[p. 25]
origineel
De Lof der Jeneever.
Tweede deel
.
H
Ou op! staak uw rechtvaardig klagen;
Wel aan, ik volg uw welbehagen;
Ik neem de Pen weêr in de hand,
ô Burgery van
Amstelland
!
Gy, die van 't Oosten, en van 't Westen,
My lastig valt door veel Protesten;
'k Zal t'uwen dienst, ô
Amstellaar
!
Ontzien nog moeyte, nog gevaar.
Orpheus
, die door zyne Snaaren
Het
Lam
kon met den
Tyger
paaren;
Die Rotsen door zyn zoet gespél
Beweegde; die, wat in de Héll',
Van woede of gramschap was bezeeten,
De woede en gramschap deê vergeeten;
Die, daar zyn Lier haar klanken sloeg,
De twist en tweedracht straks verjoeg:
Kon,
Spyt
zyn Goddelyke Toonen,
Erberming vinden, nog verschoonen,
By Wyn Bachchanten, die verwoed
Het Aardryk verwden met zyn Bloed;
En, 't geen
Apol
met druk betreurde,
Zyn Leeden van malkand're scheurde.
Dit zelve lot staa ik ten doel,
[p. 26]
origineel
Zoo ik my indring in 't gewoel:
Indien ik gaa in Dicht beschryven,
Wat dat
Jeneever
werkt in Wyven;
My dunkt, ik zie reeds den
Jordaan
Met al zyn Spruyten opgestaan,
Om my, indien 't hun kan gelukken,
In stukken van malkaar te rukken:
'k Zie reeds het blaauwe schortekleed,
De raachbol, 't halve vat gereed;
Ik hoor alreê de hoofden roepen,
Verzaamelt u, Heldinne troepen,
Schept moed, een ieder komt te Veld,
Dewyl het eer en agting geld:
Laat ons het
Gulde Vlies
gaan sloopen;
De Vent de huyt van 't lyf afstroopen,
En als die is gevuld met stroo,
Uytroepen, dit was
Hennebo
;
Die door zyn Lasterdichten maaken,
Der Vrouwen achtbaarheyd dorst raaken;
Zie daar de Lauw'ren my bereyd;
Dit loon verwagt ik na den streyd:
Doch als ons moed, en kracht ontbreeken,
Moet men om hooger bystand smeeken.
ô Moeder
Ceres
! die voorheên
My hebt gesterkt op myn gebeên:
'k Bid,
Schut Godes
van myn belangen,
Verbiê de Aard myn Bloed te ontfangen;
En gy, ô
Boom-God
! hulp, en heul,
Verstrek hun boosheyd tot een Beul,
Ik weet hun wreedheid doet u walgen,
Maak alle Boomen hen tot Galgen;
Kom
Mout-Wyn
, en
Jeneever-By
,
Hoofdoorzaak van myn Poëzy;
Die u door my zo hoogh zag steyg'ren,
Wil aan dit Volk uw Geesten weyg'ren.
ô
Amstel-God
! die
Gysbregts Stad
[p. 27]
origineel
Besproeyd, bevogtigt door uw Nat,
Wanneer gy 't Krygs geschreeuw hoord schat'ren,
Gebie aan al de binne Wat'ren,
Dat elk zyn Bruggen, Steen of Hout,
(Hoe sterk ten Wat'ren uytgeboud,)
Omverwerp; om dit Volk, aan 't muyten,
In hunnen overgang te stuyten;
Op dat ik op het eerst gerucht,
Myn Lyf mag bergen door de vlucht.
Rivier-God
, langs wiens groene Zoomen
Der
Opdracht-Steeden
Scheepen koomen,
Die elk ontfangt uyt zynen Vliet,
En brengt in
Gysbregts
oud gebied:
Gun dat ik deese Poeëzyen,
Dit tweede Deel u toe mag weyen;
Wil dan voor de
Jordaansche
Schaar,
Voor laster, onheyl, en gevaar,
My, en myn Poeëzy behoeden,
Beheerscher onzer binne vloeden.
Bescheyden Leezer; zo uw lust
Niet is door 't eerste Deel geblust;
Zo laat uw aandacht niet verveelen,
Te zien, wat ik u meê kom deelen.
Jeneever
, in den Morgenstond,
Verfrist, en maakt den Mensch gezond,
Verjaagd de slaap, en maakt de zinnen
Bekwaam, om alles te beginnen.
Wanneer de Zuyer Zon om hoog,
Maakt Magen swak, en Leevers droog,
Dan ziet men hoe door de
Jeneever
De Maag hersteld word, en de Leever.
Gelyk als
Foebus
zyn
Auroor
Volgd ieder morgen op het spoor;
Zo volgd, als men heeft Thé gedronken,
Dat den
Jeneever
word geschonken;
Wat de
Jeneever
in de Nagt
[p. 28]
origineel
Voor deugd doet, weet de Ratelwagt;
Hy licht ons in de duyst're weegen,
En sterkt het Hert in Wind, en Reegen.
Wanneer de
Lente
de Aarde ontsluyt,
Waar door het eerste Loof ontspruyt,
't Geen 't Menschdom als op nieuw doet leeven,
En oog, en mond kan voedzel geeven;
In zulk een aangenaam Zaisoen,
Ziet men des morgens in het groen
De Jonkheyd zingende uyt den treuren
Jeneever
drinken, (om te scheuren)
En, Leezer, twyffeld gy 'er aan?
Zoo vraag het aan de Malibaan,
Of Amstels-Vreugd, het Diemer-Meertje;
Daar leefd een Kalis als een Heertje,
Wanneer hy met zyn Lief op zy
(En zyn
Jeneever
Fles daar by)
Verheugd door zang van Nagtegaalen,
Zyn vreugde naauw'lyks kan bepaalen.
De
Zoomer
, die door heeter gloed
Het Graan zyn rypheyd krygen doet,
En 't Vee een zucht wekt om te teelen,
Die, als de Zonnestraalen speelen,
Brengt in het Water voor den Dag,
De Vis, die diep geschoolen lag,
Die lokt de Visser om zyn Netten,
Zyn Hengel Roeden klaar te zetten;
Dan ziet men voor den Dageraat,
De Visser beezig op de straat,
Om met het krieken van den morgen,
Zyn tuyg, en drank-fles te bezorgen:
Getuyg, ô waarde
Opdragt-Stroom
!
Kwam immer Vis Schuyt door de Boom,
Waar in
Jeneever
was vergeeten?
Of hy wierd over staag gesmeeten.
De
Herfst
, die 't hoofd met Wyngaard Rank,
[p. 29]
origineel
Den Bollen Bagchus vlecht ten dank,
Die voorraad schaft in magre tyden,
De Mensch tot Nooddruft, en verblyden:
Die 't Vee, door Zoomer Voer gemest,
Discht op zyn eêlst, en allerbest,
Die lokt de Vogelaar na buyten,
Met Netten, Gaaren, Quartel, Fluyten,
Die 's morgens, eer
Aurora
daagd,
Het Vee, met Net, of Roer belaagd;
Maar 't zy hy Quartels mist, of Vinken;
Nooyt mist hy het
Jeneever
drinken;
Wanneer een Mist, of Hooning daauw,
De Jaager mislyk maakt, of flaauw,
Jeneever
straalen, Zonneschynen,
De mist en flaauwte doen verdwynen.
De
Winter
, beevende, Oud, en Grys,
Bedekt den
Waater-Stroom
met Ys,
Het Land met Sneeuw, en witte vlokken,
Als Beste Vaâr de bonte Rokken
Tot toevlugt neemt, en Amstels plas,
Thans door de koude een Spiegel-Glas,
Van Schaatzenryers schynt te krielen;
Als 't Paard de Waagen zonder Wielen
Doed vliegen, met zoo snelle vlugt,
Al was 't een Voogel in de Lugt:
In al deeze Ys vermaaklykheeden
Word de
Jeneever
aangebeeden;
Dan ziet men Tenten neederslaan,
Geçierd met den Oranjevaân;
En 't schynt (van verre) net te weezen,
Prins Willems Heyr, op nieuw verreezen;
Dan hoord men schreeuwen en gedruys,
En elk roept voor zyn Linnen huys,
Waar heenen Mannen? sta, waar loopje?
Kom, leg eens aan, en drink een Soopje,
Bind af, en treê in deeze Tent;
[p. 30]
origineel
Thans roept 'er weêr een and're Vent,
Za wakker Vrinden, rust een poosje,
Hier is
Jeneever
uyt het Loosje;
Kom zetje wat op deeze bank,
Hier hebje een halfje om een blank;
Jeneever
doed het zweeten stillen,
En warmt hen die van koude trillen.
Bescheyden Leezer, oordeeld gy,
Welk is 's
Jeneevers
Jaargety?
Des Morgens, Middag, Agtermiddag,
Des Nagts, op Zondag, Werkdag, Biddag,
By Droog We'er, Reegen, Wind, en Stilt,
Jeneever
is altoos gewilt.
'k Zal u, ô Leezer! eens doen blyken,
Hoe verre dat de Wyn moet wyken
Voor d'eed'le Geest van
Bess
' en
Mout
.
Het Jaar, dat twaalef Maanden hout,
Heeft slechts
October
uytverkooren
(Om dat de Wyn dan word gebooren)
Voor Wynmaand, zo dat Bachchus maar
Een twaalfde deel regeerd van 't Jaar;
Daar de
Jeneever
('k hou het staande)
Regeerd al d'overige Maanden.
Wie lust heeft volg my op myn spoor;
Wel aan, ik treê hem moedig voor,
En stap zo rechtdraads op de Weegen,
Recht over de
Jordaan
geleegen.
Aurora
, die de Nacht doed vliên,
En door uw Scheemerlicht doed zien
Wat omgaat binnen
Amstels
Paalen,
Voor 't ryzen van de Zoone-Straalen,
Getuyg met my, ô Dageraat!
Of ooyt eêr Winkel open staat,
Als daar
Jeneeverdrank
te koop is?
Daar is het, daar de meeste loop is.
Het schrander Vrouwelyk geslacht,
[p. 31]
origineel
Bewust van der
Jeneever
kracht,
Die sluypen met bevreesde zinnen
By honderden de Winkel binnen,
En haalen ieder hun gerief;
En daadlyk als een Hoender dief
Weêrom de deur uyt druypend heenen,
Zyn ze in een oogenblik verdweenen;
Onnooss'le Slooven, zacht van aard,
Die vaak een stuyvertje bespaard,
Om 's Morgens door
Jeneever
teugen,
Uw droeve zielen te verheugen:
Wie heeft door onrechtvaardigheid
U zulk een zoeten troost ontzeid?
Al wat Natuur u deê ontbreeken,
Als Vechten, Kyven, kwaalyk Spreeken,
En wat u meer tot Blydschap strekt,
Werd door
Jeneever
opgewekt:
In al uw' Raads Vergaderingen
(Beleyd om 't Manvolk te bedwingen)
Geeft u
Jeneever
kracht en klem,
Jeneever
is daar de eerste Stem;
Jeneever
zeegeld uw verbonden,
En doed ze u houden ongeschonden,
Rampzalig die uw vuysten voeld,
Als gy uw keel hebt deurgespoeld.
De Scheepen van de beyde Werven
Bewaard
Jeneever
voor 't bederven,
Want Sjouwer Maat ken Hout, nog Touw,
En beefd des Somers van de Kouw;
Is 's Winters machteloos van Zweeten,
Zo hy
Jeneever
heeft vergeeten,
Hy weet van Bindzels, Splits, nog Knoop,
Als na het drinken van de
Zoop
.
De Heybaas kan geen Paalen Heyen,
Als door behulp van
Mout
en
Beyen
,
Zyn Volk is langzaam, traag, en luy,
[p. 32]
origineel
Zy geeven van het Werk den Bruy;
En roepen, wil je dat we werken?
Jeneever
moet ons Hert versterken.
De Hoedemaaker, zwart van hand,
En schrikk'lyk droog van Ingewand,
Verstikte door de Rook der Kuypen,
Zo hy niet mogt
Jeneever
zuypen.
De Ondekkers van het diep Geheym,
Die vielen daadelyk in zwym,
Indien de
Drank
van alle
Dranken
Hen niet bewaarde voor de stanken.
Al wat de Turfmand laaft, en voed,
Die werken met geen bly gemoed;
Zy kunnen Vullen, Heffen, Dragen,
Ten zy hun zwart vermolmde Magen
Besproeyd zyn van het eêlste Nat,
Getapt uyt 't beste Ceulse Vat.
In 't kort, geen Ambacht, nog Hanteering,
Geen Kunst, geen Koopmanschap, geen Neering,
Ter Zee, of Land, in 't Groot of Kleen,
Jeneever
die is algemeen.
Wacht van dit tweede Deel, ô Leezer! geen Besluyt,
Gy weet myn Woonplaats, en myn Lof-Zang die is uyt.