terug  begin  verderprepost
[p. 175]origineel

X. Hooft-deel.
Veelderlei zoorte van Diertjes, zo Ongedierte als andere.

Men vind hier Water-Slangen, of anders La-+gartos, die twintig voeten lang zijn, de dikte na advenant; 't is ook waar dat by deze beesten zo veel gevaar niet te verwagten is als men wel meend, dan als zy geen honger hebben geenzins zo bits niet zijn als men 'er van kalt. Komende bywijlen ook op 't Land, wat zy tot haar voedzel betrappen, 't geschied met een zeer grote vaardigheid, men heeft geen exempel dat de Menschen daar van aangevogten worden, konnen door de grote ook ligtelijk gezien worden, houdende haar verblijf meest in de oever. Vullende zijne gretige balg met Visschen en borre kikkende Vorschen. Wanneer de Poel uit droogt, plijtende de grond van hitte, dan springt deze Slang op 't droge Veld, en hare rode blikken op slaande, glipt verwoed van dorst en razende van hitte vervarelijk over de Akkers henen; dan zoude het my niet lusten onder de blauwen Hemel te slapen, nogte in de schoot van't gras te leggen, wanneer ze d'oude huit afgesloopt hebben wederglimt en jeugdig word, of hare Jongen en Eijers in het nest latende, met hare drie puntige tong tegens de Zon aanleid en flikkerd.

Hier te Lande wierd eens een geweldige grote+ Slang gevonden, die wel vijf-en-twintig voeten lang was en middel matig Mans dikte; de koleur meest swart met geel gesprenkeld. Deze Slang wierd dan

[p. 176]origineel

van een Christen geschoten, daar zig d'Indianen over verwonderden, om dat zy bekenden nooit een zo grote gezien te hebben. Deze hadde grote schade voortijds gedaan in't swemmen dier Menschen, haar onder 't water getrokken en gegeten; wordende deze wrekige Slang, in weer-wraak van d'Indianen, wederom gegeten.

+Daar is een andere en kleinder slag in menigte, daar men zig wel voor hoeden mag dat zy u niet verrassen, wijl daar eenige zo sterk venijnig onder zijn dat haar niets te boven gaat; als men daar droevige ervarentheid van gehad heeft, dat niet alleen Menschen die van haar zijn beschadigt geweest korten tijd daar na gestorven, maar dat het vlees van de beenen, der gener die zy gebeten hadden, afgevallen is met stukken binnen vier-en-twintig uuren.

Vele nogtans die estimeren deze slingerende Dieren om de glinsterende aangenaamheid, nemen haar de angel of om't kwaad voor te komen, latende haar dan zelfs over al hene kruipen; in 't bezonder de weepsche Jufferen, dertelende in Min-zieke lusten tusschen de Venus heuvelen van Cupidos verstandeloze dwalingen, tot aan de meer-poel van dier onzinnigheid, als of de aanschouwer een behoeder van 't onwetende kwaad voorwerp, en navolger tot herstelling dier gevoelige en aanleidende prikkelingen zijn moeste, zig egter wapenende met een zinneloos gedult tegen zijne driften. Hier volgen veel veranderinge der Slangen in zoorten; als

De Pijl-Slang.
De Bloem-Slang.
De groene Oog-Slang.
De kleine Mieren-Slang.
De Slaap-Slang.
De groene Oog-Slang met twe witte strepen.
[p. 177]origineel
De Klip-Slang.
De Stink-Slang.
De Ratel-Slang.
De slegte Oog-Slang.
De Buffel-Slang.
De Slang met witte en swarte vlakken.
De donker bruine Stink-Slang.
De Indiaansche Slang zonder vergift.
De Honds-Slang.
De Slang met gele en yzer verwige vlekken.
De Rivier-Slang met verscheide Arabische Characteren.
De grijze Stink-Slang, men kan egter de Slange met stank van Galben verdrijven.

Men heeft gezien kleine Slangen nieuwlijks uit den dop der Eijeren gekomen, waar in zy geteeld waren, zijnde pas een duim lang, dewelke na dat men die hadde bewaart in een Kasse overdekt met papier op dat zy door geen opening uit en kosten, dog vol van kleine spelde gaatjes op dat de lugt daar vry in kost; zo zijn zy zo zeer gegroeid in agt of tien Maanden dat het ongelooflijk is. Wijl dag en nagt even lang zijnde, de lugt allervolst is van balsemtique ondelen, dewelke haar ook het meeste voedzel toebrengt; als zijnde in de lugt een verborgene voedzel voor 't leven. Hebbende deze kleine Slangetjes niet anders als alleenlijk de lugt die haar voeden, en niettemin, met deze fijne spijze wierden zy in minder dan een Jaar langer als een voet en dik na advenant. Van daar is 't dat de Natuurkundige zeggen, Cest in aere occultus vitae cibus.

De Vijper-Slangen werden alleenig uit de lugt ge-+voed; gelijk men zulks ook in andere Serpentjes ondervonden heeft. En de Manucodiates met de Hay alleen hare voedzel uit de lugt zouden trekken; en

[p. 178]origineel

te gelijk heeft men een groot Serpent aangemerkt, dat hy ten eenemaal blind was, na dat hy, zo men vermoede in 't Hutje daar hy in was, zijn oude huit niet konde afleggen. Men derf nogtans in d'Astomi, of Volkeren zonder mond, van Plinius niet geloven, dat die by de ademinge des lugts en de reuk zouden leven: Ook dat de Chamaeleoen by de wind leeft; en de Menschen van Olyinpiodorus alleen by de Zon en lugt zouden leven, gelijk ons zommige gaarn willen wijs maken. 't Is eene andere reden der Menschen, en een andere reden de bloedeloze Dieren, in natuur en eigen geschapentheid.

+Vledermuizen, schadelijke Creaturen voor Menschen en Beesten, want zy trekken beide gaar het bloed af, en dat zo behendig dat men het niet en voelt als door de smerte. Zy zijn van grote als Duiven, dog een groot nadeel voor de Varkens, om dat de zelve haar de tepels afbijten.

+Kreuten of Padden, het verschrikzel van 't Vrouwlijk geslagt, makende 's avonds, na dat'er een regen gevallen is, zulk een barbarische toon, dat haar Artem Musicam, hoe ongelijk die ook is, gelijkt wel gekerm en gesteen van zieke Menschen.

+De grootste Kakkerlakken hebben de lengte van een duim, zy zijn bruin en plat van lijf, derhalven bekwaam om door te eten in Kisten en Kasten te komen, en doen veel schade aan Linnen en Wollen; als mede aan Parkement en omslagen van Boeken. De Schepen die na't Vaderland gaan hebben 'er ook grote over last van, want zy komen zomtijds by menigte uit de Bosschen, en verhouden haar in alle hoeken en gaten. Zy komen eerst met den avond te voorschijn, hebbende vleugelen gelijk een zoort van Torren.

+Muskita, een zoort van Muggen, daar van men

[p. 179]origineel

onaangenaam word, aangetast, als of zy in hare dunne magere huit eenige oncen bloed wilde verbergen; hebbende lange diefze prikkels, met deze kwanten heeft men de meeste aanvegting, als wanneer men eerst in't Land komt.

Makers, Moepieren en Vliegen, die, als zy 's avonds+ swerven in de Bosschen, een ligt van zig geven als of men Keersjes van verren ziet.

Petattes-luizen, deze onthouden haar in't gras, en+ lopen de Perzonen die 'er door gaan by de beenen op, gaan of kruipen tusschen vel en vlees, 't geen een grote jeukte door de leden veroorzaakt; men kan ze schier door de kleinte niet zien.

Hout-luizen, deze zijn by grote menigte in de+ grond onder de floeren van de Huizen, en leven van 't hout t' eten. 't Is het schadelijkste Gedierte van't gansche Land, want als 't gebeurt dat 'et veel Regend, en het water de grond over al door nat gemaakt heeft, dan komen ze uit de grond opzetten, lopen by de stijlen en wanden van de Huizen op, en eten over al het hout waar haar loop is hol; zomtijds gebeurt het ook wel datze in een Kist of Kast komen, en eten al het goed dat'er in mogte wezen binnen eenige uuren te schande, ja zo dat 'er niet een heel stuk weer uitkomt; want ze lopen niet by 10. of 20. maar by honderden, en gaan al gedurig heen en weder gelijk de Mieren; haar grote komt met de Zurinaamsche Mieren over-een, maar zy zijn wat dikker van gat. 't Is gebeurt dat zeker Gouverneur op een nagt, van deze Hout-luizen, voor vier duizend Guldens aan goederen op-gegeten wierd; door dien hy eerst in Zuriname was gekomen, en het middel dat 'er voor gedaan word had hy zo ten eersten niet by der hand. De Kisten en Kasten moeten op hoge voeten staan, en die weer in Lodene of Kopere Bek-

[p. 180]origineel

kens met water gevuld, indien ze dan by voornoemde Bekkens op lopen zo verdrinken ze; die is wel 't bekwaamste middel dat 'er voor gedaan kan werden. Zommige nemen ook wel Teer of Terpentijn, en besmeren daar mede de voeten alwaar het goed opstaat, zo lang het nat blijft is het goed, maar door de grote warmte droogt het zeer gauw en daar moet gedurig op-gepast werden.

+De Mieren zijn hier ook in grote menigte, en vallen veel groter als in Europa; ze lopen by de Bomen op, wanneer ze spijs gebrek hebben, en eten al de bladeren van de zelve af, 't geen konstig van haar gedaan werd, want boven op haar hoofd is een scherpte even als een Scheer, waar mede zy stukken uit de bladeren knippen als een halve lid van een vinder groot, en dat dragen ze op 't hoofd na hare nesten; als d' eene Boom kaal is dan gaan ze weer na een ander. Door de grote menigte die ze uitmaken, en het gedurig heen en weder lopen, werd het gras zo vertreden en vernield, als of 'er het zelve nooit geweest was.

+Malebonsse, een zoort van grote Bijen die geen Honig geven, deze hebben haar verblijf in de Huizen, en gewapend met venijnige angels.

+Bijen die Honig winnen, daar men een verblijfplaats voor moet zoeken dat die voor de wind beschut zijn, om haar aas dies te beter t' Huis te brengen. Men moet ontrent de volle Korven geen gespikkelde of glibberige Hagedissen leggen, want deze vangen de Bijen met de bek om hare Jongen daar lekkerlijk mede te aazen. Dezen Bijen-Honig is heel helder en klaar, trekkende na het groen, gesloten zijnde in beurskens (even als der oude Kooplieden stok-beurssen die een hand-vatzel hadden, en daar veel beurskens aan vast zijn,) daar deze Honig met een

[p. 181]origineel

vlies of vel om zat, zijnde een zuivere vogtigheid. Wanneer men nu deze beurskens op brak, kwam de Honig alleen uit het zelve lopen en niet uit de andere, als elk gesepareert zijnde. Doende het eene naar het andere open, en stortende de Honig daar uit in een Kalebasje, zijnde het zelve een zeer uitnemende aangenaam zoet.

Dies te neffens vind men ook zo wit als Sneeuw, klaar en mede van een goede smaak, maar grof gekorrent tegens de vorige, zijnde als een zeer kostelijke Balssem. Deze Bijen zijn stroo geel van verwe, klein en lang; vallende niemant in eeniger mate lastig, zelfs niet op de plaats om deze Honig te bekomen, d'Indianen, gebruiken deze zoort tot genezinge (in compositie) van wonden.

Mantes of Sprinkhanen, hebben een lange hals ge-+lijk de Kamelen, een glad lighaam nauwelijks een vinger lang aan beide einden spits toe lopende, midden op de rug gaat in de lengte eene merkelijke streep, met ter zijden afgaande kleine streepjes, gelijk d' aderen in de Boom-bladeren; 't hoofd maakt een drie hoek, op 't zelve steken twe hoorntjes uit; d' oogen staan uitgepuild, zijnde donker swart; de beenen zijn zes in getal, twe staan 'er boven by aan de hals zo lang als een vinger met drie gevrigten, en aan d' einden bezet met kleine subtijle tandekens of spitzen; de twe paar andere zijn bleek groen, gelijk een paar armen van haar t' zamen gelegt, en opwaarts gehouden werden, gelijk twe Menschelijk t' zaam gevoegde en na den Hemel verhevene handen.

Spinnekoppen, groot en kleine in getal, daar zijn+ 'er welke in't geheel meerder plaats besloegen als de palm van een hand, 't lighaam alleen heeft de grote van een Rijksdaalder. Men vind egter niet dat zy Menschen schade doen. Eenige Negers in paslant een

[p. 182]origineel

ziende eten die voor hare lust, welk bancquet men niet hoort dat haar iemant ontsnoept.

+Schorpionen, deze zijn swart, gelijkende wel een Kreeft, schuilende meest in droog Hout of Koorn. Haar vergiftige prikkel is de steert, werdende het Genees-middel genomen van het Schepzel zelven. Nog vind men deze na-volgende zoorten:

De Indiaansche Mol.
De Hamerling.
De Indiaansche Kat met een Beere mond.
De Indiaansche Hemp-haan.
De Muis.
De Zee-Rot.
De Vijper, Tricoleur genaamt.
De Indiaansche Sallamander, Gecco genaamt.
De Indiaansche Zijde-worm.
Veel grote Ruspen in zoorten.
De Indiaansche Egel.
De rode Eekhoorn.
De grote Indiaansche Miere-eter of Duivel.
Vele goude en andere zoorten van Torren.
De witte Indiaansche Egel.
De Zurie-Kat.
De Zee-Kat met een schild.
+Water-Slangen van twintig voeten lang.
+Andere van vijfen-twintig voeten.
+Een kleinder slag dog zeer venijnig.
+Vijper-Slangen.
+Vledermuizen.
+Kreuten of Padden.
+Kakkerlakken.
+Muskita.
+Makers, Moepieren en Vliegen.
+Petattes-luizen.
+Grote schade die de Hout-luizen doen.
+De Mieren.
+Malebonsse.
+Bijen.
+Mantes of Sprinkhanen.
+Spinnekoppen.
+Schorpionen.
prepostterug  begin  verder