Je had het zelf zo gewild, Lou: ‘Bij de crematie geen muziek, geen bloemen en geen redevoeringen vóór of na de opruimingsceremonie.’ Je kent me, ik laat me het woord niet zo gauw ontnemen, en daarom zeg ik hier wat ik toen, met tegenzin, heb moeten inslikken.
Allereerst had ik je willen laten weten dat ik daar stond met een geprangd gemoed, maar dat ik mijn best zou doen dat niet te laten overlopen. En dan, dat de gevoelens die mij beheersten niet alle congruent waren. Daar was allereerst het diepe verdriet om het verlies van een vriend met wie Margrieth en ik 25, respectievelijk 35 jaar hef en leed hadden gedeeld. Wat jou betreft veel lief maar nog meer leed. We hadden elkaar in Washington leren kennen, en het was daar dat de vrouw die jou het liefste is geweest, Lily, is gestorven. Ook toen wilde je een kale crematie. Je had maar vier collega's, waaronder mij, toegelaten, en voor het uiten van medeleven en medelijden bleef ons alleen een gebaar, een handdruk.
Pas jaren daarna durfde je een nieuwe band aan te gaan. Ik heb mezelf vaak verweten dat ik niet de moed heb gehad je te waarschuwen, maar zoals je me later zei: ‘Ik zou toch niet naar je geluisterd hebben.’ Bovendien stond ik zelf op het punt een nog veel jongere vrouw te trouwen; ik
zou dan ook niet erg geloofwaardig zijn geweest. Onze bijstand toen het bij jou misging was van weinig gewicht in de lange en diepe crisis waarin je terechtkwam, een crisis die je creativiteit lang onder druk heeft gezet.
We zijn daarna zeer nabije getuigen geweest van je nieuwe poging om levensgeluk te herwinnen, en helaas ook van het opnieuw mislukken daarvan. Geloof ons, we voelden ons ten diepste onmachtig om iets te doen tegen het tragische beloop van wat eerst zo'n mooie verbintenis leek. Wat we, ik zeg dat in het besef dat je als vrienden de plicht hebt eerlijk tegenover elkaar te zijn, nooit begrepen hebben: dat jij, met al je ervaring en geaccumuleerde levenswijsheid, niet kon zien dat het van haar kant geen kwade wil was, maar onmacht. Zij was ziek en haar wanhopige worsteling om het hoofd boven water te houden zag jij als persoonlijk affront. Daarin heb je ons teleurgesteld. Daardoor ook heb je je laatste jaren zwaarder belast dan nodig was geweest.
We hadden het zo-even over vriendschap: was het eigenlijk wel fair om in het huis van een vriend zo hard-nekkig zijn vrouw het hof te maken? Ik heb altijd geamuseerd toegekeken, vanuit de veilige wetenschap dat je geen schijn van kans maakte, maar toch... Het zij je vergeven. Onze literatuur heeft er een paar prachtige gedichten aan overgehouden, waarvan alleen wij de inspiratiebron kennen.
Dat delen van lief en leed, het heeft onze vriendschap alleen maar bevestigd, en ons verdriet is er des te groter om.
Behalve verdriet is er blijvende dankbaarheid. Voor alles wat je ons geschonken hebt uit het onuitputtelijke reservoir van je kennis en je creativiteit. Een krant schreef in zijn necrologie dat jij je ideaal, dat van de Renaissance-
mens had benaderd. Nee, je hebt het niet benaderd, je was die homo universalis, een van de laatste. De lijst is lang: romancier, dichter, essayist, musicoloog, componist, pianist, wijsgeer, socioloog, antropoloog, wiskundige, minister, diplomaat, bestuurskundige, historicus, kunstkenner en verzamelaar. Ik vergeet ongetwijfeld nog wel wat. Vrijwel geen onderwerp of je kon er over praten. En dan niet als omgevallen boekenkast, maar uit in wijsheid neergeslagen kennis. Je bezoeken in Parijs en Callantsoog waren altijd een feest voor de geest. Je kon ook luisteren; elke dialoog werd gekruid door jouw levendige inbreng. Ongelijk bekennen ging je niet altijd gemakkelijk af, maar je hàd dan ook vrijwel altijd gelijk.
Margrieth en ik zullen altijd het beeld koesteren van hoe wij als oplettende discipelen aan de voeten van de meester zaten, ingespannen luisterend naar jouw zachte stem, die naarmate je ouder werd steeds minder volume had.
Het is troostend te weten dat je geestelijk erfgoed ons is gebleven. Het zal nog generaties ten voordeel kunnen zijn. Nogmaals dank!
Ons verdriet en onze dankbaarheid versterken alleen maar dat andere gevoel waarmee we hier staan: woede. Woede tegenover de literaten en de hotemetoten van het culturele establishment, die jouw werk nooit op waarde hebben weten te schatten, voorzover ze er al niet geringschattend over deden. Je was immers ‘maar een verteller’ , en vertellers zijn tweederangs auteurs. Dat hebben in onze tijd Jan de Hartog, Theun de Vries en Den Doolaard ervaren. Alsof jou en hun verhalen niet doordesemd zijn van de ‘condition humaine’ . Alsof Homerus geen verteller was, of Balzac. Ik had hem kunnen vermoorden, die hooggeleerde S., manipuleerder van aller-
lei prijzentouwtjes, die, toen ik eens jou als geschikte kandidaat noemde, vals lachend zei: ‘Ja, ja, mijn aap schrijft voort.’ Ik heb het je nooit willen vertellen, zo grievend vond ik het. Maar je kunt je nu toch niet een graf omdraaien. Je onderging het gebrek aan waardering stoïcijns, maar ik weet dat het je gestoken heeft. Zo gaat het nu eenmaal in een land zonder cultureel zelfbewustzijn; hoe kun je dan cultuur buiten je eigen omheininkje op haar juiste waarde schatten? Goed, de Universiteit van Amsterdam heeft je wetenschappelijk werk geëerd met een doctoraat honoris causa. En het Letterkundig Museum heeft toen je 90 werd een kleine tentoonstelling ingericht. Maar in veel andere landen zou je met prijzen overladen zijn, en zou je een officiële uitvaart gekregen hebben. Jouw grote verdienste was ook dat je in je werk de Nederlandse en de Surinaamse culturen met elkaar verbonden hebt. Ik ben er trots op dat ik je in mijn bespreking van de Kroniek van Eldorado ‘de Surinaamse Multatuli’ heb mogen noemen. Dat was je allang, maar dat boek heeft die eretitel onvervreemdbaar gemaakt.
Lou, we weten jou nu verenigd met Tamushi, de Grote Geest. Ons hèb je verrijkt èn verarmd achtergelaten.