voor hem; geen ballingen als hij, maar hulzen van veel levens die onbekommerd over vreemde oceanen naar de verste landen gingen, waar je niets ooit meer herkent. ‘Zo moest ons leven toch ook zijn, een schip gelijk, dat nergens bodem vindt, dat nimmer lang verankerd, schatten aan en af voert. En waar zij gaan: overal mensen te vinden, overal kans op geluk en aarde om te lossen... armen die armer nog zijn dan wij.’
Thuisgekomen was Raoul nog geheel vervuld van deze overpeinzing, en toen zij des avonds zwijgend bij het avondeten zaten, zei hij opeens: ‘Dit land is te klein voor ballingen, te rijk voor armen als wij. Maar over de zee, in de nieuwe wereld waar al de schepen van deze rijken hun buit gaan halen, daar zal het ruim zijn, daar is er lucht en land in overvloed, de ongerepte zuivere natuur waar ieder die arbeidt een koning is, eenzaam en machtig genoeg om een staat te stichten waar vrede en recht niet door koopmanschap of door vals geloof worden verstoord.’
Cécile keek verschrikt op, toen Raoul dit alles zei, met meer vuur dan waarmee hij gewoonlijk sprak; dan boog zij haar hoofd weer, als in gemijmer, en Raoul, zonder dit op te merken ging voort: ‘Herinner je je nog, Josephine, het reisverhaal dat Armand meebracht van een goudland, dat overzee moet zijn, waar ieder gelukkig en vor-
stelijk leeft, zonder rijkdom, omdat de rijkdom er waardeloos is, goud het stof van de straten...’
‘Je wilt er toch geen goud gaan halen?’ vroeg Agnes lachend.
‘Dat land is immers een sprookje,’ zei Josephine.
‘Ik weet het niet,’ antwoordde Raoul. ‘Maar zeker ben ik niet de eerste die denkt dat hij daar het geluk zou kunnen vinden, dat bestaat uit het rechtschapen burgerschap van een eerlijke staat. Je moet wel ver gaan om beide te vinden: vrijheid en broederschap.’
Enkele dagen daarna ontving Raoul een brief van zijn oom, die hij las met bleke, opeengeklemde lippen. De confiscatie van al zijn goederen was onmiddellijk gevolgd, nadat bekend werd dat hij vertrokken was. En het besluit was bekrachtigd toen de koning het Edict introk, waarbij vroeger vrijheid en verdraagzaamheid van godsdienst aan allen was toegestaan.
En toen Raoul gelezen had, bleef hij staren op de brief, zo lang en zo beweegloos dat de drie vrouwen hem angstig aanzagen, twee grote tranen welden in Céciles ogen, Josephine haar handen vouwde in haar schoot. Hij keek eerst op, toen hij Josephines hand voelde op de zijne.
‘Nu zijn wij eerst arme bannelingen,’ fluisterde hij. Maar Agnes zei nu helder: ‘Bannelingen zijn altijd eenzaam, en wij zijn immers met zijn vieren.’
‘Lees,’ zei Raoul. ‘Wij hebben niets meer, niets!’
‘Het goudland...’ lispelde Cécile afwezig.
Maar nu moesten de anderen glimlachen, en zich ineens vermannend stond Raoul op en zei: ‘Dat is tenminste de winst: eindelijk losgesneden te zijn van wat ons hier nog bindt; los genoeg wezen om daarheen te gaan waar het schoonste ons roept; drijfhout te zijn in de grote stroom die naar het einddoel voert.’
Nog steeds zei Josephine niets, en eerst toen zij een ogenblik alleen waren, boog zij zich naar zijn oor en zei: ‘Job, mijn vrome Job.’
‘Daarom heeft de engel mij bezocht,’ zei Raoul, terwijl hij haar in zijn armen sloot. En toen de zusters met het kaarslicht de kamer binnenkwamen, vonden zij hen beiden in een serene rust, glimlachend.
Langzaam rijpte nu bij Raoul de gedachte, dat het alleen daarginds in de nieuwe overzeese gewesten mogelijk zou zijn, iets van zijn dromen en zijn geloof te verwezenlijken. En onwillekeurig werd ook dit een vertrouwde gedachte voor de drie vrouwen, die verloren in de eenzelvige stad, een stille vreugde vonden in het denken aan die verre vreemde landen, waar alle leven anders was, inniger, menselijker dan hier tussen de on genaakbaar-afgesloten koopmanshuizen.
Toen Raoul nog eenmaal een dezer huizen binnentrad, was het om de pensionaris te vragen zijn verzoekschrift te ondersteunen, om zich te vestigen als planter in een verre Westindische kolonie.
Met ongewone vriendelijkheid stemde de regent toe.
‘Gij zult er reeds enkele landgenoten vinden,’ zei hij, ‘en een van hen is zelfs mijn handelsvriend. De rijkdommen liggen opgestapeld in dat land, voor wie te werken weet en de vermoeienissen van dat klimaat weet te doorstaan. Gij zoudt mij gewichtige diensten kunnen bewijzen daar, die in ons beider voordeel kunnen zijn.’
Raoul zag hem aan met lichte spot, en zei: ‘Ik bezit niets.’
‘Ons gebied daar is zo groot,’ sprak de regent, ‘dat niemand de grenzen kent. Het kost mij slechts enkele woorden om voor u landerijen in eigendom te verkrijgen, groter dan gij verbouwen kunt.’
‘Ik zou gelukkig zijn als het kon. En trachten te voltooien wat ik in Morhang vergeefs begon.’
‘Wanneer gij hier welgesteld terugkeert, zullen die idealen wel anders zijn. Dan zult gij weten dat de vruchtbaarheid van een staat slechts bevorderd wordt door te zorgen dat het lagere volk de rijkdommen van het land vermeerdert.’
‘En 't geluk van dit volk, telt het niet?’
‘Hier wel. Daarom is hier 't regeren zulk een zware taak. Maar ginds zijn het slechts wilden en zwarte heidenen.’
‘Ik weet het niet. Ik weet het nog niet,’ antwoordde Raoul met diepe ernst. Doch de regent lachte luidop: ‘Ge zult het spoedig weten, vriend. En stellig spreken wij elkander nader, over vijf of tien jaar.’
‘'t Zal voorgoed zijn, als ik ga,’ sprak nu Raoul, en met schouderophalen begon toen de regent de vele schikkingen op schrift te brengen, waardoor Raoul reeds na een maand vertrekken kon met een vertrouwde koopvaardijer die naar de kolonie ging. Daar zou hij aan de oever van een der vele brede stromen een plantage beginnen, en zijn suiker, zijn tabak en specerijen zouden in eenzelfde boot teruggaan, naar de stille huizen op de gracht, de stijfgesloten magazijnen die de rijkdom waren van het land dat hij nu zonder spijt en zonder wrok verlaten ging. ‘Zo blijft gij nog gemeenzaam met de oude wereld,’ zei nog de pensionaris, gul en welwillend bij het goed vooruitzicht. De ander echter verstond nauwelijks wat hij meende, reeds geheel vervuld van de gedachte dat hij ginds wel heel ver zijn zou van dit kleine winstbejag, op ongerepte, maagdelijke grond, de enige waarop ook onze teerste dromen tot volle werkelijkheid kunnen ontbloeien.