Johan van Heemskerck (1597-1656) studeerde rechten te Leiden en Oxford en bekleedde verscheidene hoge ambten in zijn geboortestad Amsterdam en in Den Haag. Bekendheid als literator verwierf hij vooral met het pastorale proza van zijn Inleidinghe tot het ontwerp van een Batavische Arcadia (1637), later uitgebreid tot Batavische Arcadia (1647). Zijn Verduytste Cid (1641), naar Pierre Corneilles bekende treurspel, werd de meest gespeelde vertaling in de Eerste Amsterdamse Schouwburg (1638-1665). Zoals uit de titel en uit de onderstaande ‘Voor-reden’ blijkt, was Van Heemskercks bewerking van Ovidius' De arte amandi eerder als een imitatio dan als een vertaling bedoeld. Voor vroegere vertalingen in het Nederlands zie Tekst 8. [Exemplaar UB Leiden]
Lustighe Mede-genooten van myne groene jaren, ende ghy die onder het dack van een statige bedaeghtheyd noch een jeughdigh hert huysvest, voor u is 't dat ick dese malligheytjes ten toon stelle, ende niet voor de waen-wyse grimmers, die also haest als zy de jonckheyd verloren hebben, oock datelijck verliesen de geheughenisse van mede eens jong geweest te zijn: doch eer ghy verder gaet, so houd een weynigh stil, en hoord my eens een woord vijf ses spreken. Ick wil ter goeder trouwen met u handelen, ende u voor eerst en voor al gewaerschouwt hebben, dat dese Minne-kunst mijn werck niet en is; Ovidius heeftse voor desen opsen Rooms gesmeedt gehadt, ende ick hebse nu opsen Hollands hersmeedt, de-selvige, soo veel de stoffe heeft willen lyden, op de zeden van onse Eeuwe passende, ende nae 's lands wyse buyghende. hy heeft Roomen voor zijn doel gekosen; ick kies' Amsterdam voor de mijn: eensdeels om de beroemtheyt van dese machtige Stadt, Roomen hierin niet heel ongelijck: andersdeels om dat ick, by gebreck van meerder ghedienstigheydt, ten minsten dese eerbiedinghe aen mijn geboorts-plaetse schuldigh ben. Isser yet in dat u smaeckt, weet dan danck zijn Roomse aerdigheyd; isser oock yet in dat u walght, wijt dat mijn Hollantse bottigheyd; die van zijn goed Latijn quaed Duyts gemaeckt heeft. dan stelt daer wederom teghen, dat ick hem wat eerlijckera hebbe doen spreken, als hij wel eer in zijn eygen tael gewoon was: sijn meyninge niet te min so na komende, als onse huydens-daeghse gewoonten eenighsins toelieten, jae selfs van onse gebruyken somtijds ten deele af-tredende, om zyne bevallige aerdigheytjes niet heel te verliesen, ende hem somtijds wederom yet doende seggen, dat hy noyt gedacht en hadde, om van zijn hout pylen tot mijn koocker te maecken. 'Tis waer yemant sal my mogelijck verwijten dat ick dus doende voor
geen trouwen Vertaelder deur magh, ende dat ick even-wel gae dorsschen 't geen een ander gesneden heeft: wat schaed dat, als ick 't wel weten wil, en my niet en schame een ander hier in voor mijn wegh-wyser te erkennen: ende wat leyd daer aen of ick de spyse die ick schaffe gekoockt of verstoofd hebbe, alsse onse Genooden maer wel smaeckt. de andere vreughd-vergeten knorre-potten die niet heugchelijckx noch jeugelijckx en lesen als om haer daer aen te stooten, sal ick met recht moghen antwoorden, dat zy tot dese Feest niet geroepen en zyn, ende dat ongenoode gasten achter de deur staen. Vaert wel dertele Muts-dragertjes, te gelijck met uwe aerdige herte-steelstertjes: en so ghy dese Vader-loose Kunst der Minnen die nu op mijn vertreck, vande gene die myne beste Vrienden sijn of immers hoorden te wesen, voor een Vondelingh op straet geleyd wordt, mee-waerdelijck op-neemt, en tot mijn weder-komste goedadelijck voedstert, soo mooght ghy t'sijnder tijd wel, tot danckbaerheyd, met RAET TEGEN DE LIEFDE[1] beloont worden. In Leyden, den eersten Maert 1621.