Proeven van zinsontleding.

88.

De beschouwing der verschillende taalverschijnselen in den enkelvoudigen zin, welke in het vorige hoofdstuk voltooid is, kan alleen tot zoodanige vertrouwdheid met die verschijnselen leiden, als voor het geven van taalonderwijs

[p. 148]

onmisbaar is, indien de verkregen kennis door toepassing wordt bevestigd. Dit kan geschieden door de bekende oefening, welke onder den naam van zinsontleding bekend is.

Deze oefening kan op twee manieren gehouden worden. Al de deelen van een zin kunnen worden beschreven, of deze benoeming kan zich bepalen tot enkele bepaald aangewezen deelen. De eerste manier is het omslachtigst, doordat zij de noodelooze beschrijving van telkens terugkeerende zinsdeelen insluit. Als regel verdient daarom de tweede manier de voorkeur, waarbij hoofdzakelijk de aandacht op de merkwaardigste deelen van eene reeks van zinnen gevestigd wordt. Intusschen is het nuttig, haar nu en dan door de eerste af te wisselen.

Bij het benoemen van zinsdeelen is het wenschelijk, zich niet alleen van de functie, maar ook van den vorm rekenschap te geven. Bij de gezegden, onderwerpen en voorwerpen is in dit opzicht niet veel afwisseling en kan het wel achterwege blijven; bij de drie groepen van bepalingen komt, gelijk gebleken is, meer veelvormigheid voor en is beschrijving van den vorm zeer nuttig.

De volgende voorbeelden zijn eene proeve, hoe een en ander op vlugge en overzienbare manier kan geschieden.

 

I. De mannen van handel en nijverheid, de groote macht in staat en maatschappij onzer dagen, hebben genadiglijk hunne toestemming gegeven tot eenige weken vorst. (Mededeelende zin).


hebben gegeven gezegde.
de mannen onderwerp.
van handel en nijverheid bijv. bep. bij mannen (voorz. + znwd.)
hunne toestemming lijd. voorw. bij hebben gegeven.
hunne bijv. bep. bij toestemming (bez.vnwd.).
tot eenige weken vorst oorz. voorw. bij hebben hunne toestemming gegeven  1)  .
eenige bijv. bep. bij weken (telw.)
vorst bijv. bep. bij weken (bijstelling).
genadiglijk bijw. bep. van hoedanigheid bij hebben gegeven (bijw.).

 

 

 1)  Deze classificatie berust hierop, dat wij in hunne toestemming geven weer één begrip zien.


[p. 149]

II. Hoe kon het gehoor van onzen eersten dichter zijner verbeelding zoo zeer de wieken knotten! (Uitroep in den vorm van een vragenden zin).


kon knotten gezegde.
het gehoor onderwerp.
van onzen eersten dichter bijv. bep. bij gehoor (voorz. + znwd.).
eersten bijv. bep. bij dichter (telw.).
onzen bijv. bep. bij eersten dichter (bez. vnwd.)
de wieken lijd. voorw. bij knotten.
zijner verbeelding meew. (bezittend) voorw. bij id.
zijner bijv. bep. bij verbeelding (bez. vnwd.).
zoo zeer bijw. bep. van graad bij knotten (bijw.).
hoe bijw. bep. van oorzaak bij knotten (bijw.).

 

In de volgende voorbeelden bepaalt de ontleding zich tot de door cursiveering aangewezen zinsdeelen en volgt de beschrijving van den vorm der bepalingen alleen, als die niet al te gewoon is.

 

III. Het (oog) ziet het voorspook des gevechts zijn honderd armen ijvrig roeren.


ziet gezegde.
het voorspook lijd. voorw. bij ziet.
des gevechts bijv. bep. bij voorspook (genitief v. kenmerk).
roeren bep. van gesteldheid (2e soort) bij voorspook.
zijn armen lijd. voorw. bij roeren.

 

 

IV. Ge hebt nu al een halfuur daar alleen liggen mijmeren met uw hoofd buiten boord.


hebt liggen gezegde.
mijmeren bep. van gesteldheid (1e soort) bij ge.
alleen bijw. bep. van omstandigheid bij hebt gelegen (bijw.).
met uw hoofd buiten boord bijw. bep. van omst. bij hebt gelegen.
al  1)   bijw. bep. van omst. bij hebt gelegen.

 

 

V. Vooreerst hebben wij aan den titel van ouderwetschen winter van der jeugd af aan de gedachte aan iets zeer groots en eerbiedwaardigs leeren verbinden.

 1)  Al wijst hier op de omstandigheid, dat de spr. den tijdduur lang vindt.


[p. 150]


hebben leeren gezegde.
verbinden lijd. voorw. bij leeren.
de gedachte lijd. voorw. bij verbinden.
groots en eerbiedwaardigs bijv. bepalingen bij iets (partitieve genitieven).

 

 

VI. Arbeidende runderen te muilbanden heeft van oudsher bij alle volken voor een onhoffelijk bestaan gegolden.


heeft gegolden gezegde.
te muilbanden onderwerp.
runderen lijd. voorw. bij muilbanden.
voor een onhoffelijk bestaan bep. van gesteldheid (2e soort) bij muilbanden

 

 

VII. De Engelsche heeren maakten hun compliment aan den Koning over zijne onmetelijke populariteit.


hun compliment lijd. voorw. bij maakten.
aan den koning meew. voorw. bij maakten hun compl.
over zijne populariteit oorz. voorw. bij maakten hun compl.

 

 

VIII. Volontairs vallen eigenaardig in twee klassen te verdeelen: inheemsche en uitheemsche.


vallen te verdeelen naamwoordelijk gezegde.
te verdeelen naamw. deel van het gez.
in twee klassen bep. van gesteldheid (2e soort) bij volontairs.
inheemsche en uitheemsche (volontairs) bijv. bep. bij klassen (bijstelling).
eigenaardig bijw. bep. v. hoedanigheid bij vallen te verdeelen.

 

 

IX. Echter een blauwtje moest zijn lot zijn.


moest een blauwtje zijn naamw. gezegde.
zijn lot onderwerp.
echter bijw. bep. van toegeving bij het gez.

 

 

X. Winnen de schreeuwers der hoofdstad het van die der hofstad in welluidendheid?


het loos lijd. voorw. bij winnen.
van die bijw. bep. van beperking bij winnen.
in welluidendheid bijw. bep. van beperking bij winnen.

 

Ten slotte volgen nog eenige voorbeelden om op gelijke wijze behandeld te worden.

 

Bovendien geniet de Maatschappij als aanzienlijk handelslichaam zelve, dag aan dag, uur aan uur, bijna onmerkbaar bij iedere transactie,

[p. 151]

maar deugdelijk merkbaar bij de jaarlijksche onkostenrekening, mede al de voordeelen van den goedkoopen waterweg.

Tot het aanbieden van een adres van condoleantie aan den Koning wordt besloten.

Ziet ge daar dat gevaarte zich afteekenen tegen de lucht?

De inheemsche vrijwilliger blijft onzen klerk eene rots der ergernis.

In de dagen van Willem IV placht men den handel op ieder slempmaal te gedenken onder den toast van:de zieke bruid!

Noch reukwerk, noch wierook, gaan in zoetheid het windje te boven, van de geuren des hooiwagens zwaar.

Als ware het afbreken hun lust geworden, beijveren eenige historische critici onzer dagen zich, om feiten te ontzenuwen tot fabels.

En de vorst, dien zijne eeuw den wijzen noemde, had om afkomst en gebied zijn jeugdig hoofd aangewezen, als het waardigste van alle voor Karel den grooten's diadeem.

 Ter vlakte voort als zij! - waar tal van heuvelklingen,
      Versierd met lentes eersten dos
 In gouden regen en in bloeiende seringen
      Haar rechterzij begrenst door bosch;
 Terwijl haar slinke, die de groote weg omkronkelt
      In honderd groepen  1)   blijken geeft,
 Dat hier, waar aller geest wedijverende vonkelt
      Tot in 't vernuft gelijkheid leeft.
      (Potgieter).
 1)  Nl. toeschouwers bij de Revue.