Over Guarini's herdersspel Il pastor fido (1589) zie Tekst 21. Henrick Bloemaert (ca. 1601-1672), schilder en dichter, had in Italië gereisd en werd een prominent lid van het Sint-Lucasgilde te Utrecht. Bloemaerts versie volgde op de zeer vrije bewerking van de Pastor Fido door Theodore Rodenburg (Anna Rodenburghs Trouwen Batavier, 1617), de vertaling door Govert vander Eembd (1618) naar de Franse versie van Roland Brisset (1593), en de woordelijke prozavertaling door I.V.D.M.D.H. (1638). Zij verscheen vrijwel gelijktijdig met nog een andere vertaling, door David de Potter (Amsterdam, 1650). Zoals P.E.L. Verkuyl (1971) heeft aangetoond, bracht Bloemaert overigens niet zozeer een nieuwe vertaling van de Pastor Fido als wel een berijming van I.V.D.M.D.H.'s versie. Het boek bevat lofdichten van Vondel, Abraham van Bokstade (in het Latijn) en A. Hoogerbeets. Bloemaerts uitspraken over zijn motivering en vertaalprincipe kunnen als representatief gelden voor die van talrijke andere vertalers. [Exemplaar UB Leiden]
Myn Heere,
Plutarchus seyt, des Menschen verstandt in ledigheyt sijnde vergadert als eenen memel ende Ouderdom, door sijn duysternisse, ende de stomme ruste ende het stil-sittende leven in ledigheyt af-gesondert, verweckt, niet alleen aen de Lichaemen, maer oock aen de gemoederen, een bedervinge: het welcke ik in acht nemende, hoewel des daegs my in de Schilder-konste oeffenende, heeft my goedt gedocht de wintersche Avonden oock niet t'eenemael in ledigheydt over te brengen, oversulcx somwijlen yet fraeys lesende, is my onder anderen oock in de handt gekomen den Getrouwen Herder, eertijdts in 't Italiaens by den onweerderlicken Phenix der Poëten sijner tijdt Baptista Guarini, Ridder, uyt-gegeven, wiens over-aerdighe inventie by yder een ten hooghsten geacht, doch nimmer volpresen is, ende daerom oock over lange in de Fransche, ende naderhandt in onse Taele, de Lief-hebbers is gemeen gemaeckt. Twelck my oock over eenige Jaeren verweckt heeft om oock, als een Byken, uyt so lieffelicken Bloem eenigen Honigh uyt te zuygen, derhalven tot oeffeninge ende onderhoudinge van de Italiaensche Taele ende mijn eygen vermaeck yets van de selve in ons Nederduytsch Rijm over te setten, eyndelick door eenige vrienden aengeport om 't selve vorder by de handt te nemen ende te voltrecken, en in druck de Rijm-lievers mede te delen, heb my door so goede meeninge laeten bewegen, overdenckende de woorden van den Philosooph Seneca, daer hy seydt: Vivit is, qui multis usui est; vivit is, qui se utitur; qui verò latitant & torpent,
sic in domo sunt, tanquam in conditivo & mortem suam antecesserunt, dat is: Hy leeft, die tot dienst van veelen is, hy leeft, die sijn selven gebruyckt, maer die schuylen ende vertraegen, sijn so in haer huys als in een graf, en sijn haer doodt voor-geloopen.
Dewijl het dan een gewoon, doch niet onprijselick, gebruyck is, dat die yets in 't licht willen geven, nae een Edel verstandt, die sy haer werck toe-eygenen sullen, omsien, heeft my gheraedtsaem gedocht het selve mede te volgen, om niet te onvoorsichtigh ende vermetelt sonder eenige voorstandt ofte beschut te voorschijn te komen, also den H. Hieronimus seyt, Qui scribit, multos sumit judices; si non adsit qui defendat, qui patrocinetur, labitur scriptoris fama, Die yet schrijft, neemt veel Oordelaers; soder niemant is die hem beschermt of voorspreeckt, vervalt de Eer des Schrijvers. Waerom ick mijn ooge-merck op uw Ed. genomen hebbe, om dit mijn werck met uw Ed. gesach te bewaepenen tegens sommige Nijdigers tongen, die dickmaels meer geneyght sijn eens anders werck te berispen, dan te verbeteren of yets van haer eygen voorts te brengen, vertrouwende dat, terwijlen uw Ed. onse Schilder-konste toegedaen is ende met de selvige alreets een lof-weerdigh Cabinet gestoffeert heeft, als mede met de voornaemste ende uytgelesene Pampier-konste, dese kleyne gifte oock van een Schilders handt uw Ed. op-geoffert met een gunstigh gemoet sal ontfangen, twelck verwervende ick my geluckig sal achten ende my vorder in uw Ed. dienst verplicht houden, gelijck ick oock altijdt sal blijven.
Uw Ed. Ootmoedighste Dienaer
Henr. Bloemaert
Beminde Leser, ick deyle u mede mijn Oeffeninge van de Wintersche avonden, den Getrouwen Herder, hier voorgestelt in een Neder-duytsch kleedt, op de Alexandrijnsche Rijm-maet nu ter tijdt meest gewoon, niet volgende de Italiaensche Toneel-stijl van rijme-loose veersen; hoe wel ick weet men in de selve meer vrijheyts heeft, om naecktelijck de zin met woorden uyt te drucken, hebbe evenwel getracht de woorden ende de zin op 't naeste nae te volgen. Hebbe oock niet willen verby gaen de voor-reden onder de personagie van Alpheo, een Reviere in Arcadien, om in dese mijne vertalinge niet te laeten ontbreecken, hoe wel den Autheur de selvige meest doet spreecken op het Lof van Don Carlo, Hertogh van Savoyen, ende d'Infante Catharina van Oostenrijck, aen welckers Bruylofts-feest dit Blij-eyndende Treur-spel opgedraegen is, ende nu niet veel tot de saecke schijnt te dienen, oversulcx oock voor desen by den Franschen Oversetter achter-gelaeten is. U sal gelieven dese mijne moeyte in danck te nemen, ende wat fouten in den druck doorgeslopen sijn (waer van hier eenighe aengewesen sijn) verbeteren ende verontschuldigen, het vordere met gunste oordeelen, Vaert wel.