terug  begin  verderprepost
[p. 47]

7
D.V. Coornhert (vert.), Officia Ciceronis, Leerende wat yeghelijck in allen staten behoort te doen, bescreven int Latijn door den alder welsprekensten Orator Marcum Tullium Ciceronem, ende nu eeerst vertaelt in nederlantscher spraken door Dierick Coornhert. Haarlem: Jan van Zuren, 1561

De vermaarde graveur, denker, taalminnaar en publicist Dirck Volckertszoon Coornhert (1522-1590) leverde behalve een groot aantal literaire en andere werken ook diverse vertalingen. Deze omvatten o.a. twaalf boeken van Homerus' Odyssee, vertaald naar het Latijn (De dolinghe van Ulysse, 1561), en vijftig verhalen uit Boccaccio's Decamerone, bewerkt naar een Franse versie (Vijftich lustighe historien, 1564). Coornhert had pas in 1557, op vijfendertigjarige leeftijd, Latijn geleerd. Kort voordien had hij een oudere vertaling van Boëthius' De consolatione philosophiae bewerkt (zie Tekst 12). Waarschijnlijk in 1560 vatte hij een Nederlandse vertaling van Seneca's De beneficiis aan. Hij onderbrak die om eerst Cicero's De officiis over te zetten. De vertaling van Seneca (Lucius Anneus Seneca vanden weldaden) verscheen een jaar na de Officia Ciceronis. In het voorwoord bij de vertaling van Cicero houdt Coornhert een krachtig pleidooi voor het gebruik van een zuiver Nederlands, vrij van bastaardwoorden. Het boek, waarvoor het octrooi op 17 juli 1561 te Brussel werd verleend, was de eerste publikatie van een nieuwe uitgeverij, die mede door Coornhert was opgericht en waarvoor het stadsbestuur een jaar eerder een lening had verstrekt. De uitgave is dan ook opgedragen aan de burgemeester en magistraat van Haarlem; begin 1562 werd Coornhert tot secretaris van het stadsbestuur benoemd. [Exemplaar UB Gent]

De vertaelder totten Leser.

Hoe groote naersticheit, moeyte, arbeydt ende coste byden hoochduytschen gedaen wert, vriendelike Leser, om henluyder tale te verbeteren, is wel van vele geleerde verstanden (die den grooten oorbaer verstaen van sherten meninge met eygentlijcke woorden te vertolcken) gemerct ende ghepresen, dies sy ons oock met goede redene straffen ende lasteren als roeckeloose versuymers der begraven rijcdommen onser nederlantscher talen: maer dat sulcke inden handen (somen seyt) spouwen ende wercx beginnen souden om onse sprake te beteren, van vreemde woorden te reynighen, van verdorvene te ghenesen, ende met haren eyghen natuerlijcken aert te eeren doort afschuymen, wtmonsteren ende wech bannen vande Latijnsche, walsche en vreemde woorden: dat sy oock daer teghens vlijte souden doen om door henluyder grooten name van gheleertheyt het oude vergeten ende versleten nederlantsche duytsch weder int ghebruyck te brenghen, is soo verde te soecken dat sulcke oock meest de verdervers ende misbruyckers onser talen zijn. Want selden werden eenighe boecken vertaelt oft gheschreven vanden ongheleerden, maer veel al vanden geleerden, de welcke het latijn meest al leeren eer sy hun moeders tale connen: dies hunlieden int dichten oft verduytschen der boecken oock dickwils duytsch, om hueren sinne wel wt te beelden, ontbreken moet, ende behelpen sich dan flucx om tghemack, met Latijn, walsch oft met ander talen die

[p. 48]

hun bat condta zijn: daer dan ooc nootsakelijck een mengsel van spraken ende een rechte Babilonische verwerringe wt geboren werdt. Dit heeft onse nederlantsche sprake binnen veertich iaren herwaerts alsoo verkeert ende gheraetbraect: dat sy meer gemeenschappe heeft metten Latijnen ende Franschoysen, dan metten hoochduytschen, daer sy wt ghesproten is: dies sy oock vanden slechten borgheren ende huysluyden, die Latijn noch walsch en connen, nauwelijcx half verstaen en werdt. Doet dit die nederlantsche tonghe niet schandelijck stameren? De Prince laet zijn Maiesteyts geboden metter clockenslach int openbare vercondighen om dat die van elck man gheweten souden werden: men roept int eynde ghemeynlijck elck segghet den anderen voort, op dat yeghelijck voor schaden ghewaerschouwet mach zijn: maer hoe sullen sy hun voort overtreden wachten, die sheeren gheboden niet en verstaen? hoe sal een nederlander, sonder walsch oft Latijn te connen, verstaen moghen den sinne van dese ende deser ghelijcke woorden. Ten eynden dat niemant en pretendere actie van ignorantie: waert hier so waer om seggen, opdat hem niemant en ontschuldige met onwetenheyt der saken? het is wel so dat ons sprake door onser voorouderen onachtsaemheyt in desen al met eenighe wonden ende ghebreken verleemt ende in sommighe leden by nae ongheneselijck is: soo datmen al woorden vint als nature, conscientie, glorie ende dier gelijcken diemen qualijc alsoo verduytschen can datse recht verstaen souden werden: maer salmen dan om dese leemten te verschoonen de gesonde leden ooc mede noch verleemden? Tis nu also verde gecomen dat veel ionge scrijvers een woort Franchoys oft Latijns verstaende sulcdanighe vreemde lappen voor een welstant ende bevallijcke chieraet opten mantel onser spraken brodden, recht oft een heerlijcke ende rijckelijcke sake waer sonder noot vreemt behulp te bedelen: twelck oorsake is dat menich fijn burgher ende boer het vonnisse zijnre saken aenhorende, ia oock selfs lesende sulcx soo luttel verstaet, dat hy dan noch niet en merct oft hem mede oft tegen gaet, maer als een onduytsche noch wel een verduytscher tot dit duytsch (God wouts) behoeft te hueren. De schade van dit misbruyc is met verstandighe ooghen te recht ingesien vanden edelen Heere, Heer Ian vander werve: die met zijn tresoor der duytscher talen bestaen heeft als een eenige Hercules desen driehoofdighen Cerberum eerst te bestrijden:[1] ende heeft my ooc verstout (die mede ons tale eens gaerne verchiert sage in haer selfs pluymen) teghens tghemeene misbruyck te ghebruycken sommige woorden als algemeen voor generael, verlijckinghe voor comparatie: gesellicheyt voor societas, &c. die nu om d'ongewoonte wat hardt schijnen: alsoo nochtans dat ick veel oude woorden, die wel goet, maer out duytsch zijn, als zege voor victorie, byspel voor exempel, grontvest voor fondament, grootachtbaerheydt voor authoriteyt met meer dier gelijcken achter ghelaten hebbe, op dat dese Ciceronisce soeticheyt door de hartheyt haerder ongewoonte niet ghequetst en soude werden: hoe wel ic die noch metter tijt al dencke te gebruycken, ist dat my de Heere spaert, ende mijn arbeydts luste verwackert werdt door u goetwillicheyt ionstighe leser. Beroerende het navolgen van des schrijvers meyninghe, die hebbe ick, na mijn cranc vermoghen, vlijtelijc ende getrouwelijc gevolcht: hoe

[p. 49]

wel my de verscheydenheyt vande latijnsche drucxelen oft boecken dicwils int navolghen van d'een oft d'ander twijfelachtich gemaect hebben. Is hier inne dan eenichsins ghedoolt, dat wilt goetlijc int goede beduyden, ende dencken dat dolen menschelic is, ende dat ic om u dienste te doen het lasteren, straffen, ende verachten vanden berispers soo willich ghetroost ben: als ick dit gaerne met dienstwilligher herten ter eeren Godes ende tot uwen oorbaer verduy[t]scht hebbe. Vaert wel.

abat condt: beter bekend
[1]De verwijzing betreft Het Tresoor der Duytsscher talen: Een seer profijtelijck boeck voor alle de ghene: die de Latijnsche sprake ende meer andere niet en connen. Ende bysondere die het Recht hanteeren: Ghemaect van den Edelen ende hooghstammighen heeere / heer Jan van den Werve / ridder (Antwerpen, Hans de Laet, 1553), dat na 1559 nog een aantal keren werd herdrukt als Den Schat der Duytsscher talen.
prepostterug  begin  verder