Beschryvinge van de volk-plantinge Zuriname


auteur: J.D. Herlein


bron: J.D. Herlein, Beschryvinge van de volk-plantinge Zuriname. Meindert Injema, Leeuwarden 1718 (2de druk)


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 249]origineel

Karaïbaansch woorden-boek.

Waarschouwing.

1. WY teikenen de lange Letter-grepen, en op dewelke men wat rusten moet, met scherpe punten uit. En wy stellen van die punten op verscheide letteren om te doen kennen dat de gene die voor gaat aan de voorgaande Letter-greep toe-behoort, en geenzins mag gevoegt worden by d'uitspraak van de volgende, gelijk wanneer in het Francoysch wy twe punten stellen op Loüange, op Loüer, en in het Neder-duitsch op Geëert, op Geëdelt en diergelijke woorden.

2. Wanneer het woord dat wy stellen een van de Tale der Mannen is, zo teikenen wy het uit door eene M. en wanneer het is dat van de Vrouwen zo onderscheiden wy het met eene V.

3. Eindelijk gelijk de woorden van deze Tale moeijelijk zijn om zuiver gedrukt te worden, van de gene die de kennisse daar van niet door haar zelven hebben, zo worden de Lezeren gebeden aan den Drukker toe te ëigenen de gebreken die misschien al-hier in eenige plaatzen zullen gevonden worden, gelijk het byna anders onmogelijk is.

 

N.B. Dit volgende is het geen de Heer Charles de Rochefort heeft aangetekent, waar by de hedendaagze Spraak der Karaïbanen ten naasten by is over-een-komende.

[p. 250]origineel

I. De delen van het Menschelyk Lighaam.

Mijn lighaam, Nókobou.
Het vette, Tokellé.
Mijn huit, Nora. Dit beteikent in het al-gemeen alles wat tot overdekking diend.
Mijne beenderen, Nabo. Dit beteikent ook een tendo of eene Peese.
De Karaïbanen onderscheiden d'aderen met de zenuwen niet; en zy drukken haar uit door het woord van Nillagra, het welke beteikent mijne zenuwen of mijne aderen: gelijk Lillagra zijne zenuwen of zijne aderen. Zy noemen nog aldus de wortelen van de bomen.
Mijn bloed. M. Nitta. V. Nimoinalou.
Mijn hair, mijne hairen, Nitibouri.
Mijn hooft, Nicheucke.
Mijne oogen, Nákou.
Mijn oog-appel, Nakou-euke. Dat is eigentlijk te zeggen, De kerne van mijn oog.
Mijn oogschedel Nakou-ora. Dat is te zeggen, het velvan mijn oog.
Mijne winkbraauwen, Nákoujou, eigentlijk het hair van het oog.
Mijn voorhooft, Nérébé.
Mijn aangezigt, Nichtbou.
Mijne neuze, Nichiri.
Mijne mond, Nióuma.
Mijne lippe, Nioumárou.
Mijn tant, Nári.
Mijn baaktant, Nackeuke.
Mijn tantvlees, Nâri-aregrik, eigentlijk, het gene tegen mijne tanden aanstaat.
Mijn oor, narikaë.
Mijne hooftslapen, nouboyoubou.
Mijne kaken, natigné.
Mijne tonge, ninigné.
Mijne kinne, nâriona.
Mijne mammen, nouri.
Mijn borst, nârokou.
Mijn schouder, nèché.
Mijn arm, narreuna, het beteikent ook een Vlerk.
Mijn elleboog, neugeumeuke.
Mijne handen, nóucabo.
Mijne vingeren, nôucabo-raün, gelijk of gy zeidet, de jonge of de kinderen van mijne hand.
Mijn duim, nóucabo-iteignum, eigentlijk dat tegen de vingeren gestelt is.
De pols, Lóucabo ánichi, dat is eigentlijk te zeggen de ziele van de hand.
Mijn nagel, nóubara.
Mijne mage, nánichirokou.
Mijn herte, M. niouánni V. nânichi. Dit woord beteikent ook, mijne ziele.
[p. 251]origineel
Mijne longe, Noara.
Mijne lever, Naubana.
Mijne ingewanden, Noulakaë, dit beteikent ook den buik.
Mijne nieren, nanagane.
Mijne zijde, nauba.
De milte, couëmata.
De blaze, Ichikoulou-akaë.
Mijne navel, nárioma.
De natuurlijke delen van den Man, M. Yaloukouli. V. Nehuera.
De natuurlijke delen van de Vrouwe, Touloukou.
Mijn agterste, nârioma-rokou.
Mijne billen, niatta.
Mijne dyên, nebouïk.
Mijne knyë, nagagirik.
Mijne knyë-schijve, nichaouáchaouà.
Mijn been, nourna.
Mijn scheenbeen, nourna aboulougou.
Mijn gewrigt, napataragoune, dat is te zeggen, een by-gevoegt ding. Het gene zy ook toe-eigenen aan een stuk of lap dat men op een kleed zet.
Mijne enkelklaauwe, noumourgouti.
Mijn voet, nougouti.
Mijn hiel, nougouti-raïm. Dat is eigentlijk te zeggen, de jongen van de voet.
De plante van mijnen voet, nougouti-rokou, eigentlijk, het binnenste van de voet.
Gelijk zy byna de namen der dingen, boven al die van de gedeelten des lighaams nimmer enkel en op haar zelven noemen; maar dat zy die verbinden aan eenen van de drie perzonen, zo hebben wy haar hier op den eersten perzoon gestelt. Die haar op d'andere wil voegen, zal maar d'eerste letter van yder woord te veranderen hebben.

II. Bloed-vriendschap en aan-huwlyking.

Mijn bloed-vriend, M. Nioumoulikou. V. Nitoucke.
Mijn huwlijk; Yeuëlleteli.
Mijn man, niraiti.
Mijn Vader tot hem sprekende, M. en V. Bába.
Van hem sprekende M. Youmâan; V. Noukóuchili.
Mijn Groot-vader, M. Itâmoulou, V. nárgouti.
Mijn vaderlijke Oom. Men noemt hem Vader, Bába. En om den waren en eigentlijken Vader te beteikenen, als men hem voor-wetens wil onderscheiden, zo maakt men zomtijds
[p. 252]origineel
deze by-voeging Bába tinnaka.
De moederlijke Oom, M. Yáo, V. Akátobou.
Mijn Zoon, M. Imákou, Imoulou, Yamoinri, V. Niraheu.
Mijn Jongen-zoon, Hibáli, als 'er niet meer als een is: maar als 'er vele zijn, nibágnem.
Mijn eer-gebore broeder, M. Hanhin, V. Niboukayem.
Mijn jongstgebore, M. Ouánouë, en Ibiri; dat is eigentlijk te zeggen, mijn helft, V. Namouleëm.
Mijn schoon-broeder, en mijn moederlijke Neef, M. Ibamouï, V. Nikeliri.
De Neef niet aan de Nigre getrouwt, Yapataganum.
Mijn kinds-kind, of Zusters of Broeders kind, Yanantigané.
Mijn Swager, Hibáli moukou, dat is te zeggen, die kleine kinderen maakt.
Mijne vrouwe, M. Yenénery, de vrouwen zeggen, Liáni, zijne vrouwe.
Mijne moeder, tot haar sprekende, M. en V. Bîbi, dat is ook een uitroeping of verheffing van een zaak.
Van haar sprekende, M. Ichanum, V. Noukoûchoûrou.
Mijne Schoon-moeder van het twede bedde, noukóuchourouteni.
Mijne Schoon-moeder, waar van van ik de dogter hebbe getrouwt, Imenouti.
Mijne Groot-moeder, M. Innouti, V. Nagette.
De moederlijke Moeije, hiet moeder, Bîbi.
De Vaderlijke, naheupouli.
Mijne dogter, M. Niananti, V. Niraheu.
Mijne Zuster, Nitou.
d'Eerste geboorne, Bîbi-Ouânouân.
De Jongstgeboorne, Tamoulélouâ.
Swagerinne, schoon-dogter, en Nigte, Nibaché.
Mijne Nigte, M. Youëlléri, dat is te zeggen, mijne vrouwelijke of mijne beloofde; om dat zy aan hare Neven natuurlijk tot vrouwen behoren. De vrouwen zeggen Youëllou.
De kinderen van twe broeders, noemen haar Zusters en Broeders: de kinderen van twe Zusteren even zo.
[p. 253]origineel

III. Staten en hoedanigheden.

Een man, of een mannelijke, M. Ouëkelli: in het meervoud, Ouëkliem, V. Eyéri: in het meervoud, Eyérium.
Eene Vrouwe, of eene vrouwelijke, M. Ouëlle: in het meervoud: Ouliem, V. Inärou: in het meervoud, Innöyum.
Een kind, niankeïli.
Een jongen, Mouléke.
Eene dogter, niankeïrou.
Een kleine jongen, Ouëkelliraeu, eigentlijk, een kleine mannelijke.
Eene kleine dogter, Ouëlli-raeu, eigentlijk, eene kleine vrouwelijke.
Een Oudman, Ouâiali.
Een Vader des Huisgezins, Tiouboutouli authe.
Een Wuduwenaar en eene Weduwe, Moincha.
Een medegezel, banarê.
Een vriend, M. Ibaouânale, V. Nitignou.
Een vyand, M. Etóutou, V. Akani.
Een gemaakte vyand, Etóutou noubi. Aldus noemen zy alle hare vyanden die gekleed gaan.
Wilden, Maron. De Karaïbanen geven dezen naam niet als aan de dieren; en aan de wilde vrugten.
Inwoonder, bonon.
Eilander, of bewoonder van een Eiland, Oubao-bonon.
Bewoonder van het Vaste-land, baloüe-bonen.
Zee-man, balanaglé. Aldus noemen zy de Christenen, om dat zy van zo verre over zee in haar land komen.
Generaal van een Scheeps-leger, of Admiraal, Nhaléné.
Hooft-man van een Schip, Tiouboutouli canaoüa.
Groot Hooft-man, of een Generaal, Ouboutou; in het meervoud, Ouboutounum.
Plaats-houder, Tioubautoumali, dat is eigentlijk te zeggen het spoor van den Hooftman of het gene na hem te voorschijn komt.
Soldaat, of Oorlogs-man, netoukouïti.
Schild-wagt, Verspieder, Arikouti, nábara.
Mijn oorlogs-gevange, niouïtouli, niouëmakali.
De gene die den last heeft om de gasten t' ontfangen, niouâkaiti.
Mijn huur-knegt, zodanig als de Christenen hebben nabouyou.
Slaafschen dienaar, Tamon.
Een Jager, Ekerouti.
[p. 254]origineel
Vet; Tibouléli.
Mager, Touléeli.
Groot, Mouchipééli.
Dik, grof, Ouboutonti.
Klein, nianti, Raeu.
Katijvig, Pikenine, in bastaart taal.
Hoog, Inöuti.
Laag, Onabouti.
Diep, Ouleliti, Anianliti.
Breed, Taboubéreti.
Lang, Mochinagouti.
Rond, Chiririti.
Vierkant, Patagouti.
Schoon, Bouïtouti.
Leelijk, nianti ichibou.
Zagt, nioulouti.
Hard, Téleti.
Droog, Ouárrou, Ouarrouti.
Vogtig, Kouchakouäli.
De hitte en de koude zijn op den ix. tijtel uitgedrukt.
Wit, Alouti.
Swart, Ouliti.
Geluw, Houëreti.
Rood, Ponáti.
Zy konnen niet noemen als die vier verwen, en zy brengen 'er alle d' andere toe.
Dief, Youálouti.
Bloedschendige, Kakouyoukouátiti.
Overspeelder, Oulimateti.
Hoerreerder, Huéreti.
Twist-gierige, Oulibimekoali, Koauaiti.
Verrader, nirobouteiti.
Kwaad, Oulibati, Nianóuântì.
Goed, Iroponti.
Wijs, Kanichieoti.
Behendig, Manigat.
Dwaas, Leuleuti ao, of Talouali ao, dat is eigentlijk te zeggen, Die geen ligt heeft.
Dapper, Ballinumpti.
Schelm, Abaouáti.
Blijde, Aouërekoua liouani.
Droevig, Imoueti.
Dronken, nitimaïnti.
Rijk, Katakobaïti.
Arm, Matakobaïti.
Stêkende, Chouchouti.
Dood, neketali.

IV. Daden en togten.

HY betrouwt zig in hem, Moingattetiloné.
Verwagt my, Jacabo, noubara.
Hoopt, wagt, Alliré.
Hoopt in hem, Eminichiraba.
Hope, Ementichira.
Mijne hope, nemenichiraeu.
Mijne vreze, ninonnoubouli.
Mijne vreugde, M. naouëregon, V. niouânni.
Mijne droef heid, nitikaboue.
Hy is geboren, Emeïgnouâli.
Weest welkom, Halea tibou.
Ik hebbe honger, Lamanatina.
[p. 255]origineel
Ik hebbe dorst, nacrabatina.
Geeft my t' eten, of, geeft my brood, M. Yerebali üm boman, V. nouboute üm boman.
Geeft my te drinken, natoni boman.
Eet, gebiedender wijze, Baïka.
Eten, zonder eenig opzigt genomen, het gene weinig in gebruik is, Aika.
Ik ete, naikiëm.
Drinkt, Kourába.
Ik drinke, natiem, natakayem.
Ik ben verhit door drinken, nacharouátina.
Komt hier, Hac-yeté.
Gaat heên, Bayouboukaa.
Spreekt, Ariangaba.
Ik spreke, nanangayem.
Swijgt gy, Maniba.
Zit neder, niouróuba.
Gaat ter aarde leggen, Ráoignaba.
Staat op, Aganekaba.
Staat over-einde, Raramaba.
Ziet, Arikaba.
Hoort, Akambabë.
Riekt, Irimichaba.
Smaakt 'er af, Aochabaë.
Raakt het aan, Kourouâbaë.
Gaat, bayouhaka.
Ik gâ voort, nayoubákayem.
Wandelt, Babáchiaka.
Loopt, Hehemha.
Danst, Babenaka.
Ik dansse, nabinakayem.
Springt, Chaubákouâba.
Ik gâ springen, Choubakouániabou.
Lagt, Béérraka.
Ik lagge, of ik verheuge my, naouërékoyem.
Schreid, Ayakouâba.
Slaapt, Baronka.
Ontwaakt, Akakotouâba.
Waakt, Aromankaba.
Arbeid, M. Youâtégmali, V. Noumaniklé.
Ruste, nemervoni.
Gevegt, Tibouikenoumali.
Oorlog, M. Nainkoa, V. Nihuctoukouli.
Vrede, niüomboulouli.
Hy is verslage, niouëllemainti.
Hy is overwonnen, Enepáli.
Ademt, Aouraba banichi Dit wil eigentlijk zeggen, verfrist uw herte
Blaast, Phoubaë.
Spoegt, Chouëba.
Hoest, Hymba.
Snuid u, nïnraba.
Drekken, Houmoura.
Wast u, Chibâba.
Bevogtigt, Touba boubara.
Gaat baden, Akao bouka.
Ik swemme, napouloukayem.
Hy swemt wel, Kapouloukatiti.
Hy is verdronken geweest, Chalalaali.
Hy is versmoort geweest, niarakouâli.
[p. 256]origineel
Opent, Talaba.
Sluit, Tába.
Zoekt, Aloukaba.
Vind, Ibikouâbaë.
Vliegt, Hamamba.
Gy valt, Bátikeroyen.
Verliest het, Aboulekouâbaë.
Verkoopt het, Kebeciketabaë.
Koopt, Amouliakaba.
Hy handelt of doet Koopmanschap, Baouânemeti.
Gaat op de jagt, Ekrekabouka.
Mijne jagt, nékeren.
Hy schiet wel met den boog, Kachienratiti, boukatiti.
Hy schiet wel met het roer, Katouratiti.
Gaat vis-vangen, Tikabouka authe.
Ik vissche, natikayem.
Mijne visscherije, nâtiakani.
Hy is in de haven aangekomen, Abourrikaali.
Ik zing in de Kerke, nallalekayem.
Ik zing een lied, naromankayem.
Hy is verlieft op haar, hy troetelt haar, Ihoatoati tao.
Kust my, Chouba nioulougou.
Ik wil genoemt wezen, noemt my, Yetiklée yatek.
Hy mint hem, Kinchintiloné, Tibouïnati.
Hy haat hem, Yerekati loné.
Twist, Liouëlébouli.
Dronkenschap, Liuëtimali.
Slaat, geesselt, Baikoâba.
Geessel, Abaïchaglé.
Slaat hem, Apparabaë.
Krabbelt, Kiomba.
Dood hem, Chiouïbaë.
Hy vaart wel, Atouattieutì.
Hy is ziek, nanégaëti, nannéteitì.
Ziekte, Anek.
Hy heeft my onttovert, naraliatina.
Ik zal my wreken, nibanébouïbatina.
Wrake, nayouïbanabouli.
Hy heeft hem gebeten, Kerrélialo.
Hy is gekwetst, niboukabouâli.
Hy leeft nog, M. Nouloukeïli, V. Kakékeïli.
Het leven, Lakâkechoni.
Hy is dood, M. Aouééli, nikota, maináli, V. Hilaali.
De dood, Lalouëne.
Begraaft het, het gene niet alleen gezeid word van den Mensch, maar in 't gemeen van alles wat men in der aarde ligt, van eene plante, Bonambaë.
Begraving, Tonamouli.

V. Huishouding en handel.

Een Dorp, Authe.
Een openbaar huis, Karbet.
Een huis, M. Toubana, V. Touhonoko.
[p. 257]origineel
Een leuif, en een dekzel, of een windschut, Aïoupa.
Een tuin, Maina.
Mijn tuin, M. Imaïnali, V. Nicháli.
Manioc kuil, Tomonak.
Het dak, Toubanaora. Eigentlijk dekzel van het huis, of van de Hutte.
Muur, of schutheining, Koúrara.
Solder, zy hebben 'er geen.
Plank, Iboutou.
Deure, Bena.
Venster, Toullepen, eigentlijk een gat.
Bedde, M. Amak en Akat. V. Nékera.
Tafel, Matóutou.
Stoel, Halâheu.
Kooije, Tonoulou-banna.
Vat, Takaë, het gene over al op te passe word gebragt.
Vaatwerk van Kalabasse, Couï.
Helft van Coui, dat tot schuttel dient, Tauba. Dit woord beteikent eigentlijk, eene zijde.
Kroes om te drinken, Ritta.
Glas, flessche, boutella, uit het Spaansch.
Traly van hout, die andere Wilden Boucau noemen, Youla.
Yzere-pot, of ketel, Touraë.
Aarde pot Taumaliakaë, en Canary.
Kandelaar, of dat iets vast houd, Taketalé.
Keerze, lampe, of toorts-ligt, Touli, dat is van Sandaal 't geen eene gomme heeft.
Keers-snuiter, Tachackoutagle.
Visch-angel, Keouë.
Naalden, Akoucha.
Spelde, Alopholer.
Koffer, Arka.
Korf, Aláouâta, Catolì.
Teemze of Zeve, om den Manioc door te ziften, en den Ouïcou door te lekken, Hibichet.
Fijn meel van Manioc, Mouchache.
Spijze, Vlees, Tékeric.
Gebraden, Aribelet, Achérouti.
Eene Zauce, Taomali, of Taumali.
Gekapt vlees, Nâtara.
Een Gastmaal, Nâtoni, Laupali, Eletoak.
Vergif, M. Tiboukoulou, V. Tibaukoura.
Koopmanschap, Eberitina.
Koopman, Baouânemoukou.
Pirauge, of groot Schip van de Wilden, Canaouâ.
Klein Schip van de Wilden, dat wy Canot noemen, Couliala.
Schip, Kanabire, dit komt zonder twijffel van ons Françoysch woord.
Koorde, of touw, Ibitarrou.
Kabel, Kaboya. Dat is een woord dat na stameling gelijkt, en dat zy hebben gevormt, zonder twijffel, zedert dat zy met de
[p. 258]origineel
vremdelingen hebben verkeert. Gelijk ook eenige van de volgende.
Anker, Tichibani en Ankouroute.
Mes, Couchike.
Knipscheiren, Chirachi.
Veel, Mouche. Woord van de geschonde taal.
Tien, Chonnoúcabo raïm, dat is te zeggen, alle de vingeren van de handen.
Twintig, Chonnoucabo raïm, Chonnougouci raïm, dat is te zeggen, alle de vingeren van de handen, en alle de teenen van de voeten.
Zy konnen niet verder tellen.
Ziet daar uw bedde, bouëkra.
Ziet daar uw eten, En yerébali.
Ziet daar uwen drank, En batoni.
Groten dank, of wel, Tao.
Ja, Anhan.
Neen, Ouâ.
Morgen, Alouka.
Goeden dag, Mabouë.
Vaar wel, Huichau.

VI. Zieraden en wapenen.

Snuisterijen, of Beuzelingen in 't gemeen, Cacones.
Kroone, Tiamataboni.
Bagge, Toukâbouri.
Hals-snoer, Eneka.
Mijn hals-snoer, Ynekali.
Armring, Nournari.
Oorbehangzelen, Narikaëla.
Gordel, Jeconti, of Niranvary.
Broosje, Tichepaulou.
Françoysche kamme, Baïna. Dat is ons woord in stamel taal.
Kamme van Rieten, Bouléra.
Neusdoek, of snuitdoek, Naïnraglé.
Spiegel, Chibouchi.
Degen, Echoubâra.
Roer, Musket, Rakâbouchou.
Pistool, Rakâbouchou raeu, eigentlijk, klein roer, of klein musket.
Geschut, Kaloon.
Pijk, Hellebaart, Ranicha.
De punt, M. Lichibau, V. Laboulougou.
Het midden, Lirana.
Het einde, Tíona.
De boog, M. Oullaba, V. Chimala. Deze twe woorden beteikenen ook een Boom.
De peze van den boog, Ibitarrou.
Pijlen, Alouâni, Bouleouâ, Hippé.
Wapen knods; waar mede de Wilden haar dienen in de gevegten in plaatze van swaarden, bouttou.
[p. 259]origineel

VII. Land, water en lugt-gedierte.

Hond; Anly.
Teve, Onëllé anly. Eigentlijk het Wijfje van den Hond.
Verken, Bouïrakou. Zy noemen het ook zomtijds, Coincoin.
Simme, ofgebaarde Meer-katte, Alouâta.
Schild-padde, Catallou, en in stamel taal, Tortille.
Grote Egdissen, Ouâyamaka, dit zijn de zelve die andere Indianen Iganas noemen.
Kleine, Egdissche, of Muggeslikker, Oulleouma.
Ratte, Karattoni.
Katte, Méchou.
Soldaat, of Slekke, Makére.
Miere, Hage.
Spinnekoppe, Koulaëlé.
Serpent, Héhué.
Slange, Couloubéra. Uit het Spaansch.
Schorpioen, Akourou.
Visch, Authe, en in bedorven taal, Pisket.
Kinkgehoornte, Schelpen. Zy noemen de visch, en zy voegen 'er Ora by; gelijk of men zeide het dekzel, of de schelpe van den visch. Aldus Ouâttabouï ora, is het gene wy gemeenlijk een Lambis noemen.
Mouskite, of eene zoorte van muggen, Aëtero.
Andere zoorte van Muggen, gemeenlijk Maringons genaamt, en onder die naam bekent, Malu Kalábala. Die witte voeten hebben.
Vliege, Huëré-huëré.
Blinkende Mugge, Cagouyou, dit komt eenigzins over een met de Cocuyos van d' andere Indianen.
Vogel, Tónoulou.
Kalkoensche haan, Ouëkellipikaka.
Kalkoensche hinne, Ouëllépikaka.
Gemene hinne, Kayou.
Endvogel, Kanarou.
Ganze, Iriria.
Perroket, Kouléhuee.
Duive, Ouäkoukouâ.
Tortel-duive, Oulleou.
Perdrijs, Ouâllami.
Pluim, of veder, Toubanna, dit is ook een blad.
Wieke, of arm, Tarreunâ.
Bek, of mond, Tiouma.
Voet, of poote, Tóugouti.

VIII. Bomen en planten.

Boom, Huëhuë.
Plante, Ninánteli.
[p. 260]origineel
Bloeme, Illehuë.
Vrugt, of graan, Tun.
Blad, Toubanna: Dit is ook een pluim.
Tak, Touribouri.
Doorn, kwast, Huëhuë you; eigentlijk, het hair van den Boom; of Huëhuë akou; gelijk of gy wilde zegge, d' oogen van den boom.
Eene Wildernisse, Arabou.
Vijgen, Backóukou.
Zy noemen d' Oranje-appelen en de Citroenen gelijk wy, om dat deze vrugten uit Europa tot haar zijn gekomen.
Cassie- of Canesicie-boom, Malimali.
Katoen, Monóulou.
Katoen-boom, Manóulou Akecha.
Druive-boom, Ouliem.
Rakette, een vrugt aldus by de Françoyschen genaamt, Batta.
Grote Cardon, Toorze of waschkeerze genaamt, Akoulerou.
Tabak, Youli.
Meloen, Battia.
Boon of Erweet, Mancouti.
Rotting of Riet, in 't algemeen, Mamboulou Tikasket.
Zuiker-riet, Kaniche.
Zap-ofte wijn van Zuiker-rieten, Kanichira.
Zuiker, Choucre. Dit is ons eigewoord in kromtong.
Een kruid, Kalao.
Wortel om t' eten, Toralé.

IX. Hooftstoffelyke en onbezielde dingen.

De Hemel, en eene wolke, Oubékou.
Witte wolke, Allirou.
Bruine wolke, Ouâllion.
Mist, Nevel, Kemereï.
Sterre, Ouâloukouma.
Zon, M. Huyeyou, V. Kàchi.
Mane, M. Nonum, het gene ook d' aarde beteikent, V. Káti.
Dag-loop, Lihuyeouli.
Klaarheid en Af-schijnzel, Lalloukone.
Ligt, Laguenani.
Nagt, Ariábou.
Duisternissen, Bourreli.
Het is dag, Haloukaâli.
Het is nagt, boureokaâli.
Lugt, Naouârglé.
Wind, bebeite, het beteikent ook zomtijds de lugt.
Vuur, Ouâttou.
Assche, ballißi.
Regen, Konóboui.
Hagel, Ys, Sneeuw. Zy kennen dit niet.
Winter, is haar ook onbekent.
De koude, Lamoyenli.
Zomer, Liromouli.
[p. 261]origineel
De hitte, Loubacha.
De schone tijd, Jeromonmééli, zy noemen hem ook met den naam van de Zomer.
Het is schoon weder, Hueôumeti.
Het is kwaad weder, Yeheumeti.
Donder, Ouâlou ouyoulou.
Het geluit van den donder, Trtrguetenni.
Onweder, Youâllou, bointara, Ouragan: dat d' allergemeenste naam is.
Regen-boog, Alamoulou of Youlóuco; gelijk of men zeide, Gods-pluim of Vederbos.
Een berg, Ouëbo.
Eene valeije, Taralironne.
Het op gaan, Tagreguin.
Eene vlakte, Liromonobou.
Water, Riviere, Tóna.
Poel, Taonaba.
Bron, springader, Taboulikani.
Putte, Chiekâti.
Vlied, Tipouliri.
Zee, M. Balanna, V. Bolaouâ.
Land, M. Nonum, dit beteikent ook de Mane, V. Mona.
Drek, Itika.
Zand, Saccâo.
Weg, Ema.
Steen, Tébou.
Rotze, Emétalì.
Eiland, Oubao.
Vast-land, of Vaste-kust, balouë.
Hout, Huêhue; dit beteikent ook een boom.
Yzer, Crábou.
Goud en Zilver, boulâta.
Tin, Tialapirou.
Latoen, Kaouánam.
Een gat, Toullepen; dit beteikent ook een venster.
Eene Rheede, Beya, dat is het woord van baye een weinig verandert.

X. Geestelyke of Gods-dienstige dingen.

De ziele word uit-gedrukt door het zelve woord dat het herte beteikent. Ziet in het op-schrift van de delen des Menschelijken lighaam.
Een Geest, M. Akambouë, V. Opoyem deze namen zijn algemeen. Daarom worden zy zomtijds gegeven aan den Geest des menschen. Maar worden by-zonderlijk de goede Geesten op-gelegt; ten minsten die de Karaïbanen agten zodanige te wezen, en die haar plaatze van Goden houden.
Goede Geest, die zy voor eene Godheid houden; en van wien een yder onder haar den zijnen heeft voor zijnen byzon-
[p. 262]origineel
deren God, is ook Icheïri genaamt, dat het woord der mannen is; en Chemun, het welke dat van de vrouwen is, en waar van het meervoudig is Chemignum. Invoegen dat deze woorden over-een-komen met die van God, en van Goden.
Mijn goede Geest, of mijn God, M. Icheïrikou, V. Néchémérakou.
Boze Geest, of Duivel. Mannen en vrouwen noemen hem Maboya, gelijk alle onze Françoyschen uitspreken; maar de Karaïbanen spreken hier de B een weinig meer op zijn Hoogduits uit, gelijk of wy Mapoya schreven.
Zy geven ook den naam van Maboya aan zekere Duivels-broden, en aan zekere Planten van kwaden reuk.
De Duivel, of de Boze Geest is hier: laat ons vlugten uit vreze van hem. Maboya kayeueu: Kaima loari. Zy zijn dit gewoon te zeggen als zy een kwade reuk ruiken.
Offeranden die zy aan de valsche Goden, of de kwade Geesten doen Anacri.
Aanroeping, gebed, plegtigheid, aanbidding: zy weten niet wat dit te zeggen is.

EINDE.