Zoals W.A.P. Smit (1975: 594-636) heeft laten zien, ontstond er tussen 1650 en 1670 een hausse in de Nederlandse Vergilius-vertalingen, vooral wat de Aeneis betreft. Vertalingen van afzonderlijke boeken, in proza of in verzen, werden tussen 1651 en 1656 in Noord en Zuid geleverd door Matthijs van de Merwede, Gerard van Delft, Vondel (zie ook Tekst 26), Westerbaen en een anoniem vertaler. Tussen 1660 en 1663 volgden vier volledige versvertalingen: die van Vondel (1660), Jacob Westerbaen (1662), Roeland van Engelen (1662, onvoltooid) en tenslotte Dirck Doncker. Deze laatste versie, die schatplichting blijkt te zijn aan Vondels prozavertaling uit 1646, is regel voor regel vertaald, met genummerde regels teneinde het naslaan te vergemakkelijken. Met deze vertaalwijze volgde Doncker het voorbeeld van Hendrik Bruno's Eclogae ofte Harders-kouten van 1653. Ook Jonas Cabeljau (Tekst 34) was overeenkomstig dit principe te werk gegaan. Het boek bevat een Latijnse opdracht aan Jacob Bonser, vroedschapslid van Gouda, alsook een groot aantal lofdichten, waaronder een van Hendrik Bruno. Doncker (?-?) vertaalde later ook Vergilius' Eclogae en Georgica (1688). De ‘Redestryd’ die volgt na het twaalfde boek en in de eerste druk niet voorkomt, is ontleend aan de tweede druk. [Exemplaar KB Den Haag (tweede druk, 1688)]
Kunstlievende ende zeer bescheyde Lezer:
Gemerkt ik hier vóórtbrenge een slecht en overnufig werk, (besluitende dies niet-te-min, in zich zelve, langduirende moeij'lykheden) aangevaard doôr de nieuwsgierigheid en den inwendigen trek tót onze ryke Nederduidsche spraak; geliefd met geen voôróórdeel te berispen, (hoewel het misschien by uitmuntende verstanden voôr mispryzens-waardig zal werden opgenomen:) maar te overweêgen myne welgegronde meeninge, strekkende alleenelyk tót opwekkinge van braver Vólgers, om 't zelfde met scherpzinniger herssenen, hóógdravender styl, en çierlykker wóórden, in gelykke bepalinge, te verbeteren. Ik staâ vrymoedig toe, dat den onnaarvólgberen Phœnix der Poëten de Heer Jóóst van Vondel; óók den zeer geleerden, en wys-beroemden dichter de E.E. Jakób Westerbaan Ridder, Heer van Brandwyk en Gybland, (twee oprechte zuilen van Parnassus, en waardige stamhóófden der toekomende eeuwen, óók vlytige aanlókkers, en doôrslepe wegwyzers voôr de tegenwóórdige hóógstvliegende geesten tot de Hóllandsche rymjunst) in deftiger gedicht, en klaerder zin, wydlóópender Virgilius hebben overgezet, voôr welkkers Orakelen myn penne met minder ervarendheid, óók dommer bestieringe begaafd, zich vinde geketend; ja erkenne redelyk te moeten altyd ned'rig buigen.[1]
Dat ik in verscheide eigen namen, en zommige redenen, veêl verkórtingen gebruikt hebbe, de vereischte vloeijendheid óók niet getroffen, in tegendeel merkkelykke hardigheid gepleêgd, heêft de doôrgewróchte schranderheid des Auteurs veróórzaakt, wiens zinnerykke wóórden bynaar al, voôr gulde spreukken
verdienen gewaardeêrd, en naauwelyx in enkkele duidsche, konnen worden vertaald. Tot zekerheid des proefs van dit myn gevoelen, kan een yder vólgens zyn drift, het eene, ófte het and're boek ter hand grypen, en zulx mede óók eens onderstaan; die buyten twyfel, met my, daar in doôr ervarendheid, zal over-een-komen, en nevens verscheide bebreinde óórdeelen getuigen, dat de held're stralen van zóô een klaarblinkkende zonne, zeer bezwaarlyk met een verbasterd pençeel zonder afwykking van de óirspronkkelykke eigenschap, naar eisch en behóóren konnen werden uitgebeêld. Waar op, tót tegenwerp, lichtelyk heb te verwachten, prysselykker dan te zyn, niet te beginne, als vruchtelóós een wichtig stuk aan te vangen, en 't zelfde onçierlyk te voltrekken. Maar antwóórde: gelyk verandering van kóst op ongewone wyze toebereid, grage tongen ontsteêkt tót proeving, zóó beêlde my óók in, eenige lust nóch tót het lezen, by zommige, doôr deze myne gedronge regel-besnydinge, te zullen verwekken, en hier doôr, als met de galm eens trompets, den optócht der vierige kunst-liefhebbers aan te moedigen, om yder met de penne te bestaan dit myn gering begonne werk pryswaardiger af te malen.
Tót meerder geryf, en gemakkelykker behulp des lezers, heb op den kant met çyferletteren het getal der regelen aangewezen (edóch de halve afgebroôkene niet gerekend) om te vaardiger Virgilius in zyn Latynsche vaarzen daar op te konnen naarzien: óók mede gesteld de waardigste leer-spreuken, die Maro zelve in zyne uytmuntende werken óirspronkkelyk heêft vóórtgebrócht, doôrgaans van óuden herkomen gebleven in hóóge achting, en als nóch strekkende voôr luisterbarende diamanten, tusschen hedendaagsche gemeene samenspraakken; om, ófte myn duidsche styl iemand te veêl walgde, ten minsten zóude eenige genoeging trekken met zommige keurelykke blommen, gelyk uit eenen verzamelden aangenamen ruikker, te mogen plukken, zonder gehóuden te zyn om naar de zelfde lange te zoeken: biddende myn óógmerk ten besten te willen duiden, óók van mynen arbeid maar aan te nemen het gene U.E. bescheidenheid zal schynen behaagelykst; vóórts al 't vórdere, als ondienstig voôrby te gaan en niets byzonders te achten; waar mede my eers genoeg zal wórden bewezen, óók ik myn gemikte doelwit zal hóuden, voôr volkomendlyk, naar wensch, getroffen, en my verplicht kennen, om te volharden in de genegentheid van gestadig te mogen wezen, met alle onderdanigheid:
Uw E. gonsttoedragende dienaar,
Dirck Doncker