terug  begin  verderprepost
[p. 34]

3
Cornelis van Ghistele (vert.), Terentius Comedien Nu eerst wt den Latine / in onser duytscher talen / door Cornelis van Ghistele / Rethorikelijck over ghesedt [...]. Antwerpen: Simon Cock, 1555

Terwijl hij nog volop met Ovidius' Heroides en Vergilius' Aeneis bezig moet zijn geweest, zag Cornelis van Ghistele (zie Tekst 2) blijkbaar kans ook de zes blijspelen van Terentius in het Nederlands om te zetten. Het privilege voor de uitgave werd verleend op 19 april 1554. In zijn vertaling gebruikte Van Ghistele de gepaard rijmende versregels die hij ook in zijn eigen klassieke toneelstukken aanwendde; hij voegde bovendien vrij wat spreekwoorden en moraliserende sententiën toe. Commercieel was de uitgave, die veel minder goed verzorgd was dan de edities van Ovidius en Vergilius, geen succes. Toch zou het nog tot bijna het midden van de zeventiende eeuw duren eer Henricus Oosterhaern (in 1646) en Hendrik Zwaardecroon (in 1648) nieuwe integrale vertalingen leverden. Van Ghisteles taalgebruik was inmiddels door Bredero op de korrel genomen in diens navolging van de Eunuchus (zie Tekst 19). [Exemplaar UB Leiden]

Den Eersamen en Verstandigen Gabriel Studelin, Prince van der Gulden der Goudbloemen binnen Antwerpen, Cornelis van Ghistele .S.

Sommighe persoonen, dese Comedien lesende, my grootelijck (sorch ick) berispen en blameren sullen, verhalende het woort welck Thucidides sprac, hoe ongheleerdere hoe stoutere. Maer niet bevroeyendea het ghene dat Lucianus tot Nigrinum screef,[1] als dat liefde der scientien en der consten, oock menighen stout ende vierich maken can: dwelc die principale oorsake is Eersame Prince, dat ick die Terentius Comedien wt den latine in onser duytscher tale over te setten, mi vercloect en ghepinicht hebbe. Ende oock niet, om daer dore eenighen grooten lof oft eere te behalen, maer alleenlijck om dat yeghelijck sou bevroeyen, dat onse Rethorikelijcke spelen die wy iaerlijcx (alst bequamen tijt is) den volcke exhiberen, gheen nieuwe inventie oft conste en is. Maer vanden Romeynen (ick laet de Griecken staen die de eerste inventeurs sijn) over menige iaren gheploghen is. waer af Livius Andromicusb de alder eerste gheweest is, die Latijnsche Comedien nader Griecxscher maniere gheschreven heeft, ende binnen Roomen doen spelen anno vijf hondert derthien na dat Roomen ghesticht was, te weten ontrent twee hondert iaren voor Cristus gheboorte. Ende nae hem quamen Ennius, Nævius, Pacuvius, Accius, Cecilius, Plautus, ende Terentius. Xistus betuleus scrijft dat Terentius eerste Comedie ghenaemt Andria ghespeelt wert Anno vijfhondert ende achtentachentich na dat Roomen ghesticht was, ende daer nae van iare tot iare alle dandere, die welcke oyt sint dier tijt vanden Romeynen, en van alle gheleerde in grooter weerden ghe-

[p. 35]

houden sijn. want Marcus Tullius Cicero, (soe wy lesen) waer hi ghinck oft reysde, om haerder suyver leeringhen, en elegantien Terentius Comedien altijt over hem droech. Hierom dan, E.P. en heeft my gheenen arbeyt verdroten, om die in onser duytscer talen over te setten, op dat een yeghelijck soe wel leecke, als clercken, sijn groot verstant en gheleertheyt daer dore aenmercken en bevroeyen souden moeghen, bescrivende der ouders sorchvuldicheyt, der vrouwen gheemelijcheyt, der ionghers leven, ende regement, der minnaers manieren, der boeren subtijlheyt, der knapen schalcheyt, der verwaender sotten glorioesheyt, ende der loftuyters pluymstrijckerye, dwelck hy al door eenen godlijcken gheest die inde Poeten werckende is, (soe Ovidius seyt) ons soe constich bethoont heeft, dat ick metter waerheyt van hem wel segghen mach, het ghene dat Horatius scrijft.

OMNe TULIT PUNCTUM QUI MISCUIT UTILE DULCI. Dat is te segghene.

 
Alsulck Poeet is wel weerdich gheeert
 
Die duecht en profijt, met ghenoechten leert

Soe dat hi boven alle Poeten dan wel mach ghepresen, en gheexalteert worden, en den Laurieren hoet, wel weerdich gheweest is te draghen.

Maer al yst sake dat ick soe natuerlijck, en elegantelijck in ons duytsche tale dese Comedien niet overgheset en hebbe, als Terentius die in Latine bescreven heeft, de verstandighe leser (hoep ick) my daer in defenderen sal. want die hem sulcx soude vermeten te doene, die mocht wel slachten den ghenen, die eenen Papegaey sijn natuerlijcke pluymen wt treckende, met eens anders voghels pluymen soe suyver soude willen verchieren. Ende want hier voortijts, de Latijnsce Poeten, oversettende oock de Griecxsche Comedien, soe volcomelijc dat niet ghedaen en hebben, soe Terentius in sijn tweede Prologhe vermaent segghende. QUI EX GRECIS BONIS LATINAS FECIT NON BONAS. Soe eest my oock dan wel te vergheven, heb ick dese ooc soe volcomelijck na der elegantien eysch in onser tale niet overghesedt. Want alsmen de proprieteyt vande Griecxsche woorden, soe perfect inden Latine, (dwelck nochtans een suyver volcomen sprake is) niet overghesetten en can, Hoe veel te min soude yemant dan de proprieteyt en de Elegantie vande Latijnsche woorden, so volcomelijck in ons slechte tale overghesetten connen? Daerom, E.P. al ist bi also dat ick dan soe grooten lof (want tot dier intencien van mi dit niet bestaen en is) niet verdient en hebbe, this mi alleenlijck ghenoech, dat ick late blijcken, hoe de Romeynen dese Rethorikelijcke conste, in haerlieder tale oock gheuseert hebben. Ende hoe grootelijck, dat si die gheacht, en in eere ghehouden hebben is blijckelijck aen de triumphantelijcke Theatren, die sommighe keysers doen ter tijt (soemen noch te Roomen aenschouwen mach) soe costelijck en soe groot hebben doen maken, om dat yeghelijck dese spelen, diemen Ludi Scenici hiet ende noch meer ander, op feestdagen daer toe gheordineert sijnde souden moghen sien spelen. [...] Hierom moetent dan nu wel onverstandighe menschen sijn, die de Rethorikelijcke spelen verachten ende blamerene willen. inde welcke ons nu gheen versierde fabulen, maer Gods woort suyverlijc verbreyt, en verclaert wort. Inde welcke ooc yeghelijck sijn ghebreken ende vitien ghelijck in eenen spieghele, aenmercken ende aenschouwen mach. [...]

Hier om dan Eersame Prince, want ghy al sulcke ingenieuse gheesten, ende

[p. 36]

der voorghenoemder consten, beminnende ende in duechden ionstich favoriserende sijt: waerdoor u eerbaer verstant wel blijckende is: soe heb ick mi verstout dese Terentius Comedien uwer liefden (want ghy sulcx meer dan weerdicht sijt) toe te scrivene, en op uwen naeme soot wel behoorlijck is wt te laten gane. Hopende dat u sulcx (al en is de conste so groot niet als den arbeyt gheweest is) aenghename sal wesen, ende ghewillich in dancke nemen sult, want ter liefden van alle Rhetorices beminders, ende ter eeren der edelder Goubloemen tot eender eewigher memorien ick dit begonst, ende voleynt hebbe. Hopende oock daerom dat ghi mi voor alle schimpige berispers die noch Zoylus nidighen aert int herte hebben defenderen ende verantwoorden sult. Ende dese Comedien dan in onser ghemeynder spraken (al yst dat ghi die van uwen ionghen iaren af wter latijnscher talen gheincorporeert hebt) somtijts noch als past by luste, en voor een recreatie, als den gheest beswaert is, en om uwer memorien te renoverene overlesen wilt. waer inne ghi duechdelijcke leeringhen, goede redenen, wise sententien, recreativelijcke woorden, en boerdelijcke cluchten, sonder dorperheyt, oft eenighe vilonye (die mispriselijck is) bevinden sult. waer dore u (en een yeghelijcx) ingenieus verstant, ontwijffelijcken groote soeticheyt, tot duechdelijcker stichtinghen smaken en bevroeyen sal.

Van u eerbaer duecht meer te scriven (so ghi wel weerdich sijt) soude wel behooren, maer ick weet wel dat uwer liefden sulcx niet aenghenaem en soude wesen. De heere almachtich wil u ingenieus verstant in duechden u laten ghebruycken, en salighen voorspoet altoos verleenen. Vale.

Tot den Leser.

MEn vint vernufte menschen / die segghen dat onbehoorlijck is latijnsche boecken in onser duytscher talen over te setten: haer laten dunckende dat de latijnsche sprake daer door onteert / ende te cort ghedaen wort. Maer waerom dan hebben so veel gheleerde mannen de Griecxsche Poeten / ghelijc Homerum Euripedem / Sophoclem / ende noch meer ander int Latine over gheset / en noch daghelijcx doen: wort de Griecxsche sprake (die soe groot gheacht is) daer door eenichsins vercleynicht? Ende noch ooc / meest al dwelck men int Latijn bescreven vint / de Italianen / Overlanders / Franchoysen / ende de Spaensce natie elck in zijn tale daghelijcx (soe men siet) oversettende zijn. Sullen wy dan haerlieden oock niet moghen nae volgen / als wy niet over en setten / dan dat duechdelijc en eerlijc is / ende daer niemant by gheschandalizeert en wort: Ist niet beter dat de slechte menschen in ons ghemeyn sprake de gheleerde Poeten lesen moghen / dan dat si haer met Ulespieghels beuselen oft met soedanighen boeverye veronleghende zijn? Hier om dan beminde Leser / wilt uwen gheest met dese Comedien vernieuwen ghy sulter in vinden / waer dore u leven / ende u manieren ghebetert mogen worden / ende my dan (hoep ick) bedancken.

abevroeyen: bevroeden, inzien
[1]In zijn Nigrinus beschrijft de Griekse auteur Lucianus (ca. 120-na 180 n.C.) een bezoek aan deze Platonische filosoof te Rome.
bAndromicus voor Andronicus

prepostterug  begin  verder