Proeven van zinsontleding.113.Met de vorige paragraaf is de beschouwing van de voornaamste verschijnselen in den samengestelden zin afgeloopen. Een onderzoek naar de verschijnselen, op te merken bij den opbouw van zinnen tot perioden, tot een organisch gedachtengeheel, blijft hier achterwege. Vooreerst omdat de opmerkingen, die ten aanzien van dit onderwerp te maken zijn, meer tot het gebied der stijlleer te brengen zijn, d.i. het overzicht van de middelen, die de doelmatigheid of fraaiheid der gedachtenuiting bevorderen kunnen. Maar ook omdat de strengheid van vroegere klassieke voorschriften plaats gemaakt heeft voor eene algeheele vrijheid, waarvan eene eindeloos rijke verscheidenheid van gedachtenvormen het gevolg is geweest. Het blijft steeds de moeite loonen, daarvan bij dichters en schrijvers van den eersten rang studie te maken. Maar hier wijkt het algemeene voor het bijzondere en het nagaan van de eigenaardigheden en geheimen, die in dit opzicht te bespieden vallen, behoort tot het gebied van de vaktijdschriften. Om met de verschijnselen van den samengestelden zin vertrouwd te worden en bij de lectuur kunstig gebouwde zinnen snel te doorzien, is eenige oefening in het ontbinden van samengestelde zinnen gewenscht. De opmerkingen, in het 1e stuk over dit onderwerp gemaakt, gelden ook hier; geheele zinnen kunnen ontleed worden, of de benoeming kan zich bepalen tot enkele aangewezen zinnen. Het verdient ook aanbeveling, zich in het kort rekenschap te geven van den vorm. In de volgende proeven komen van een en ander voorbeelden voor.
I. Terecht zou men zich er over beklagen, dat de geestige Breéro, die ons in deze weinige regelen de stoffage van een koopmanskantoor zijner dagen heeft geschilderd, er geen teekening van de klerken zijns tijds bijvoegde, als het minder waarschijnlijk was, dat men het beroep, waarvoor thans een patent van kantoorbediende wordt vereischt, toen nauwelijks kende.
II. Immers, het valt licht, zich een zeehandelaar der zeventiende eeuw voor te stellen, die er slechts een factotum voor het loopende werk op nahield, en misschien een boekhouder bezoldigde, welke wekelijks eenige uren de zaken kwam bijschrijven, - tenzij de zucht voor geheimhouding, onzen handel eigen, den man aanspoorde, geen derde toe te vertrouwen, wat niemand behoefde te weten, dan hij en zijne vrouw.
Het fragment bestaat uit twee nevengeschikte zinnen, verbonden door het voegw. bijw. immers. II. bevat den grond voor de veronderstelling in het slot van I.
I. is een samengestelde zin, bestaande uit:
II. is een samengestelde volzin, bestaande uit:
Beschrijving van den vorm. I a en II a zijn mededeelende hoofdzinnen. I b en e zijn bijzinnen type-a. II h is een bijzin type-c. I c en f en II c 1, c 2 en d zijn bijzinnen type-d. I d en II e zijn bijzinnen type-e. II b, f en g zijn beknopte bijzinnen. II i is een onvolkomen bijzin.
Het fragment is één samengestelde zin, bestaande uit:
|
1) Volledig: dan dat hij en zijne vrouw
het behoefden te weten.
2) Parijs.
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Beschrijving van den vorm: a is een gebiedende hoofdzin. g is een bijzin type-c. d is een bijzin type-d. c en e 1-4 zijn bijzinnen type-e. b is een bijw. bijz. van toegeving in den bijzonderen vorm van een hoofdzin in de aanv. wijs, en f 1 en 2 zijn bijw. bijz. van toegeving in den vragenden vorm, voorafgegaan door het bijw. al.
Het fragment, de aanhef van Zegemonds alleenspraak uit het tweede bedrijf van Baeto, waarin Hooft de priesteres een natuurlijk bewijs voor het bestaan der godheid in den mond legt, bestaat uit twee nevengeschikte deelen, waarvan II den grond inhoudt voor de bewering in I.
I is een samengestelde zin, bestaande uit:
|
1) Gemack oft maxel spillen = de
doelmatigheid of de schoonheid bederven.
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
II is een samengestelde zin, bestaande uit:
Beschrijving van den vorm: I a en II a zijn mededeelende hoofdzinnen. I b en e en II c en f zijn bijzinnen type-a. II e 1 en e 2 zijn bijzinnen type-c. II g is een bijzin type-d. I c en d, en II d 1 en d 2 zijn bijzinnen type-e. II b is een bijzin in den vorm van een gebiedenden hoofdzin. I f en g zijn beknopte bijzinnen.
Ten slotte volgen nog eenige zinnen, om op gelijke wijze ontbonden te worden.
Ja het kwam ons weleens voor, - maar wij erkennen terstond, dat die gedachte hoogst ongepast was, - alsof die oudjes van dagen, |
1) Naar den vorm bestaat er tusschen dezen
zin en de rest eigenlijk nevenschikkend verband; naar de beteekenis is het
gebod als eene voorwaarde te beschouwen.
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
die met zooveel opgewondenheid ons plachten te verhalen van den ouderwetschen winter van 't jaar zooveel en zooveel, het gerinkel der narresleden, het krassen hunner vlugge schaats op het prachtige ijs van toen en het klapperen der vlaggen daarom zoo liefelijk door het rooskleurig winterneveltje hunner herinnering hoorden klinken, omdat dat winterneveltje hen in den vollen bloei van jeugd en levenslust had zien zwieren op de vlakte, terwijl liefste ‘voorreed’ en schuchter vertrouwen in de opgelegde hand aanhaakte..., omdat er met één woord vroeger noch later voor hen zulk een rooskleurig winterneveltje en zulk een dag van bloei geweest was. (Gorter.)
Evenals die Hooggeleerde Heer, - dien ik in de Kon. Academie van Wetenschappen aan zijne medeleden hoorde vragen, twee jaren nadat die doorluchtige vergadering zekere merkteekenen had laten stellen, waarop de late naneef wellicht de verzakking onzer vaderlandsche kust zou kunnen aflezen, indien het namelijk geen dwaasheid mocht blijken, aan eene verzakking te gelooven; - evenals die Hooggel. Heer vroeg: ‘Hoe staat het toch met de verzakking van Zeeland? Ik merk daar zoo niets van,’ - zoudt gij elken dag uwen vooruitgang willen opteekenen. (Gorter.)
Geen der vorsten uit het huis van Oranje is, wat de veraanschouwelijking van zijn tijdvak in deze zalen betreft, gelukkiger te prijzen dan Frederik Hendrik, indien gij u aan het kleine anachronisme niet ergert, dat ik den stukken, ter gedachtenis van den vrede te Munster vervaardigd, plaats geve in zijn gulden vierde eener eeuw. Wij zullen slechts rechtvaardig zijn, zoo we dus om zijne beeltenis niet enkel de lauwertwijgen vlechten, welke hij zich verwierf; zoo we om deze tevens de olijftakken strengelen, die hem aanlachten op zijn sterfbed, die gepast hadden bij zijne baar. (Potg.)
Indien ik u al weder sprak van duizenden voeten, van uren klimmens, en van stronken en bonken, en paden, glibberig door het afsijpelende water uit bergaders of groeven van vorige sneeuw- en steenvallen, - gij zoudt zeggen: ‘dat wordt eentonig’, en toch. M.H.! heeft de wezenlijkheid aldaar weinig, dat overeenkomt met hetgeen men reeds gezien heeft; maar de groote vermoeienis der beklimming langs een steil en nauw pad, dat somtijds afgebrokkeld is en bijna verdwijnt, zou alle genot verbitteren, indien men niet, of om adem te scheppen en de kniepezen te laten uitrusten, of om te zien wat rondom ligt, stil stond en opmerkte, hoe men al klimmende het breede dal ruimer in zijne lengte overziet met de tegenoverstaande spitse rotsen, die van beneden uit het dal gezien, de wolken doorboren en het gezicht op de kroon van het gebergte belemmeren; hoe zij allengs met den klimmer op gelijke hoogte komen, en nu de Mont-Blanc, als een reus onder de grooten, meer en meer rijst en zijne drie ontzaglijke kruinen vertoont, die achter elkander wegwijken, waar sneeuw en ijs nooit smelten, en geen verandering is, dan die der donkere striemen, door vallende klompen en sneeuwvallen geploegd. (J. Geel).
't Is wel waar, dat eigen lof stinkt, zoo als 't spreekwoord zeit,
maar ik moet evel bekennen, dat mijn baas daar gelijk in heeft, als hij ronduit
bekent, dat hij in de heele stad geen nuchterder en naarstiger werkgast kent;
'k mag nou en dan 's avonds eens een kannetje bedelaarsbier er in zetten, maar
't beurt me zelden, dat ik boven een half pintje jenever op eene reis nuttig,
en daar weet ik al zooveel van, alsof ik een glas water er binnen had geslagen. Wat nou 't waarnemen van mijn tijd aangaat, zal je gelieven te weten, dat, gelijk men altijd niet blokken kan, ik door de bank Zaterdags 's middags en Zondags met sommige hupsche kameraads me wat verdiverteer, en binnen of buiten de stad eens onder een kloddertje, dat toch 't beste koop is en 't verste strekt, een belbruidje of een jasje speul, maar ik kan je zeggen, dat ze 't geen ze daarmee van me winnen, wel voorbij de schout zijn deur mogen dragen. 't Maandagje knoop ik er ordinair nog aan, maar 't beurt zelden, of 't moest op sommige dorpen juist kermis wezen, of ik ben Dinsdags's middags weer op den winkel en aan 't werk, zoodat ik, versta-je wel, de eene week door de ander nog wel een gulden of vijf win, zonder te rekenen, dat ik in huis nog weleens een paar schoenen of muilen voor een goed vriend lap. Je zult me misschien vragen, wat jij daarmee te doen hebt, maar heb maar een amering patientie, en je zult wel zien, waarom ik je dat alles zoo van stukje tot beetje verteld heb, en waar ik heen wil. (J. van Effen.)
|
1) Seneca, leermeester van Nero.
2) In het zich zelf gelijk blijven in het
willen en het niet-willen.
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||