De initialen ‘T.V.L.B.’ in de titel staan voor Theodore (of Theoderick) van Liefvelt, Baron, d.i. heer van Opdorp. Van Liefvelt (ca. 1555-1624), zoon van de kanselier van Brabant, studeerde in Leuven en Leiden, waar hij o.a. met Jan van Hout en Wessel vanden Boetzelaer in contact kwam. Later had hij voeling met de kring rond Justus de Harduwijn. Ook bestonden er banden met de familie Huygens. Van Liefvelt diende in het Staatse leger en is mogelijk op het slagveld omgekomen. Guillaume de Salluste, Seigneur du Bartas (1544-1590), Frans hugenoots dichter en diplomaat, werd destijds geëerd als een van de grootse dichters van zijn tijd. Zijn hoofdwerk, de omvangrijke Sepmaines, was opgezet als een wereldgeschiedenis op Bijbelse grondslag. De eerste Sepmaine, ou Création du Monde, verscheen in 1578 en beleefde talrijke herdrukken. De tweede Sepmaine bleef onvoltooid. Van Liesvelts vertaling van de Eerste weke, in puristische, genummerde alexandrijnen, was reeds in 1607 of mogelijk nog eerder geheel of gedeeltelijk gereed. De uitgave bevat een Latijns lofdicht van de in 1607 overleden Gislenus Bultelius en de approbatie is van 13 juni 1608. Van Liefvelt droeg het werk op aan zijn geboortestad Brussel en aan de Brusselse overheid. Zijn vertaling werd de eerste in een lange rij: Zacharias Heyns en Wessel vanden Boetzelaer bezorgden in respektievelijk 1616 en 1622 volledige vertalingen, maar ook Jan Moretus, Vondel, Huygens en anderen waagden zich aan Du Bartas' encyclopedische epos. Later zou Van Liefvelt ook aan een een vertaling van de ‘Tweede Weke’ gewerkt hebben, maar daar is niets van bewaard gebleven. [Exemplaar British Library]
Eerweerdighe, Doorluchtighe, Voorsichtighe Heeren.
Verstandighe goetwillige leser, alsoo ick niet en twyfele, oft vele die dit iegenwoordigh Boeck sullen lesen, souden mogen verscheydentlijck daer van spreken, een ygelijck naer zijn begryp, soo om dat de styl d'aude herkomen naervolght, als om dat de dichten zijn in haer maete gebonden; Hebbe ick wel willen verklaeren, wat hier inne aldermeest staet te bemercken, op dat ghy van dit werck des te rechtveerdigher mocht oordeelen. Soo is te weten, dat dit boeck wt de Françoische taele soo gherechticglijck overghestelt is, veers naer veers, met zijne cesure, oft pause op de seste silbe, dat daer niet aen en mangelt; Dat oock de rymen zijn overhandt masculine, ende femenine (soo dat wordt genoemt). Ende dat in de gantsche vertaelinghe niet een woordt en is ghestelt dat gheen oprecht neerduyts en is, ten waer in eenighe eyghen naemen van menschen, dieren, oft konst-alem, die niet en konnen vertaelt worden. Alle welcken bedwongen aerbeydt d'Overstelder heeft aengegrepen alleen door een liefde zijns Vaderlandts, willende daer mede betuygen, dat de Nederlandtsche taele is in haer selven geheel volmaeckt, soo dat zy geen wtlandtsche taele van doen en heeft: D'welck U.L. wel sal konnen doorgronden, als zy de dichten van dit iegenwoordigh Neerduyts Boeck medt het François sal vergelijcken, d'welck oock seer gemackelijck sal om doen zijn, midts dat van d'een en d'ander boeck de marginale getal teecken gelijck staen. Gebruyckt dan desen aerbeydt medt genuchten, en profyt, ende vaert wel.
In Brussel, 1608