terug  begin  verderprepost
[p. 121]

30
Adrianus de Buck (vert.), Troost-Medecijne-wynckel der zedighe Wysheyt, Voormaels in den kercker beschreven in't latijne / tot versoetinghe sijns lijdens / Door Severinus Manlius Torquatus Boetius, Roomschen Borghemeester: Nu vertaelt / tot yghelijcks Troost ende Leeringhe / door F.D. Adrianus de Buck Canonick Norbertijn der vermaerde Abdye van Sint' Niclays binnen Veurne, Pastor van Zoutenay ende Egghewaerscappel. Brugge: Lucas vanden Kerchove, 1653

Behalve de gegevens die reeds vervat liggen in de titel van zijn vertaling van Boethius' De consolatione philosophiae, is er over de Westvlaamse Norbertijn en pastoor Adrianus de Buck zo goed als niets bekend. Hij staat geboekstaafd als de auteur van nog één ander werk, Den Geestelicken Maeghdesanck der christelicke ziele (z.pl., z.j.). Over Boethius en de vroegere Nederlandse vertalingen van De consolatione, zie Tekst 12. Van De Bucks Troost-Medecijne-wynckel zijn slechts twee exemplaren bewaard gebleven. Naar hij zelf meedeelt zou hij de vertaling hebben aangevat nadat hij met lede ogen de drukke vertaalactiviteit in de Noordelijke Nederlanden had aanschouwd. In zijn vertolking biedt De Buck van sommige gedichten twee versies, in verschillende versmaten. Het boek bevat lofdichten van I.B. (‘'Tdient al suyver’), Claude Ogiers, ‘'T ghebruyck leert’ en ‘'Tbest is noodighst’. Het is opgedragen aan Marcus Grimminck, Jacques Lammens, Jan François Grimminck en het schepencollege van Veurne. [Exemplaar UB Gent]

Myn Heeren,

Ghelijck een yder zonder twijffel gehouden moet worden voor een goet man, ende Lief-hebber sijns Vaderlandts, die het zelve pooght te vereeren, jae te verçieren met een deughdelijck leven, ende ghestichtighe zeden; alzoo houde ick hem voor den besten Borgher, Inwoonder, ende Lief-hebber des-selfs, die de deughdelijcke zeden zoo weet te mengelen met een uytvloeyende wetenschap, ende deelsaeme gheleertheydt, dat hy niet alleene sijne mede-patrioten en stichte door sijne uytnemende daeden, maer ooc de zelve verlichte met sijne verstandigheydt, ende onderwijsende schriften: want Scire tuum nihil est, nisi te scire sciat alter.

Dit hebben over menighe jaeren seer wel gheweten de gheleerde mannen van Hollandt ende Zeelandt, onse nabueren, niet alleene van Lande, maer oock van spraecke, die dit ghevoelen zoo vierighlijck hebben ghetrocken ter herten, dat sy, om haer Vaderlandt te verçieren met alderhande stoffe van Wijsheydt, niet alleene Franschen, Spaignaerden, Italianen ende Romeynen, maer oock Griecken, Hebreen, Turcken, ende Arabers hebben doen spreken in Nederlandsche tale: soo dat eenen sekeren Schrijver overzulcks van Hollandt heeft derren seggen in deser voeghen:

 
Wat sal't van Hollandt wesen?
 
Hier noemt'et iemandt bot, en daer een ander mal;
[p. 122]
 
En nae dat ick bemerck, zoo is't een wonder al.
 
Wat isser hedensdaeghs in Hollandt niet te vinden?
 
Het komt'er in ghewaeyt met alderhande winden:
 
Daer is gheen kost alleen tot voedsel van het lyf,
 
Maer oock de geesten selfs die vinden hier gheryf.

Welcke Rijmen, ofte veersen niet alleenlijc en stoffena op de Batavische leerkeurigheydt, de selve noemende Een wonder al, maer schijnen oock met eenen aen ons Vlamingen van bezijden souttelijc te verwijten onse traeghmoedigheydt ende loomheydt in het verçieren van onse moederlijcke tale, al of wy waeren eenen enckelen niet.

Dieshalven om niet langher desen laster te draghen, ende te betoonen, dat oock het West-Vlaender-landt van de Sonne beschenen wordt, ende dat'er oock vlamme woont in onse zielen, volghens het singhen van Naso:

Est Deus in nobis, sunt & commercia cœli,

Hebbe my vervoordert in onse tale te doen spreken den hoogh-geleerden Wethouder ende Roomschen Borghemeester Manlius Torquatus Severinus Boëtius, den welcken ick beminne, ende verkoren hebbe onder veel andere, om vele redenen: Ten eersten, om dieswille, dat ick niet en bevinde, dat onse teghengesinde den selven oyt zouden hebben vertaelt, misschien, om dat hy den vryen wille soo wel behandelt, ende 't vaghevier bevesticht als eenen Catholijck. Ten tweeden, om dat hy te samen soo aerdighlijck mengelt de soeticheydt sijnder rijmen met de deftigheydt, ende nuttigheydt sijnder spreucken, Omne tulit punctum, qui miscuit utile dulci. Ten derden, door dien dat in hem alle staten van menschen konnen vinden soo gheneesbaere vermaninghen in allen toeval, zoo dat het jammer is, dat soodaenighen schat dus langhe gheleghen heeft in het duyster: want Sapientia abscondita, & thesaurus invisus, quæ utilitas in utrisque? Ten vierden, om onsen Boëtium in 't licht te doen komen met sijnen Troost-Medecijne-Wynckel der zedige Wijsheyt, effen ten tijde als door Gods genade, ende door de byzonder goedjonstigheyt van onsen Catholijcken ende verwinnenden Koningh van Spaignen, de troostelijcke medecijnen van UU.EE. Wijsheydt, ende soete bestieringe, onse ziecke, ende door de Fransche wreetheydt vermoeyde zielen beghinnen te vermaecken, ende te doen verquicken.[1] Ende ten lesten, om de goede ghenegentheydt eeuwige dienstveirdigheydt, ende eerbiedighe vriendschap van ons gheheele Norbertijnsche gemeynte tot UU.EE. door mijne penne levendigh uyt te beelden, ende te besweeren. Niet twijffelende, ofte desen mijnen Boëtius, als wesende van weirdigheydt eenen Wethouder ende Man van state, en sal met een vriendelijc aenschijn willekom wesen by sijns ghelijcke, te weten by UU.EE. loffelijcke gheselschap, van het welcke den tabbaert van Wetten soodaenighen glans ontfanght, datmen niet lichtelijck onderscheyden en kan, wie van twee den anderen meer verçiert, oft UU.EE.. den staet van 't Schependom, ofte het Schependom UU.EE. persoonen. [...]

astoffen: pochen, hoog opgeven van
[1]Veurne was in 1646 door Franse troepen veroverd. De vredesonderhandelingen tussen de aartshertog Leopold Willem van Oostenrijk, sinds 1647 landvoogd van de Zuidelijke Nederlanden, en Gaston van Orléans, de Franse luitenant-generaal tijdens de minderjarigheid van Lodewijk XIV, liepen in 1650 op niets uit.
prepostterug  begin  verder