Deze vertaling in rederijkersverzen verscheen anoniem maar wordt toegeschreven aan Marius Laurier van Yperen (ca. 1530-?), kenspreuk: ‘In deughden groene’, boekverkoper te Ieper. Hij leverde hiermee de eerste vertaling van Ovidius' De arte amandi in het Nederlands. Van een mogelijke druk uit 1563 is geen exemplaar bewaard gebleven. Het boek kwam in 1570 op de index te staan. Omstreeks 1587 verscheen in Antwerpen een gezuiverde prozaversie vertaald door A.N., d.i. Andries Nuts. Voor de toeschrijving van de versvertaling aan Marius Laurier en de mogelijke editie van 1563, zie Kossmann 1941. Het boek is opgedragen aan Jacob Sluperius (1532-1602), van wie Laurier vóór 1562 werk uit het Latijn had vertaald. In de zeventiende eeuw zouden Johan van Heemskerck (Tekst 20) en vervolgens Jacob Westerbaen vrije bewerkingen van Ovidius' gedicht maken. ([Exemplaar UB Leiden]
Al ist by al dien / beminde leser / dat ick int oversetten van dit Boecxken den Latijnschen text van woorde tot woorde niet en heb ghevolcht en laet u dat niet verwonderen / want ick en hebbe dat niet gedaen om dat ick den Autheur niet wel en verstont / mer om diversche saken die my daer toe moveerden. Eensdeels / om dat den tijt (als Ovidius dit int Latijn schreef) niet en gelijckt den tegenwoordigen tijt. Ten anderen / om over te slaen en achter te laten donreyne onnutte propoosten die hy hier in ghebruyct heeft. Ende meest om dat heden sdaechs in dese materie ende conste niet gehandelt en wort alsmen te dien tijde plach te handelen. Oock met veel manieren / gesten / seden / habiten / spraken / en contenancen / die hy den minnaer beveelt tonderhouden / soumen nu ter tijt spotten en ghecken / ick laete staen datmen daer mede den vrouwen soude behagen. Daeromme heb ick hier en daer sulckx verandert naer mijn goetduncken / biddende den goetwilligen Leser sulckx int goede te willen verstaen. Al ist soo dat den stijl als het dicht ende die translatie slecht is / en willet daerom niet verachten / want ick en hebt niet wt eerghiericheyt / die seer cleyn daer af soude moghen wesen / oft om profijts wille gedaen / dan alleenlijck om mijn ghenoechte en tijt verdrijf. Ick en soude gheensins hebben int licht laten gaen / en had geweest door de begheerte des druckers die mijn sonderlinge goede vrient is. Aldus alle ghy Amoreuse ghesellen en Joncvrouwen / wilt dit Boecxken neerstelijc door lesen / want het u soo ick hope seer wel behaghen sal / en groote vreuchde inbringen. Sonder twijfel daer sullender veel invidieuslijck sijn gheneghen om met opgheblasen arrogantie te berispen sulcx als sij qualijck souden connen navolghen / ick late staen verbeteren. Want nijdighe
Zoili die altijts eens anders gebreck ondertastena willen / nemmermeer en slapen / maer sijn altijt sorchfuldich om in eens anders ooghe een caf te bemercken / en selve hebbende in huerlier ooghe eenen grooten balck. Ick weet wel en belijde dat tboecxken vol fauten is ende gansch niet wel gedaen / nochtans bid ick den goetwillighen Minnaer te willen mijnen arbeyt int goede ontfanghen / ende den afgunstighen dat hy sonder veel blamerens oock sijn conste thoone / op datmen mach sien oft hy sulckes te verachten weerdich is. Dit selve boecxken De arte amandi / is oock over langhen tijt in Franchoys ghetranslateert / maer tghelijct den Latijne min dan den dach ghelijckende is den duysteren nachte / hoewel ick des Translateurs arbeyt niet en verachte / want hy daer in tot goeder meyninghen sijn beste ghedaen heeft.[1] Ovidius dees Boecxkens meester beloeft allen ionghers / van wat qualiteyt die sijn / sekerlijck te vercrijghen die ghene die sy begeeren sullen / ist datse hier in als goede discipelen sijn leeringhe volghen / iae ist eenichsins mogelijck om doene / al warense oock noch so ongelijck van persone / geslachte en goede. Dus dan alle ghi Venus soudaten / die u gheern soudet vinden onder haer baniere / volcht cloeckelijc den raet en donderwijs van uwen hootman ende Capiteyn Ovidius Naso / die dalder vervarenste ende dexpeertste crijchsman is die oyt onder Cupidoos armeye was. Ghi sult weten beminde Leser dat Ovidius dese conste heeft gedeelt in drie Boecken / waer af deerste twee den mans persoonen aengaen / het derde is voor die vrouwen die hi in dese conste oock heeft willen gherieven. Achter aen heeft de Printer ghestelt diversche exempelen van Minne brieven / Refereynen / Balladen / Gheraetselen / al ter selver materien dienende. Hier mede vaert wel inden Heere beminde Leser / ende neemt onsen simpelen arbeyt in dancke / soo suldy ons tot meerder dinghen te schrijven verwecken.
***
Weet goede Leser / dat in dit Boecxken veel Brabantsche woorden sijn diemen in Vlaenderen luttel verstaet / oock sijnder vlaemsche woorden in Brabant weynich bekent / diemen wten sin lichtelijck verstaen can. Vrijen in Brabant / is in Vlaenderen / Minnen / een vrijer / dats een minnaer, &c.