[p. 132]

Werkings- of toestandswoorden.

Werkwoorden.

74.

In § 4 zijn als eene derde hoofdgroep onder onze voorstellingen en begrippen die van werkingen vermeld. Bij de ontwikkeling van het begrip zelfstandigheid (§ 9, Opm. 1-8) is echter gebleken, welk een nauw verband er bestaat tusschen eigenschappen eenerzijds en toestanden en werkingen aan den anderen kant. Verder ook (Opm. 6), hoe toestanden en werkingen bij belangrijke punten van verschil toch ook zeer vele punten van overeenkomst hebben en de grens tusschen beide zeer vlottend is. En eindelijk, hoe eigenschappen, toestanden en werkingen weer in nauw verband staan met de zelfstandigheden of dingen zelf, nl. dat zij steeds als elementen van zelfstandigheids-voorstellingen zijn te beschouwen, maar ook dat zij door het denken op hunne beurt weer als zelfstandigheden opgevat kunnen worden.

Aan de orde is nu, te onderzoeken, op welke wijze de taal in dien logischen samenhang scherper scheiding te voorschijn doet komen, zoodat het mogelijk wordt uit te maken, welke woorden tot de grammaticale categorie der werkwoorden te brengen zijn. Nader licht verschaft hier de leer van den enkelvoudigen zin en in het bijzonder de leer van het gezegde. (Vgl. I § 3-9). Terwijl de substantieve woorden hoofdzakelijk in de functie van subject en object, en de adjectieve woorden voornamelijk in die van adnominale bepaling voorkomen, zijn de werkwoorden in hoofdzaak gezegdewoorden, d.w.z. woorden, die eene werking of toestand niet enkel noemen, maar die vermelden als aan ruimte (d.i. aan eenig ding) en

[p. 133]

aan tijd gebonden. Daardoor is het werkwoord het voornaamste en tegelijk het veranderlijkste deel van een zin geworden. In rijke verscheidenheid van vormen heeft deze categorie van woorden zich in de zinnen ontwikkeld, tal van onderscheidingen uitdrukkend, waarvan persoons- en tijdsverschil de voornaamste zijn. Deze persoonsvormen staan bij de beschouwing van het werkwoord op den voorgrond.

Op den tweeden rang staan de naamwoordelijke (nominale) vormen van het werkwoord, (infinitief en deelwoorden), vormen, waardoor de werking als eene zelfstandigheid of als eene eigenschap kan worden voorgesteld, en die dus het werkwoord tot de beide eerste hoofdgroepen: de zelfstandigheids-woorden en adnominale woorden, doen naderen. Toch blijven deze naamwoordelijke vormen in de zoogenaamde samengestelde tijdvormen ook aan de functie van gezegdewoord deelnemen.

Een ander verschil, dat op de orde van behandeling eenigen invloed heeft, is het volgende. De regel is, dat een werkwoord op zichzelf volstaat om het gezegde uit te drukken. Deze werkwoorden zullen in de volgende beschouwingen met den naam van zelfstandige werkwoorden onderscheiden worden. Er zijn echter ook eenige werkwoorden, die daartoe eene verbinding hetzij met een naamwoord, hetzij met een ander werkwoord moeten aangaan, en die bekend zijn onder den naam van koppel- en hulpwerkwoorden. Het zal blijken, dat de grondbeteekenis dezer werkwoorden in den regel min of meer verbleekt is, zoodat ze het karakter van vormwoorden krijgen en voor een deel buiten het algemeene begrip ‘werkwoord’ vallen.

Op grond van de aangewezen verschillen zal daarom de volgorde deze zijn:

1o. het werkwoord in zijne hoofdfunctie van gezegdewoord of zelfstandig werkwoord;

2o. de koppel- en hulpwerkwoorden;

3o. de naamwoordelijke vormen van het werkwoord.

 



[p. 134]

Het werkwoord als gezegdewoord.

75.

Een werkwoord is een woord, dat door min of meer belangrijke wijzigingen van zijn vorm eene werking voorstelt als verbonden aan eene genoemde of aangeduide zelfstandigheid en aan eenig punt in den tijd.

Het begrip werking omvat in grammaticalen zin alle doen of bewegen, alle gebeuren of veranderen (= anders worden), dat wij aan of in de zelfstandigheden onzer uiterlijke en innerlijke ervaring waarnemen. Door dit verband tusschen de zelfstandigheden en de werkingen heeft de tegenstelling tusschen wezen en ding, persoon en zaak (vgl. § 11) ook eene tegenstelling bij de werkingen ontwikkeld: de wezens doen of handelen, de dingen worden of komen in een toestand.

Een doen stellen wij ons nl. voor als een uitwerksel van innerlijke kracht; een worden of in een toestand komen als het gevolg van uiterlijke of geheel buiten het willen liggende invloeden. Hierbij is intusschen niet uit het oog te verliezen, dat ook van wezens een veranderen kan vermeld worden, terwijl de dingen herhaaldelijk mede als doende worden voorgesteld.

En eindelijk nog, dat er bovendien eenige werkwoorden zijn, die noch een doen, noch een veranderen, maar alleen het zijn en blijven in een zekeren toestand uitdrukken.

Alzoo zijn de beteekenissen der werkwoorden in overeenstemming met de indeeling der beteekenissen van het gezegde (vgl. I § 3) in de volgende groepen te verdeelen:

1o. Werkwoorden, die een doen of handelen, d.i. een met meer of minder duidelijk willen gepaard zinnelijk of onzinnelijk bewegen beteekenen: loopen, rijden, vliegen, kruipen, zien, hooren, voelen, ruiken, proeven, lichten, schijnen, klinken, piepen, geuren, smaken, drukken, waaien, stroomen, vriezen, kennen, begrijpen, denken, gevoelen, treuren, haten, willen, begeeren, enz.

2o. Werkwoorden, die een niet-doen of niet-veranderen, d.i. een verkeeren in een toestand beteekenen: zijn (bestaan of zich bevinden), blijven (niet weggaan), staan, zitten, liggen,

[p. 135]

rusten, hangen (hangend zijn), drijven, zweven, droomen, slapen, suffen, gloeien, leven, enz.

3o. Werkwoorden, die een veranderen, d.i. het overgaan in een anderen staat of toestand beteekenen: vallen, stijgen, rijzen, dalen, aankomen, vertrekken, groenen, verdorren, smelten (vloeibaar worden), verteren (te niet gaan), vermeerderen, verminderen, veranderen (meer, minder, anders worden), korten, lengen, enz.

De tegenstelling tusschen de eerste en de derde groep, waartusschen de tweede als overgangsgroep gelegen is, wordt ook door grammaticaal verschil uitgedrukt; het voltooide doen wordt met behulp van het werkwoord hebben, het voltooide veranderen met behulp van het werkwoord zijn vermeld: geloopen, gehoord, gekend, begeerd hebben, enz. tegenover: gevallen, aangekomen, veranderd zijn, enz.

Het komt intusschen voor, dat een werkwoord met meer beteekenissen tot verschillende groepen kan behooren. Bedaren kan beteekenen bedaard maken (1o.) en bedaard worden (3o.); trouwen is in het huwelijk treden (3o.); maar ook in het huwelijk verbinden of bevestigen (1o.); koken is in kokenden toestand verkeeren (2o.), maar ook kokend maken (1o.); smelten, verbranden, enz. is in een toestand brengen (1o.) of in een toestand komen (3o.), enz. Ook de meeste bewegingswerkwoorden loopen, rijden, varen, wandelen, kruipen, springen, enz., beteekenen nu eens een doen, dan weer een van plaats veranderen, enz.

 

Opmerkingen. 1. De naam werkwoord en de definitie van het begrip werking hebben in den loop der tijden tot heel wat geschrijf aanleiding gegeven  1)  . Wat dien naam betreft, de opmerking in § 5, Opm. 2, dat in een naam ‘maar een enkel kenmerk ligt opgesloten en in den regel niet eens het voornaamste,’ kan er toe leiden, om er niet aan te tornen en zich tevreden te stellen, met aan den klassieken naam eene zoo juist mogelijke beschrijving van zijne beteekenis te verbinden. Namen als toestandswoord, tijdwoord, gezegdewoord zijn even onvoldoende, omdat zij ook niet meer dan een enkel kenmerk uitdrukken, en alzoo niet de minste kans hebben om een geijkten naam te verdringen.

 1)  Zie het Aanhangsel.


[p. 136]

Wat de beteekenis der werkwoorden aangaat, ook hierbij moet men er van afzien, die door een enkel woord of eene enkele uitdrukking te willen weergeven. Of men eene werking beschrijft als een doen, een handelen, een zijn of blijven op eene plaats of in een toestand, een worden of komen in een toestand, een zinnelijk of onzinnelijk bewegen, veranderen of gebeuren, enz., telkens omvatten dergelijke termen slechts een gedeelte van de werkingen, die we ons kunnen voorstellen. Dit is een noodzakelijk gevolg der veelzijdigheid van het begrip ‘werking’. Reeds Aristoteles was, gelijk bleek (§ 7, Opm. 2), genoodzaakt om het in vier categorieën te splitsen: doen, ondergaan, hebben en liggen. Er valt dus niet anders te doen, dan door analyse het begrip werking te begrenzen.

2. Het werkingsbegrip is de tegenstelling van het zelfstandig-heidsbegrip. Het allervoornaamste kenmerk van het laatste (vgl. § 9, Opm.. 2) is absolute of relatieve bestendigheid. Tot het wezen van eene werking behoort het kenmerk beweging of verandering. Als de dingen niet waarneembaar veranderden, waren er geen werkingen. Maar hieruit volgt ook, dat alle bewegen of veranderen steeds verbonden is aan een ding.

De eerste uitbreiding van het werkingsbegrip is deze, dat het niet-bewegen of niet-veranderen der dingen blijkens het bestaan van een aantal werkwoorden óók als werking opgevat wordt: zijn als tegenstelling van worden, blijven van heengaan, liggen van staan, rusten van werken, zweven van dalen of stijgen, drijven van stijgen of zinken, enz.

Verder volgt het werkingsbegrip de splitsingen en uitbreidingen van het dingbegrip. Er zijn zinnelijke en onzinnelijke werkingen, zooals er zinnelijke en onzinnelijke zelfstandigheden zijn: natuurbewegingen, zoowel als menschelijke en dierlijke bewegingen, maar ook bewegingen in ons bewustzijn (vgl. de voorbeelden). En de mogelijkheid is niet uitgesloten, dat die werkingen tot een zeker aantal grondbegrippen zouden kunnen teruggebracht worden. Dit is echter uit een grammaticaal oogpunt van geen belang, al zal het in de volgende beschouwingen nu en dan noodig zijn, een of andere groep werkwoorden aan te wijzen, door de gemeenschappelijke beteekenis te vermelden, b.v. werkwoorden, die een waarnemen beteekenen: zien, hooren, ruiken, voelen, vinden, enz.; of bewegingswerkwoorden: loopen, rijden, varen, springen, kruipen, enz. Alleen in de leer der woordvorming wordt het noodig, de beteekenissen der werkwoorden tot zekere groepen te brengen en verder behoort de synonimiek der werkwoorden tot het woordenboek.

Er is intusschen in de werkingen een verschil, dat aanleiding geeft tot de grammaticale scheiding, aan het slot der paragraaf vermeld. De natuurwetenschap onderscheidt mechanische en organische bewegingen, de eerste door uitwendige, de laatste door inwonende krachten veroorzaakt. De taal, schoon wat populairder en ruwer,

[p. 137]

(vgl. § 9, Opm. 2, slot en Opm. 3, 1e al.), maakt eene soortgelijke onderscheiding: eene werking is een doen, eene uiting van activiteit, van eigen energie, òf zij is een veranderen, de overgang van den eenen toestand in een anderen. Het bewegen of veranderen wordt derhalve opgevat als een zich, of iemand, of iets bewegen of veranderen, òf eenvoudig als een anders worden, of ook wel als een bewogen worden. Voor het laatste zijn echter geen afzonderlijke werkwoorden voorhanden; daartoe moet de later te bespreken lijdende vorm der werkwoorden dienen.

Deze onderscheiding openbaart zich in een grammaticaal verschil bij het uitdrukken der voltooide werking. In het eerste geval is er sprake van een bewogen of veranderd hebben, in het tweede geval van een veranderd of bewogen zijn. Eigenlijk geeft dit onderscheid dus alleen tot eene indeeling in twee groepen aanleiding. Het is echter wenschelijk, nog eene tusschengroep aan te nemen voor enkele werkingen, die men zich noch als een doen, noch als een veranderen, maar als een verkeeren of volharden in een toestand voorstelt. Meestal wordt dit laatste uitgedrukt door een naamwoordelijk gezegde met de koppelww. zijn of blijven of hunne aequivalenten, maar er zijn tot dat doel ook een beperkt aantal werkwoorden beschikbaar. Toch wordt ook van deze werkwoorden de voltooide werking met het werkwoord hebben uitgedrukt: gezeten, gerust, geslapen hebben, enz., en behooren zij feitelijk tot de eerste groep; zij zijn daarvan ook niet scherp te scheiden en bij vele werkwoorden, b.v. lichten, schijnen, blinken, luiden, geuren, e.a. twijfelt men, of dit nu een doen of een verkeeren in een toestand moet geacht worden.

Nogmaals moet dan ook herinnerd worden, dat eene taalkundige onderscheiding als deze eene zeer populaire en dikwijls naïeve onderscheiding is, die volstrekt niet altijd met de wetenschappelijke onderscheidingen overeenkomt. Vooral geldt dit voor de onzinnelijke werkingen: voor de taal blijft b.v. onthouden, vergeten, haten, liefhebben, verlangen een doen, onafhankelijk van de verklaringen, die de psychologie van deze innerlijke processen geeft.

 

76.

Uit de beteekenissen der werkwoorden vloeit nog eene tweede onderscheiding voort. Is het bewegen of veranderen noodwendig verbonden aan eene zelfstandigheid, er kan ook meer dan ééne zelfstandigheid noodzakelijk in betrokken zijn. Dit geeft aanleiding (vgl. I, § 16 en 17) tot de verdeeling der werkwoorden in:

1o. Subjectieve werkwoorden, die werkingen beteekenen, waarin geene andere zelfstandigheid betrokken is, dan het onderwerp, en

2o. Objectieve werkwoorden, die werkingen beteekenen,

[p. 138]

waarin buiten het onderwerp noodzakelijk nog een en soms twee wezens of dingen betrokken zijn, waarvan de vermelding slechts bij wijze van uitzondering achterwege kan blijven.

Tot de subjectieve werkwoorden behooren vooreerst meest alle werkwoorden der tweede en derde groep, d.z. die, welke een verkeeren of komen in een toestand beteekenen, maar verder ook een aantal werkwoorden der eerste groep, n.l. die een doen beteekenen, dat geheel tot het subject beperkt is: loopen, wandelen, schijnen, klinken, blaffen, enz.

Tot de objectieve werkwoorden behooren alle werkwoorden, die van een lijdend, meewerkend of oorzakelijk voorwerp vergezeld worden: iemand of iets zien, hooren, waarnemen, brengen, halen, voortbrengen, vernietigen, enz.; iemand iets geven, ontnemen, weigeren, beletten, enz.; op iemand of iets vertrouwen, naar iemand of iets verlangen, zich over iemand (zijner) ontfermen, enz.

Dit verschil tusschen subjectieve en objectieve werkwoorden wordt intusschen niet aan de werkwoorden zelf, maar door de begeleiding uitgedrukt. De objecten zijn accusatief-, datief-, of genitief-objecten, of de betrekking tusschen werking en object wordt door een voorzetsel uitgedrukt. Uitvoerig is een en ander behandeld in I, § § 15-34.

 

Opmerkingen. 1. Bij de behandeling van de leer der voorwerpen is gebleken en bij de behandeling van de vormen (4e stuk) zal het opnieuw blijken, hoe het logisch gevoel voor en de uitdrukking van de betrekking tusschen werking en object velerlei veranderingen ondergaan heeft en nog ondergaat. De logische betrekking wordt in verschillende talen verschillend opgevat: zij wordt in eene vroegere periode anders opgevat dan later; soms is in eene zelfde periode bij verschillende schrijvers verschil van opvatting te ontdekken; het logisch verschil wordt nog gevoeld, maar het verschil in uitdrukking wordt langzamerhand verwaarloosd, enz. Voorbeelden van een en ander zijn te vinden in I § 23, § 28 a, b en c, § 33 en het Aanhangsel.

2. In de paragraaf is gezegd, dat meest alle werkwoorden der tweede en derde groep subjectief zijn. De uitzondering is, dat in de toestanden, door deze werkwoorden uitgedrukt, toch wel nu en dan een oorzakelijk voorwerp (praepositionaal object) en soms zelfs een meewerkend of ondervindend voorwerp (datief-object) betrokken kan

[p. 139]

zijn, b.v.: aan het leven hangen, van geluk droomen, voor recht en waarheid, gloeien; en ook: op den vijand losgaan, aan eene taak beginnen, met een werk voortgaan, ophouden of eindigen, met iemand trouwen, het over iets eens worden, enz., welke laatste werkwoorden blijkens hunne vervoeging met zijn alle tot de derde groep behooren en toch objectief zijn. In zinnen als: Hij slaapt mij te lang, De boot vertrekt hem te vroeg, komt een datief-object voor, zonder dat de werkwoorden slapen of vertrekken kunnen gezegd worden, daardoor objectief te worden.

Intusschen is het gezegde, dat een toestand uitdrukt, waarin een ondervindend of veroorzakend object betrokken kan zijn (vgl. I § 24 b, § 26 b en § 30 met § 31, 3o) meestal een naamwoordelijk gezegde, waaraan niet het werkwoord, maar het adjectief of deelwoord het objectieve karakter geeft, b.v.: De zaak is mij duister.

 

77.

Onder deze objects-betrekkingen heeft echter de voornaamste, d.i. die van het lijdend voorwerp, aanleiding gegeven tot eene onderscheiding, die van meer grammaticaal belang is. Er vertoonen zich namelijk bij de werkwoorden nog verdere gevolgen van de in § 75 herinnerde tegenstelling tusschen de actieve wezens en de passieve dingen.

In de eerste plaats is als zoodanig te beschouwen de onderscheiding van de werkwoorden der eerste groep in transitieve (overgankelijke) en intransitieve (onovergankelijke) werkwoorden.

Tot het wezen van een transitief werkwoord behoort, dat het een doen, een zinnelijk of onzinnelijk bewegen beteekent, hetwelk uitgaat van een actief subject, een wezen of persoon, of een als persoon gedacht ding, en waardoor een passief-object, een ding of zaak, of een als ding gedacht wezen, voortgebracht of vernietigd, of in een anderen staat of toestand wordt gebracht: scheppen, stichten, tot stand brengen, verwoesten, vernietigen, vernielen, plaatsen, stellen, wegnemen, breken, scheuren, verbergen, kwetsen, plukken, eten, drinken, zien, hooren, ruiken, proeven, voelen, aanraken, bewegen, groeten, kussen, begrijpen, beminnen, bewonderen, vereeren, begeeren, enz. enz.

Dat het onderwerp steeds een persoon of eene gepersonifiëerde zaak, en het lijdend voorwerp steeds eene zaak of een als zaak gedachte persoon is, wordt toegelicht door de vergelijking van voorbeelden als: Het volk omringt het paleis en Een

[p. 140]

muur omringt het paleis, Hij werpt den stoel omver en Hij werpt den man omver.

Tot het wezen van een intransitief werkwoord behoort, dat het een doen beteekent, hetwelk van een actief subject uitgaat, maar dat zich tot dit subject beperkt, b.v.: lichten, luiden, blaffen, geuren, wandelen, zwerven, denken, mijmeren, peinzen. enz. Intusschen zijn in dit begrip ook opgenomen alle werkwoorden der tweede en derde groep, die een verkeeren of komen in een toestand beteekenen, en verder alle objectieve werkwoorden, die uitsluitend van een meewerkend of oorzakelijk voorwerp vergezeld kunnen zijn, als: gehoorzamen, gelukken, betamen, gedenken, uitzien naar, rekenen op, enz. Een gevolg daarvan is, dat de termen intransitief en subjectief werkwoord veelal voor en door elkaar gebezigd worden.

 

Opmerking. Onder verwijzing naar I, § 21 wordt hier herinnerd:

1o. hoe transitieve werkwoorden absoluut, d.i. zonder de vermelding van een lijdend object kunnen voorkomen: Wij eten om 12 uur, Men bouwt hier druk, Hij rookt en hij drinkt niet meer, enz.

2o. hoe een intransitief werkwoord tijdelijk overgankelijk kan worden in drie gevallen:

a. wanneer het vergezeld wordt van een zelfstandig of bijv. nwd., waardoor het product of resultaat der werking aangegeven wordt, terwijl het werkwoord de algemeene beteekenis van maken of bezorgen aanneemt: Hij praatte mij doof, Hij viel zich een gat in het hoofd.

b. wanneer een onpersoonlijk werkwoord door een lijdend voorwerp als product der werking vergezeld wordt: Het regende complimentjes en kersen in ieders schoot  1)  .

c. wanneer, gelijk met enkele intransitiva het geval is, een verbaal substantief, dat dezelfde werking als het werkwoord uitdrukt en meestal van een attribuut vergezeld is, aan het werkwoord wordt toegevoegd: Een zwaren strijd strijden, Den heldendood sterven, enz.

 

 1)  Tegelijk een voorbeeld van gewaagde samentrekking (vgl. II, § 26).

78.

In den regel zijn de transitieve en de intransitieve werkwoorden van verschillenden oorsprong; bij de behandeling der woordvorming zal blijken, dat de meeste subjectieve of intransitieve werkwoorden wortelwerkwoorden zijn, en de meeste transitiva tot de afgeleide behooren. Er

[p. 141]

zijn echter ook een aantal werkwoorden, die zoowel transitief als intransitief kunnen gebruikt worden. De volgende zinnen geven van de meest voorkomende een overzicht:


Hij bakt het brood. De taart bakt in den oven.
De kok bederft de spijzen. Het vleesch bederft.
Hij begon zijne toespraak met... De strijd begon.
Hij bewoog den arm. Het gordijn bewoog even.
De meid braadt het vleesch. Het vleesch braadt aan het spit.
Hij brandt gas. De kachel brandt.
Hij breekt een glas. Het glas brak.
Hij buigt de staaf. Het riet buigt.
Hij draait het rad. Het rad draait.
Zij drogen de visch. Het goed droogt.
De wind drijft de boot naar zee. De boot drijft naar zee.
Hij eindigde zijn verhaal. Hier eindigde het verhaal.
Hij genas vele lijders. De wond genas spoedig.
Hij gewende mij aan orde. Hij gewende aan orde.
Hij hangt de jas aan den muur. De jas hangt aan den muur.
Dat heet ik liegen. Hij heet Willem.
De wind jaagt de wolken. De wolken jagen.
Hij klemt zijn vinger. De deur klemt.
De zon kleurt de wolken. De wolken kleuren.
De wind knakt het riet. Zijne vingers knakken.
Zij kookt het water. Het water kookt.
Hij laat zijn haar korten. De dagen korten.
Hij kraakt eene noot. De deur kraakt.
Hij heeft het papier gekreukt. Zoo zal de jurk kreuken.
Hij zal het laken eerst krimpen. De stof is erg gekrompen.
Zij kroest (krult) het haar. Zijn haar kroest (krult).
Hij kruit den last voort. Het ijs begint te kruien.
Zij kruimelt hare beschuit. Het brood kruimelt.
Uw brief heeft den mijnen gekruist. Het schip kruist in de Noordzee.
God neigt de harten. De zon neigt ter kimme.
De kleermaker zal u de jas komen passen. De jas past u niet.
De wind rukte een tak van den boom. De vijand rukt te velde.
Hij heeft de vechtenden gescheiden. Zj zijn in vrede gescheiden.
Hij scheurt zijne kleederen. De grond scheurt.
Hij schikt de leerlingen in eene rij. De knaap schikt naar voren.
Hij schoot hem in het oog. Het mes schoot uit zijne hand.
Zij schuimt de soep. De soep schuimt.

 



[p. 142]


Hij schuift de slee over het ijs. De slee schuift over het ijs.
Hij slaat het paard. Het geweer slaat geweldig.
Zij sleepen hem naar huis. De japonnen slepen.
Hij slingerde den steen naar mijn hoofd. Het touw slingert.
Hij sluit de deur. De deur sluit niet.
Hij smaakte veel genoegen. Dat smaakt naar meer.
Zij smelt de boter. De boter smelt.
Hij heeft zijn slachtoffer gesmoord. Hij smoort van dorst.
Hij splijt het blok in tweeën. De muren splijten.
Hij stalt zijn paard bij zijn zwager. Zijn paard stalt in de kazerne.
Zij stooft de groenten. De groente moet lang stoven.
Hij trekt kruiden. De thee staat te trekken.
Hij trouwt eene rijke vrouw. Hij trouwt met zijne nicht.
De burgemeester heeft hen getrouwd. Zij trouwen in de kerk.
Dat verandert den toestand. De toestand verandert niet.
Dat zal u niet verarmen. Hij verarmt met den dag.
Hij verbrandt de brieven. De brieven verbranden.
Hij verdrinkt de katten. De matroos verdronk.
Hij vergadert schatten. De commissie vergadert op Woensdag.
Dat verkoelt de maag. Hunne vriendschap verkoelt.
Dokter A. heeft haar verlost. Zij verloste van een zoon.
Hij vermeerdert zijne inkomsten. De gewone inkomsten vermeerderen.
Dat vermenigvuldigt de kansen. De gelegenheden vermenigvuldigen.
Hij vermindert de uitgaven. De uitgaven verminderen.
Hij verschrikte er van. Dat verschrikte hem niet.
Hij vlekt het papier. Die teere stof vlekt licht.
Hij weegt de steenkolen. De lasten wegen zwaar.
Hij weidt zijne schapen. De schapen weiden achter de woning.

 

Hierbij sluiten zich aan enkele paren werkwoorden met vormverschil, waarvan het eene de intransitieve beteekenis heeft van eene werking verrichten, en het andere de transitieve beteekenis van een werking of toestand bij eene andere zelfstandigheid te weeg brengen, nl. drinken en drenken, zitten en zetten, liggen en leggen, zuigen en zoogen, waken en wekken. De laatste werkwoorden dezer paren heeten causatieven, d.i. bewerkende of veroorzakende werkwoorden.



[p. 143]

Van nog andere causatieve werkwoorden is de verwantschap met een intransitief werkwoord minder of meer uit het taalgevoel verdwenen, b.v. van wenden naast intr. winden (= draaien); van leiden naast een oud. intr. liden (= gaan); van het bovenvermelde trans. of intr. neigen naast intr. nijgen (alleen nog gebruikelijk voor lett. een buiging maken); van klooven naast een oud intr. klieven (= splijten); van voeren naast intr. varen (in zijne vroegere bet. van rijden), enz.

 

Opmerkingen. 1. De verklaring van het ontstaan dezer differentiëering in de beteekenis van een aantal werkwoorden behoort tot de afdeeling Woordvorming en is van zoo ingewikkelden aard, dat ook dan nog voor de bijzonderheden naar de etymologische woordenboeken moet verwezen worden. Van de hoofdoorzaken kan het volgende een algemeen denkbeeld geven.

a. Het eenvoudigst is het verschijnsel te begrijpen bij werkwoorden, die naast adjectieven zijn ontstaan. Deze beteekenen eene eigenschap aannemen of eene eigenschap aanbrengen (vgl. groenen en witten). Zoo is het duidelijk, dat drogen, gewennen, korten, kroezen zoowel droog, gewoon, kort, kroes worden als maken konden beteekenen. Hetzelfde geldt voor vele afgeleide werkwoorden met ver: veranderen, verarmen, vergaderen, verkoelen, verlossen, vermeerderen, verminderen, vermenigvuldigen, enz.

b. Bij werkwoorden, die naast substantieven zijn ontstaan, zijn de beteekenissen tot een grooter aantal rubrieken te brengen en is het nog lichter mogelijk, dat twee beteekenissen zich aan één woordklank hechten; b.v. kleuren, krullen, kreukelen, scheuren, vlekken, die kleur, krullen, kreukels, scheuren, vlekken krijgen of hebben, of van kleur, krullen, kreukels, scheuren, vlekken voorzien beteekenen; stallen en weiden = in een stal of weide zijn of doen zijn; kruimelen, pluizen = tot kruimels of pluizen maken of kr. of pl. voortbrengen; schuimen = schuim voortbrengen of van schuim ontdoen; knakken en kraken, knakkend of krakend geluid geven of doen geven, enz.

c. Bij een aantal werkwoorden stuit men teruggaande op paarsgewijs verwante werkwoorden, in den trant van de aan het slot der paragraaf vermelde, waarvan meest één sterk en intransitief en het andere, het causatieve, zwak en transitief is. Het vermogen om causatieven te maken was in de germ. dialecten nog zeer levendig en die, welke in de tegenwoordige taal nog voorkomen, zijn er slechts eene schrale rest van. Door verschillende veranderingen - die voor elk geval in het bijzonder zijn na te gaan - konden dan de twee tot één worden, b.v.: etymologisch verschillende werkwoorden vielen in den praesensstam samen en werden voor de rest der vormen ook gelijk; of de eene vorm werd in sommige gevallen voor beteekenissen

[p. 144]

van den anderen gebruikt en verdrong dien ten slotte geheel; òf eene nieuwvorming verdrong beide, enz. Enkele voorbeelden zijn de volgende:

Bederven; vgl. mhd. verdërben (st. ww.) = te gronde gaan; verderben (zw. w w.) = te gronde doen gaan. In het mnl. komt st. bederven, bedorf, bedorven, in beide beteekenissen voor, maar in de laatste beteekenis ook een zwak: bederven, bederfde, bederft. De zwakke vormen zijn ondergegaan en de sterke hebben beide beteekenissen in zich vereenigd.

Bewegen en wegen. De geschiedenis dezer werkwoorden is bijzonder ingewikkeld, daar niet alleen een st. intr. wegen (got. (ga)-wigan, ohd. wëgan) en een zwak causatief wegen (uit een verondersteld wagjan, ohd. wegen, wecken) ten grondslag liggen, maar ook nog andere verwante oudere en jongere vormen invloed gehad hebben. Het zwakke mnl. bewegen (beweegde, beweget) was al transitief en beteekende: in sterke beweging, in beroering brengen. Ten slotte hebben st. bewegen en wegen alle beteekenissen in zich vereenigd.

Buigen (uit biugan) is oorspr. st. intr., maar komt ook al vroeg tr. gebruikt voor. Daarnaast ontwikkelde zich een zwak tr. bougan, waaruit een mnl. bogen (= doen buigen, vgl. zoogen en zuigen). Ook dit bogen  1)   werd mede trans. gebezigd, maar ging onder. Het sterke buigen heeft getriomfeerd en heeft behalve de intransitieve beteekenis ook de transitieve aangenomen.

Drijven. In het Got. vindt men naast een st. dreiban een zw. causatief draibjan. Hier wordt echter zoowel het sterke als het zwakke ww. reeds transitief gebruikt en bestaat dus de mogelijkheid, dat de gewone verhouding tusschen het sterke en het zwakke ww. al vroeger verstoord is, of misschien nooit bestaan heeft  2)  . Intusschen is het zw. ww. zonder nakomelingen gebleven en heeft het sterke intr. en tr. beteekenis gekregen.

Genezen. In het Got. komt voor een st. intr. ganisan (= gezond, behouden worden) en een zw. tr. ganasjan (= gezond maken). Het sterke ww. heeft beide beteekenissen aangenomen en aan het causatief beantwoordt alleen het zeldzame (zich) generen, hd. (sich) nähren, in zijn onderhoud voorzien.

Op ongeveer gelijke wijze vindt men ook voor hangen (ohd. st. hâhan en zw. hangên), krimpen (mnl. st. crimpen, zw. tr. crempen, waarvan het eerste ook al intr. en tr. voorkomt), smelten (ohd. st. smëlzan en zw. smelzen) dubbele vormen, waarvan in onze taal de sterke den zwakken verdrongen heeft met overneming van de transitieve beteekenis er van.

Voor branden vindt men in de vroegere taal een st. brinnen en een

 1)  Vgl. Verdam, Mnl. Wdb. I, 1349. - Vgl. voor den oorsprong van ons bogen = op iets roemen: Gallée in Tijdschrift V, 1 vlgg.
 2)  Vgl. Wilmanns, Deutsche Gr. II, 52.


[p. 145]

zw. brennen, maar beide zijn in onze taal ondergegaan, (alleen barnen is er eene herinnering aan), en branden is terug te brengen tot een met de vorige ww. verwant naamwoord brand met de substantieve beteekenis brand, vlam of de adjectivische brandend, vlammend, zoodat de beteekenissen brandend zijn of brandend maken (vgl. a) hieruit licht duidelijk worden.

d. Voor de zwakke werkwoorden draaien, jagen, klemmen, koken, kruien, passen, rukken, schikken, smoren, stoven, trouwen en de sterke bakken, beginnen, braden, breken, heeten, scheiden, schieten, schuiven, sluiten, splijten, trekken, verdrinken en verschrikken vindt men teruggaande slechts een enkelen vorm, hetzij met oorspr. transitieve, hetzij met oorspr. intransitieve beteekenis. Hoe nog eene andere oorzaak aan te wijzen is, waardoor de intr. of tr. beteekenis zich daarbij voegde, zal in § 82, Opm. 2 besproken worden.

Ten slotte zij er nogmaals op gewezen, dat deze voorbeelden slechts dienen om van de hoofdinvloeden, die hier gewerkt hebben, in het algemeen eene voorstelling te geven. In meer bijzonderheden te treden is de taak der woordenboeken.

2. Na het voorafgaande is het begrijpelijk, dat er in de vroegere taal transitieve ww. voorkomen, die nu intransitief, en intr. ww., die thans omgekeerd transitief zijn.

Voorbeelden van het eerste geval zijn de mnl. ww.: (jongen) aezen (van voedsel voorzien); iemand of iets bezwijken (verlaten; nog heden hoort men: hij bezwijkt mij niet); iemand biechten (de b. afnemen); sinken (doen zinken; nog bij Bilderdijk: zinkt de schepen, damt de kil.); herbergen (hier of daar herbergen = logeeren); rusten (doen rusten; vgl. grafschriften met: hier is gerust...); kostbaarheden vluchten (in veiligheid brengen); iemand toornen, vervaren, versagen (toornig, vervaard, versaagd maken), enz.

Voorbeelden van het tweede geval zijn: belgen (boos worden), blusscen (uitgaan van vuur), bekeren (tot het ware geloof, tot inkeer komen), ontsluiten (opengaan), rumen (van sijn stede rumen; vgl. nog: de wind ruimt); upheffen (de ark hief up), verbliden, verwarmen (blij, warm worden), enz. Vgl. verder Verdam, Mnl. Tekstcr., Van Helten Vondels Taal, Stoett, Mnl. Synt. §§ 385 en 386.

3. Sommige werkwoorden zijn transitief geworden, doordat zij, voorheen vergezeld van een genitief, datief of een accusatief van plaats, door verloop van beteekenis een transitief doen zijn gaan beteekenen, b.v. vergeten, volgen, navolgen, opvolgen, ontmoeten, bijstaan, dienen, helpen, hinderen, naderen, nazitten, enz. Hierdoor wordt duidelijk, waarom sommige nog met zijn vervoegd worden. Vgl. voor verdere bijzonderheden I § 23 en § 28.

 

79.

Uit de tegenstelling van persoon en zaak (actief subject en passief object) bij de transitiva heeft zich bij deze werkwoorden een vorm ontwikkeld, de lijdende vorm of het

[p. 146]

passivum, waardoor het mogelijk wordt, het lijdend voorwerp, wanneer het psychologisch onderwerp, d.i. onderwerp van de gedachte, is (vgl. I § 14), ook tot grammatisch subject, d.i. tot onderwerp van den zin, te maken.

In onze taal, gelijk in andere germ. talen, bestaat deze lijdende vorm sinds de 8e of 9e eeuw uit een vorm van de werkwoorden worden of zijn met het voltooide deelwoord: Het varken wordt geslacht, Het varken is geslacht  1)  .

De mogelijkheid om een lijdend voorwerp tot lijdend onderwerp te maken, is in de meeste gevallen een uiterlijk kenmerk voor de transitiviteit van het werkwoord. De uitzonderingen hierop zijn vermeld in I § 22.

Enkele intransitiva kunnen zonder de vermelding van een onderwerp in den lijdenden vorm voorkomen: Er wordt gedanst. Er wordt gebabbeld. Er wordt bij den zieke gewaakt. Er wordt maar op gezondigd, passiva van de actieve vormen: Men danst, Men babbelt, enz. Deze lijdende vormen zijn beperkt tot de intransitiva, die een doen beteekenen, maar komen ook voor bij enkele transitiva: Er wordt druk gebouwd, Hier wordt overgezet, enz. Bij de werkwoorden, die een zijn of overgaan in een toestand beteekenen, komen ze niet voor; dus niet: Er wordt gerust, Er wordt gevallen, enz. Waken in het bovenstaande voorbeeld is niet: wakker zijn, maar drukt daar een doen uit.

Deze lijdende vormen der intransitiva worden onechte passiva genoemd; men kan ze ook onpersoonlijke passiva noemen.

 

Opmerkingen. 1. Oorspronkelijk moet in het Indo-Germaansch geen passivum bestaan hebben: het eenvoudig naast elkaar stellen van subject en praedicaat blijkt zoowel gediend te hebben om de passieve als om de actieve verhouding uit te drukken. Later heeft zich in enkele talen, b.v. in het Grieksch en in het Latijn, een passivum ontwikkeld, dat uit werkwoordelijke vormen bestond, waarvan de uitgang de passieve beteekenis aangeeft, vgl. b.v. amo (ik bemin), amas (gij bemint), amat (hij bemint), met: amor (ik word bemind), amāris (gij wordt bemind), amātur (hij wordt bemind), enz.

Tot recht begrip van hetgeen straks over het verband tusschen

 1)  De met geworden versterkte vormen: het varken is (was) geslacht geworden, kwamen eerst na de 13e eeuw in gebruik.


[p. 147]

het reflexivum en het passivum gezegd zal worden, zijn eenige bijzonderheden omtrent deze oudere passiefvormen niet overbodig.

Het Grieksche passivum is, wat zijn voornaamste vormen betreft, gelijk aan het medium, een stel vormen, waardoor eene handeling uitgedrukt wordt, die tegelijk op eene of andere wijze op het subject terugwerkt; het onderwerp is dan tegelijk belanghebbend of ook wel lijdend in zijne eigene handeling betrokken, b.v.: porizomai, ik verschaf mij, trepomai, ik wend mij. Ook heeft dit medium dikwijls een terugwerkende beteekenis, maar drukt het uit, dat het subject een zeer levendig, een zeer intens aandeel aan de handeling heeft; b.v. skopo = ik zie, maar skopumai = ik beschouw aandachtig, ik onderzoek Evenzoo gebruikt men voor verschaffen, nemen, vrijmaken het gewone activum, voor de meer intense begrippen: uit eigen middelen verschaffen, aangrijpen, loskoopen het medium.

Omtrent dit medium nu, waarvan ook voorbeelden in het got. voorkomen, maar dat verder in de germ. talen is ondergegaan, wordt aangenomen, dat de uitgang niet anders dan een reflexief pronomen, en de uitgang van den 1en pers. mai = me (mij) zou zijn.  1)   Het aan het medium gelijke passivum zou dus, wat zijne etymologische beteekenis betreft, met een reflexivum gelijk gesteld moeten worden.

Evenzoo wordt de r in de uitgangen van het latijnsche passivum  2)   als uit een reflexief pronomen ontstaan, verklaard, ‘zoodat ook dit passivum dus aanvankelijk uitsluitend reflexieve beteekenis moet gehad hebben.’ (Speyer).

Hoe dit ook zij, het gezegde is voldoende om eenigszins duidelijk te maken, dat waar de lijdende vorm door een enkelen vorm van het werkwoord wordt uitgedrukt, de analyse van dien vorm in den regel tot resultaat heeft, dat er aan eene versmelting van het werkwoord met een wederkeerend voornwd. gedacht moet worden. Hoe het mogelijk is, dat de wederkeerende vorm en de lijdende vorm in beteekenis zoo nauw aan elkander grenzen, zal in § 82 blijken.

2. Herhaald worde hier, wat reeds in I § 22, Opm. 2 is uiteengezet, dat de lijdende vorm van een zin met een transitief gezegde niet volkomen aequivalent is aan den bedrijvenden vorm. Ofschoon deze vormen dikwijls voor en door elkander gebruikt worden, is er toch een logisch verschil aan te wijzen. Als men voor de schilderij van

 1)  Vgl. Paul Principien 234. De hypothese wordt echter ook bestreden.
 2)  Vgl. Speyer, Lat. Sprkk. I, § 191. Ook deze onderstelling vindt tegenspraak.
Voortgezet onderzoek zal dus hieromtrent nader uitspraak moeten doen. Maar vast staat het, dat in het slavisch het reflexivum en passivum één zijn (datissä = z. geven, maar ook gegeven worden). Ook de passiva der noorsche talen zijn niet anders dan reflexiva, b.v. zw. läras = z. leeren - geleerd worden.


[p. 148]

Arie Scheffer, Jesus Redemptor, een ndl. titel moest kiezen, zou het niet zijn: ‘De blinden worden door Jezus genezen en de gevangenen verlost,’ maar: ‘Jezus geneest de blinden en verlost de gevangenen.’ Immers Jezus is hier het psychologisch onderwerp. Voor de schets van Rubens, in het Rijksmuseum aanwezig, waar men den lijdenden Christus naar Golgotha ziet voeren, zou echter een titel als: ‘De krijgslieden leiden Jezus naar Golgotha’ onjuist zijn; alleen het passivum: ‘Jezus wordt naar Golgotha geleid’ geeft de bedoeling van den schilder weer.

 

80.

Uit de verhouding van subject en object tot de werking is ook de onderscheiding der zoogenaamd wederkeerende (reflexieve) werkwoorden voortgevloeid. Deze onderscheiding geeft tot geen veranderingen in de werkwoorden zelf aanleiding; de reflexieve beteekenis wordt uitgedrukt door de begeleiding en de term wederkeerend werkwoord moet dus verstaan worden als werkwoord in wederkeerenden vorm (reflexivum). Deze vorm ontstaat door toevoeging aan het werkwoord van den objectsvorm (3e of 4e nv.) van het pers. vnwd., dat met het onderwerp correspondeert. Is het onderwerp een 3e pers. enkv. of mv., dan wordt de bijzondere vorm zich gebezigd (vgl. § 25).

De wederkeerende vorm heeft twee zeer uiteenloopende beteekenissen:

1o. Hij drukt uit, dat het van het subject uitgaande doen tot dat subject terugkeert en het als object in zijn eigen doen betrokken is;

2o. Hij drukt uit, dat een doen of een toestand alleen tot het subject beperkt is.

Dit onderscheid, dat gewoonlijk aangegeven wordt door de termen toevallig-reflexief en noodzakelijk-reflexief, is beter te karakteriseeren door de termen: transitief-reflexief en intransitief-reflexief.

 

81.

De transitief-reflexieve werkwoorden zijn gewone overgankelijke werkwoorden, waarbij de wederkeerende vorm alleen de bijzonderheid uitdrukt, dat het onderwerp tegelijk actief en passief in het doen is betrokken: Hij wascht zich, scheert zich, kleedt zich, voedt zich, wondt zich, verbindt zich, bedwelmt zich, oefent zich, *heft zich op, bevrijdt zich, rerlost zich, ontdoet zich, beschuldigt zich, verontschuldigt zich,

[p. 149]

verbergt zich, beschermt zich, *hoedt zich, misleidt zich, *bedriegt zich, *verbetert zich, *onteert zich, enz.

Hierbij sluit zich aan een tweede geval, waarin het onderwerp slechts als tweede object in zijn eigen doen betrokken is, en niet passief, maar als belanghebbende voorkomt. En ofschoon bij de pers. vnwdn. de datief en de accusatief geen vormverschil vertoonen, wordt hier het reflexief vnwd. duidelijk in de datief-betrekking gevoeld: Hij heeft zich iets veroorloofd, z. iets onthouden, z. iets verweten, z. iets herinnerd, enz. Een beperkt aantal werkwoorden kunnen nietanders dan met dezen reflexieven datief voorkomen: zich iets aanmatigen, z. iets inbeelden, verbeelden of voorstellen, z. iets toeëigenen, z. iets verwerven, zich iets aanschaffen. De beide laatste ww. komen ook zonder refl. vnwd. voor: iemands goedkeuring verwerven, een boek aanschaffen.

 

Opmerkingen. De in de eerste plaats vermelde transitief-reflexieven (die met het pron. in den 4n nv.) vormen geen afgesloten groep. Er komen er nl. onder voor, waarbij de voorstelling, dat het onderwerp zich zelf eene werking doet ondergaan, verbleekt, en het voorwerp een loos voorwerp (vgl. I § 21 b en c) begint te worden. Hij kleedt zich of ontkleedt zich, wekt levendig de voorstelling op van eene bewerking, waaraan iemand zich zelven onderwerpt, maar dit is niet zoo levendig het geval meer bij zìnnen als: Hij beweegt zich, Hij buigt zich. Deze vatten wij niet op als de mededeeling, dat de besproken persoon zich zelf in beweging, in een gebogen toestand brengt, maar dat hij zelf beweegt, zelf buigt, dat hier alzoo sprake is van een intransitief bewegen en buigen. Hierdoor wordt duidelijk, hoe de wederkeerende vorm een middel kon worden om de uitdrukking der intransitieve of subjectieve werking, waar het noodig was, scherp te scheiden van die der transitieve werking, en hoe de eerste groep der reflexieven vervloeit in die der tweede groep.

Onder de voorbeelden zijn reeds enkele met een sterretje aangewezen, bij welke dit verschijnsel zich voordoet. Hij beschermt zich tegen den regen, Hij hoedt zich voor tocht, zijn zuiver-transitieve reflexiva. Hij hoedt zich krijgt echter nu en dan ook de intransitieve beteekenis van Hij is op zijn hoede, hij zorgt, hij past op. Hij misleidt zich is de vermelding van een meer of minder opzettelijk zelfbedrog, en ook zich bedriegen kan in dien zin gebezigd worden, b.v.: Hij bedriegt zich door geflatteerde balansen. Maar zegt men b.v.: Hij bedriegt zich, als hij meent mij te kunnen verlokken, dan wordt zich bedriegen intransitief-reflexief met de beteekenis: in dwaling zijn. Ook: hij verbetert

[p. 150]

zich, hij onteert zich, vat men eerder op als een intransitief hij wordt een beter mensch, hij wordt eerloos, dan als een transitief: hij maakt zich beter, hij maakt zich eerloos.

Zoo gaan een aantal transitieve werkwoorden, wanneer zij wederkeerend voorkomen, tot de volgende groep, die der intransitief-reflexieven over: vgl. ook buiten de met sterretjes gemerkte voorbeelden: z. haasten, z. spoeden (haast, spoed maken), z. bewegen (beweging maken), z. draaien, z. wentelen, (een draai, eene wenteling maken), enz.

Soms verzwakt ook het karakter van het reflexieve voorwerp slechts in een zeer bijzonder geval, b.v.: Zij kleedt zich voor het bal, is zuiver transitief-reflexief, maar niet: Zij kleedt zich bespottelijk, waar het gezegde de beteekenis krijgt van: gaat of is bespottelijk gekleed.

 

82.

De intransitief-reflexieve werkwoorden zijn die wederkeerende vormen, welke uitdrukken, dat een doen of een toestand zich geheel tot het subject beperkt. Het voornaamwoord in den accusatief is dan geheel een loos voorwerp geworden en slechts als een exponent, een merk der intransitiviteit te beschouwen. Deze intr.-reflexiva zijn daaraan licht te herkennen, dat de meest voor de hand liggende omschrijving hunner beteekenis eene intransitieve uitdrukking is.

In het volgende overzicht van de voornaamste gevallen is bij de rangschikking eenigszins op de verwantschap naar de beteekenis gelet:

zich bevinden, z. ophouden (ergens zijn, vertoeven), z. opdoen, z. voordoen, z. *vertoonen (ergens komen, verschijnen), z. begeven, z. verwijderen, z. *verspreiden, z. wegpakken, z. wegscheren (heengaan), z. *verzamelen, z. *vereenigen, z. *verzoenen (samenkomen, één worden), z. verliezen (verdwijnen, verloren gaan);

z. bevlijtigen, z. beijveren, z. benaarstigen, (vlijtig, ijverig enz. zijn), z. inspannen (ingespannen zijn), z. onderwinden, z. vermeten, z. vermannen, z. *verkloeken, z. *uitputten, enz.

z. *ontspannen, z. vertreden, z. verpoozen, z. vermeien, z. *verlustigen, z. *vermaken, z. *vervelen; z. vergenoegen met, z. behelpen;

z. houden, z. gedragen, z. aanstellen, z. toedragen (van zaken); z. voegen, z. schikken, z. verzetten, z. verweren;

z. bemoeien, z. inlaten, z. afgeven, z. *bezighouden met, z. bekommeren, z. bekreunen om, z. gelegen laten liggen, z. storen

[p. 151]

aan, z. kwijten, z. afmaken van, z. beroepen, z. steunen, z. gronden, z. verlaten op;

z. bedenken, z. beraden, z. bezinnen (nadenken), z. *belgen, z. *ergeren, z. *vertoornen, z. *verontwaardigen (boos zijn of worden), z. *verblijden, z. *verheugen, z. *bedroeven (blij of bedroefd zijn of worden), z. *verbazen, z. *verwonderen, z. *ontstellen, z. *beangstigen (verbaasd of bang zijn of worden), z. erbarmen, z. ontfermen (medelijden hebben of krijgen), z. schamen (beschaamd zijn of worden), z. verheffen (trotsch zijn), z. beroemen, enz.

z. verzien, z. verspreken, z. verpraten, z. vergissen, z verschrijven, z. vergrijpen, z. verrekenen, z. vertellen, z. verslikken, (verkeerd zien, spreken enz.), z. verrekken, z. vergapen (lett. en fig.), z. verslapen (te veel of te ver rekken, gapen, enz.); z. bedrinken, z. overeten, z. overwerken, z. overloopen, enz.

De met een * gemerkte werkwoorden komen ook transitief voor, maar in hun reflexieven vorm zijn ze intransitief. Hij verbaast de omstanders beteekent: Hij maakt de omstanders verbaasd, maar Hij verbaast zich beteekent: Hij is verbaasd.

Dit verbleeken der zelfstandige beteekenis van het begeleidende voornwd. bij de intransitief-reflexieven heeft het natuurlijk gevolg, dat dit vnwd. bij enkele ww. nu eens wel, en dan weer niet gebruikt wordt: De drenkeling beweegt (zich). Het gordijn beweegt (zich). De aarde draait, wentelt (zich) om de zon. De deur draait (zich) naar buiten. Hij draait, keert (zich) om. Hij buigt (zich) voor zijne meerderen. Hij bukt (zich) om den brief op te rapen. Laten wij (ons) een oogenblik verpoozen. De kelk sluit (zich). Men went (zich) aan alles, enz.

Een nog verder stadium van ontwikkeling in de wederkeerende vormen is het verdwijnen van het bewustzijn, dat de van het subject uitgaande werking door toedoen van dat subject geschiedt. Een voorbeeld daarvan leveren de tweede en de vierde zin uit de voorgaande groep. Als een drenkeling beweegt of zich beweegt, en de aarde draait of zich draait, dan denkt men aan een den drenkeling of de aarde inwonende kracht, die oorzaak is van het bewegen en het draaien. Als het gordijn (zich) beweegt en de deur (zich) draait, dan denkt men aan een invloed buiten het subject als oorzaak. De laatste zinnen naderen dus

[p. 152]

zeer dicht in beteekenis tot: Het gordijn wordt bewogen en De deur wordt naar buiten gedraaid. In zulke gevallen, die in onze taal vrij zeldzaam zijn, is er reden om van een passief-reflexief te spreken. Meestal is het subject dan een zaaknaam en doet de wederkeerende vorm van het werkwoord aan eene personificatie denken, b.v.:

De stad breidt zich naar alle kanten uit (= wordt uitgebreid). De gelegenheid biedt zich aan om.... (= wordt aangeboden). Het gezag van den lord-mayor beperkt zich tot de city. Het gerucht heeft zich bevestigd. De ongeregeldheden hebben zich niet herhaald. De feesten dier vereeniging kenmerkten zich door groote opgewektheid. Het gordijn vouwt zich onder het ophalen. De rivier splitst (verdeelt) zich hier in verschillende armen. De onderneming ontwikkelde zich geleidelijk. Die dialecten hebben zich vermengd. Het schip hief zich op en raakte vlot, enz.

In al deze gevallen is er van geen eigen toedoen van de zijde van het subject sprake. Op zijn hoogst wordt door den wederkeerenden vorm uitgedrukt, dat het onderwerp door zijne gesteldheid zich gemakkelijk tot het vertoonen van de werking leent, b.v. Baleinen buigen zich gemakkelijk. De suiker lost zich op onder het roeren. De zuurstof verbindt zich met de stikstof, enz. Dit laatste wordt ook in eenige gevallen uitgedrukt door een vorm van laten met een reflexieven infinitief: Dat laat zich hooren, laat zich begrijpen, laat zich verklaren, laat zich wel smaken, laat zich wel gebruiken, enz.; daarentegen Hd. Das versteht sich, Das schmeckt sich, enz.

De slotsom van een en ander is alzoo, dat indien een wederkeerende vorm intransitieve beteekenis heeft, de beperking van de werking tot het subject van actieven of passieven aard kan zijn, al naardat wel of niet van eigen toedoen bij het onderwerp sprake is. Zelfs kan deze dubbele beteekenis bij een zelfden vorm voorkomen: De oproerstokers verspreidden zich en Het gerucht verspreidde zich, Die schrijver herhaalt zich (vervalt in herhalingen) en Het geluid herhaalde zich, enz.

 

Opmerkingen. 1. Hoe de in deze paragraaf vermelde werkwoorden aan hunne intransitief-reflexieve beteekenis gekomen zijn, is een

[p. 153]

verschijnsel, waarvan de verklaring in elk bijzonder geval aan de woordenboeken moet overgelaten worden. In sommige gevallen vindt men in de vroegere taal een meer concrete beteekenis, die het wederkeerend gebruik verklaart: b.v. zich schamen, (dat door Kluge en Uhlenbeck  1)   verklaard wordt als ‘zich bedekken’), z. kwijten (= z. vrij, los maken van iets), z. begeven (eerst met een separatieven genitief: der wereld begeven = van de wereld afstand doen, de wereld verlaten, later z. begeven, van zich zelf afstand doen, in een klooster gaan, eindelijk eenvoudig ‘ergens heengaan’), z. belgen (belgen = opzwellen, kwaad worden, vgl. nog ‘zich dik maken’), enz. Al zeer vroeg vindt men echter, dat de wederkeerende vorm vaak geen ander doel heeft, dan het intransitief gebruik van een werkwoord te scheiden van het transitief gebruik. De mogelijkheid bestaat dan, dat het werkwoord oorspr. transitief blijkt te zijn, òf dat het oorspr. intransitief is, maar transitief is geworden, òf ook wel dat de transitieve en de intransitieve beteekenis beide etymologisch aan het werkwoord eigen zijn. Dikwijls wordt het hierdoor onmogelijk, het historisch verloop met eenige zekerheid vast te stellen. Bovendien wordt het proces soms nog meer samengesteld, doordat blijkbaar menige wederkeerende vorm in analogie met een gelijkbeteekenend werkwoord ontstaan moet zijn, b.v.: zich verpoozen onder den invloed van zich ontspannen, - z. vertoornen onder dien van zich boos maken, enz. Het is daarom niet te verwonderen, dat zelfs gezaghebbende woordenboeken den gang van het verloop meestal in het midden laten.

Toch kan in het algemeen aangenomen worden, dat in zeer vele gevallen de intransitief-reflexieve werkwoorden ontstaan zijn als tegenstelling tot een transitief gebruik dezer werkwoorden. Zoo is mnl. hem (= zich) biechten, hem rusten te verklaren als tegenstelling van biechten (= de biecht afnemen), rusten of resten (= doen rusten), hem vervaren, hem versagen als tegenstelling van iemand vervaren, iemand versagen, en in analogie hiermede ook een refl. hem vresen, hem schroomen, hem duchten, hem eysen, enz. Voor meer werkwoorden, die vroeger reflexief voorkwamen en nu niet meer, zij verwezen naar Stoett, Mnl. Synt. § 387.

2. Uit hetgeen in de paragraaf gezegd is omtrent het verbleeken der zelfstandige beteekenis van het begeleidende voornwd. bij de intransitief-reflexieven, in die mate dat dit voornwd. herhaaldelijk geheel wegvalt, wordt thans begrijpelijk, hoe een groot aantal van de in § 78, Opm. 1 onder d genoemde werkwoorden naast hunne transitieve beteekenis ook eene intransitieve beteekenis gekregen hebben. De laatste is nl. in vele gevallen te verklaren uit een intransitief-reflexief, dat als overgang tusschen de transitieve en intransitieve beteekenis

 1)  Vgl. Uhlenbeck. Etym. Wtb. der Got. Spr. 1896. Door Franck (Et. Wdb. der N.t.) wordt echter de juistheid dezer verklaring betwijfeld.


[p. 154]

voorkomt of vroeger voorkwam. Het duidelijkst is dit het geval met werkwoorden als:

draaien, eene deur draaien, de deur draait zich, de deur draait;

klemmen, iets vastgrijpen, de deur klemt zich, de deur klemt;

sluiten, eig. met slot en sleutel sluiten (het oudere woord is luiken), de wonde sluit zich, de wonde sluit.

Niet minder duidelijk is deze overgang voor Germaansche huishoudelijke woorden als bakken, braden, breken, smoren, stoven en het uit het latijn overgenomen koken (lat. coquere), waarvan de reflexieve vormen wel niet altijd in het mnl. of in de nederduitsche dialecten, maar dan toch in het nhd. of de opperduitsche dialecten voorkomen. Ons jonger trekken (van thee of kruiden) sluit zich er bij aan.

Scheiden en splijten schijnen reeds oorspronkelijk zoowel intransitieve als transitieve beteekenis gehad te hebben, maar toch komt de tusschen beide gelegen reflexieve vorm zelfs tegenwoordig nog veel voor: Onze wegen scheiden zich. De zaadlob splijt zich.

Jagen, kruien, schuiven, rukken zijn bewegingswerkwoorden, die bij bewegen en draaien aansluiten en waarbij ook hier en daar de refl. overgangsvorm verschijnt.

Toch kan in al deze gevallen slechts met veel voorbehoud aangenomen worden, dat de reflexieve vorm altijd de overgangsvorm is geweest. Vooreerst is het volstrekt niet altijd uit te maken, of de transitieve beteekenis dan wel de intransitieve bet. van een ww. de oudste is. Schieten b.v. schijnt oorspr. intr. bet. gehad te hebben, nl. die van vooruitspringen, en hier moet doen vooruitspringen de afgeleide beteekenis zijn. Slaan daarentegen schijnt oorspr. transitief, maar het is zeer aannemelijk, dat de vele afgeleide intr. beteekenissen voortvloeien uit de bet.: eene slaande beweging maken. Noch in het eene, noch in het andere geval is het aannemen van een reflexivum als tusschenvorm noodzakelijk.

Verder is het zeer denkbaar, dat waar bij enkele werkwoorden de overgang op de aangegeven wijze geschiedde, het verschijnsel zich bij jongere werkwoorden zonder overgang herhaalde; b.v. uit het transitieve kruiden of thee trekken kan direct: De thee, de kr. trekken ontstaan zijn, in analogie met de andere huishoudwoorden: koken, bakken, enz.

Ook het werkwoord heeten is eene waarschuwing om niet te absoluut te zijn in het aannemen van een reflexieven tusschenvorm. De overgang heeten (noemen), zich heeten (z. noemen) en eindelijk heeten (genoemd worden) klinkt zeer aannemelijk en toch wordt het ontstaan der passieve bet. van heeten verklaard als het gevolg van een passivo-medialen vorm (vgl. § 79, Opm. 1), die naast het activum in het Got. en Ags. voorkwam  1)  .

Met het voorbehoud echter van een en ander, dat hier is opgemerkt,

 1)  Vgl. § 91, Opm. het 1e, 7e en 8e voorbeeld.


[p. 155]

kan in het algemeen aangenomen worden, dat de wederkeerende vorm bij den overgang van transitieve beteekenissen tot intransitieve eene overwegende rol heeft gespeeld.

Ten slotte moet worden opgemerkt, hoe het Hd. in menig geval nog het reflexivum heeft, waar het Nederlandsch dien vorm mist, b.v.: Die Wellen brechen sich am Felsen. Die Lichtstrahlen brechen sich. Aeste biegen sich unter der Last der Früchte. Er bog sich zum Fenster hinaus. Die Thüre klemmt sich (ook: klemmt). Unsere Wege scheiden sich. Das Papier hat sich geschoben. Das Kleid schiebt sich in die Höhe. Eine Thür, ein Deckel, eine Klappe schliesst sich. Er trieb sich allerwegen Gebirg und Wald entlang (Uhland), enz. Daarentegen mist het Engelsch dikwijls den wederkeerenden vorm, waar het Nederlandsch dien wèl vertoont, to bend (buigen en z. buigen), to extend (uitbreiden en z. uitbreiden), to feed (voeden en z. voeden), to incline (neigen en z. neigen of geneigd zijn), to join (verbinden en z. vereenigen), to keep (vasthouden en z. ophouden of verblijven), to mix (mengen en z. vermengen met), to prepare (voorbereiden en z. voorbereiden), to rejoice verheugen en z. verheugen), to set (zetten en z. vast-zetten, b.v. van ijs), to settle (nederzetten, vestigen en z. vestigen), to turn (draaien en z. draaien), enz. Het Nederlandsch staat hier, gelijk bij meer taalverschijnselen, b.v. de verbuiging, tusschen het Hd. en het Eng. in.

3. Door het slot der paragraaf wordt duidelijk, hoe het reflexivum en het passivum, wat hunne beteekenis betreft, ineenvloeien. Beide vormen beperken de werking tot het subject, maar de eerste drukt als regel eigen toedoen van het subject uit en de tweede niet. Verdwijnt dit denkbeeld van eigen toedoen, dan kunnen de beteekenissen van beide vormen samenvallen. Het gevoel voor het passieve element in den wederkeerenden vorm heeft dan ook in het Fransch bij de reflexieve werkwoorden aan het hulpww. être het overwicht verzekerd: il s'est défendu. In het oudere Fransch kwam ook vervoeging met avoir voor: ‘Mais Conan s'a bien défendu’ (Roman de Brut).

Zoo wordt het ook begrijpelijk, hoe in verschillende talen hier voorkeur voor den passieven, elders voor den actieven vorm blijkt: fr. je suis surpris = ik verbaas mij, je suis étonné = ik verwonder mij, eng. I am ashamed = ik schaam mij, enz. Daarentegen fr. cela se voit, s'entend, hd. das versteht sich = dat is te zien, dat is te begrijpen. Le seigle se sème en automne = De tarwe wordt in den herfst gezaaid, enz.

 

83.

Eene bijzondere soort van intransitieven zijn de onpersoonlijke werkwoorden (impersonalia), wier eigen-aardige beteekenis beter zou aangewezen worden door den term ‘subjectlooze werkwoorden.’ Het gezegde, waarin zulk

[p. 156]

een werkwoord voorkomt, heeft alleen de werking als aan tijd en plaats gebonden te vermelden, terwijl het onderwerp óf niet te noemen is, óf in het midden wordt gelaten. Als loos onderwerp staat dan in den regel het onb. vnwd. het (vgl. § 24 en I § 12). Ook komt het voor, dat door een begeleidend pers. vnwd. in den objectsvorm de persoon wordt aangeduid, die de werking bij zich zelf ondervindt of waarneemt: mij hongert, enz.

Deze werkwoorden komen voor:

1o. op het gebied der natuurverschijnselen: het regent, het sneeuwt, het hagelt, het dondert, het bliksemt, het vriest, het ijzelt, het rijpt, het waait, het stormt, het ebt, het mist, het schemert, het daagt, het morgent en het avondt (Piet Paaltjes), waarbij zich aansluiten: het kraakt, het ritselt, het plast, het klettert, het echoot, het spookt, enz.

2o. op het gebied van het stoffelijke en geestelijke leven: mij hongert, mij dorst, mij huivert, mij schrikt, mij grouwt van 't handgeklap (Potg.), enz.

Hieraan kunnen toegevoegd worden eenige werkwoorden, die regelmatig met een genoemd of aangeduid subject voorkomen, maar tijdelijk ook wel onpersoonlijk gebruikt worden: Het rookt, het walmt, het stinkt, het riekt hier lekker, het tocht, het trekt, het rommelt, enz.

Ook zijn er eenige uitdrukkingen, die als onpersoonlijk moeten beschouwd worden: Het is dag, Het is Paschen, Het is vier uur, Het slaat vier uur, Het gaat hem goed, Het loopt hem tegen, Het is met hem gedaan, Het kwam tot een vechten, Het zingt hier gemakkelijk (vgl. § 24 Opm.), Het is goed riemen snijden van andermans leer, Het ontbreekt, (faalt, mangelt, hapert) hem aan moed, Het scheelt hem in het hoofd, enz.

Eindelijk zijn nog tot deze groep te brengen de onpersoonlijke passiva, besproken in § 79: Er wordt geklopt. 's Zondags wordt hier niet verkocht, enz.

 

Opmerkingen. 1. Nu en dan (vgl. § 77 Opm. 2o. b en I § 21) komt een onpersoonlijk werkwoord ook transitief voor: Het regende adressen, Het hagelde pijlen, enz. Het voorwerp is dan als product van de werking te beschouwen.

2. Omtrent den objectsvorm van het pronomen bij de werkwoorden

[p. 157]

onder 2o. is in I § 28 c uiteengezet, hoe de opvatting van dien vorm als een datief logisch het aannemelijkst is, hoe echter reeds in het oudst bekende Germaansch (got. en ohd.) bij verschillende impersonalia een accusatief voorkomt, terwijl in het nhd. de accusatief zoowel als de datief aangetroffen worden; hoe echter in ons mnl. de datief regel schijnt te zijn: Salich zijn die ghene, dien hongert ende dorst nader gherechticheit enz., en ons taalgevoel nog geneigd blijft er een actief (nl. waarnemend of ondervindend) object in te erkennen, schoon de onderscheiding bij het gelijk worden onzer datieven en accusatieven geen practisch belang meer heeft.

Het aantal werkwoorden van deze rubriek is zeer afgenomen en zij komen eigenlijk alleen in literaire taal nog voor. In het mnl. waren er veel meer (vgl. Stoett. Mnl. Synt. § 399): Mi dromet, mi ghedinckt, mi gruwet, mi griset, mi eist, mi verdriet, mi twifelt, mi wondert, enz. Soms kwam er buiten de aanduiding van den ondervindenden persoon door den begeleidenden datief nog eene vermelding van de oorzaak der werking bij, hetzij in een (causalen) genítief, hetzij in eene voorzetselbepaling: Hem gedachte synre barmhartigheit. Des wondert den ghesellen dan. Mi ghedinct van enen vremden here. Den goeden mach daer wel of grisen; hetzij met een oorz. voorwerpszin: Ghedincti niet wale des wat God zeide tote Moyses, lichtelijk overgaande tot een onderwerpszin: Mi droemde ende dochte, dat tot mi een enghel quam, enz. Mettertijd geraakten deze vormen in onbruik en werd het gewoonte, om hetzij den ondervindenden persoon, hetzij den naam van de oorzaak der werking tot onderwerp of tot een onderwerpszin te maken: Ik honger, dorst, huiver, schrik, gruw, droom, gedenk, griezel, ik walg daarvan of dit walgt mij, ik verwonder mij daarover of dit verwondert mij, Mij heugt, dat ik..., Het spijt mij, dat ik... enz. Op die wijze zijn een aantal van deze werkwoorden echt persoonlijk geworden, en er is geen reden om ze, gelijk soms geschiedt, ‘schijnbaar onpersoonlijk’ te noemen.

 

84.

Indien men de vermelde onderscheidingen in de beteekenis der gezegdewerkwoorden in een kort overzicht wil samenvatten, dan komt dit neer op het volgende:

De beteekenis der werkwoorden is subjectief of objectief, al naarmate er in de werking alleen een subject, of ook een of meer objecten betrokken zijn.

De objectieve ww. splitsen zich in transitiva (met een lijdend voorwerp en meestal de vorming van een passivum toelatend) en de intransitiva, waartoe behalve alle objectieve werkwoorden, die slechts met een meewerkend of oorzakelijk voorwerp (datief-, genitief-, of praepositionaal object) kunnen voorkomen, ook alle subjectieve werkwoorden te rekenen zijn.



[p. 158]

Eene variëteit van de transitiva zijn de transitief-reflexieve werkwoorden, en variëteiten van de intransitiva: de intransitief-(soms passief-) reflexieve werkwoorden en de impersonalia.

 

Opmerking. Door de groote veranderlijkheid van het werkwoord en zijne menigvuldige beteekenissen zijn in de oudere grammatica een aantal kunsttermen ontstaan, die nu en dan gemakshalve nog weleens gebruikt worden, maar die bij het onderwijs gewoonlijk het overzicht eer verduisteren dan verhelderen. Met het oog op de vorming is sprake van denominativa en deverbativa (van naamwoorden en van werkwoorden afgeleide ww.) en naar aanleiding van de beteekenis splitsen de laatste zich weer in andere categorieën, nl. die een veroorzaken der werking (causativa), eene herhaling (iterativa), eene versterking (intensiva), eene wordende of beginnende werking (inchoativa b.v. ontbranden), enz. uitdrukken. Soms worden dergelijke termen nog op doelmatige wijze gebruikt, waartegen geen bezwaar bestaat, mits wel bedacht worde, dat het oude termen zijn, die niet altijd overeenstemmen met den tegenwoordigen stand van het historisch onderzoek omtrent den oorsprong der werkwoorden. In de leer der woordvorming komt dit onderwerp nader ter sprake.

Nog andere termen zijn in de Lat. gr. aan de beteekenis ontleend: b.v. verba sentiendi et declarandi (die een zinnelijk of onzinnelijk waarnemen of uiten beteekenen), verba voluntatis (die een willen of wenschen uitdrukken), verba affectuum (die een gemoedstemming aanduiden), enz. Op gelijke wijze wordt in de volgende paragrafen nu en dan van bewegingswerkwoorden, waarnemingswerkwoorden, zeg-en denkwerkwoorden enz. gesproken. Dergelijke termen hooren niet in eene logische indeeling thuis, maar dienen alleen voor het gemak.

 

85.

De werkwoorden zijn als gezegdewoorden zeer veranderlijk. Zij drukken persoons-, tijds- en modus verschil uit, d.w.z.:

1o. hun vorm verwijst meer of minder duidelijk naar een 1en, 2en of 3en pers. enkelv. of meerv. als onderwerp;

2o. hij drukt uit, in welke betrekking de werking staat tot het oogenblik van het spreken òf tot een vroeger tijdstip, en

3o. hij drukt uit, of de werking als eene realiteit is op te vatten, dan wel als een product van denken en gevoelen, dat al of niet werkelijkheid kan of moet worden, d.i. al of niet mogelijk of noodzakelijk is.

De bijzonderheden van deze veranderlijkheid der werkwoorden behooren evenals die omtrent de veranderlijkheid der naamwoorden (vgl. § 11) tot de leer der vormen.

 



[p. 159]

Opmerking. De persoons- of subjects-aanwijzing brengt de werking in betrekking tot een punt in de ruimte, zooals de tijdsaanwijzing het doet tot een punt in den tijd. In beide gevallen is de spreker het uitgangspunt der aanwijzing, n.l. de plaats, waar hij zich bevindt, en het tijdstip, waarop hij spreekt. De bijw. bepalingen van ruimte en tijd doen niet anders dan deze primitieve aanwijzingen uitbreiden.

De modaliteitsaanwijzing, later uitvoeriger te bespreken, is in verband te brengen met de causaliteitsgroep. Alle modusbetrekkingen zijn verhoudingen tot de werkelijkheid en deze verhoudingen worden bepaald door het al of niet voorhanden zijn of het zich al of niet voorhanden denken van de oorzaken, die tot het te voorschijn roepen eener werking noodig zijn.

 

Het werkwoord als koppel- en hulpwerkwoord.

86.

Ook onder de werkwoorden zijn er, welker beteekenis als begripswoord verbleekt is en die alleen beteekenis hebben in verbinding met een ander begripswoord. Hiertoe behooren in de eerste plaats de koppelwerkwoorden, die in den regel met een naamwoord, en de hulpwerkwoorden, die met een naamwoordelijken vorm van het werkwoord (infinitief of deelwoord) eene verbinding aangaan.

 

87.

Over de koppelwerkwoorden is uitvoerig gehandeld in de leer van den enkelvoudigen zin, bij de bespreking van het naamwoordelijk gezegde (I § 6, Opm. 1-3). Het zijn de werkwoorden zijn en worden met enkele aequivalenten van beide, die in eenige vaststaande uitdrukkingen voorkomen.

Met zijn komen overeen: staan (bekend staan, te bezien staan), vallen (zwaar, moeilijk vallen), zitten (in de war, verlegen zitten).

Met worden zijn gelijkwaardig: raken (vast-, los-, in de war raken), loopen (vol-, leeg-, in de war loopen), stroomen (vol-, leeg stroomen), gaan (kapot, stuk, verloren gaan), schieten (vol schieten), en licht nog enkele andere.

Verder staat naast zijn nog: blijven (voortdurend zijn), en krijgen de werkwoorden schijnen, lijken, blijken, heeten, dunken en voorkomen mede het karakter van koppelwoorden, wanneer

[p. 160]

zij nl. niet door te zijn gevolgd worden; b.v. Hij schijnt, lijkt, blijkt of heet een eerlijk man. Dat dunkt mij verkeerd. Dat komt mij bedenkelijk voor.

In het algemeen kan men zeggen, dat de koppelwerkwoorden dienen, om met zelfst. of bijv. naamwoorden of met adjectieve of adverbiale uitdrukkingen verbale verbindingen te vormen, die in beteekenis gelijk staan met de werkwoorden der 2e en 3e groep (vgl. § 75) en dus het verkeeren of het komen in een staat of toestand beteekenen.

 

Opmerking. In de leer der woordvorming zal blijken, dat over het algemeen in het oudere Germaansch het vormen van een werkwoord van of naast  1)   een substantief, adjectief of adverbium meer tot de levende taal behoorde dan thans. Wel worden door dichters nu en dan - vgl. kransend touw (Bogaers), wolkend stof (Potg.) - en vooral in de jongste literaire taal veel nieuwe denominatieven gebruikt (plekken, stalen, donkeren, vgl. I § 6 noot), maar zij dringen zelden in de omgangstaal door. Hierbij komt nog, dat reeds in de oudere taal de vorming van denominatieven zich toch ook al hoofdzakelijk beperkte tot eenlettergrepige stammen; die van twee-of meer lettergrepige stammen afgeleid, zijn zeldzaam.  2)  

Bovendien komen er in die oudere taal wel vele denominatieven voor, die een worden beteekenen, maar weinig die een zijn uitdrukken, als b.v. got. sipônjan (discipel zijn) naast sipôneis (discipel); veitvódjan (getuige zijn) naast veitvôds (getuige); balthjan (koen zijn) naast een verondersteld got. *balths, ohd. bald (koen); gaîrnjan (begeerig zijn) naast gairns (begeerig), enz. Ook in het tegenwoordige Nederlandsch zijn er evenzeer maar weinig: beunhazen, dokteren (voor dokter spelen), kwakzalveren, schoolmeesteren, rentenieren, enz. en naast adjectieven suffen, dartelen en misschien nog enkele.

Intusschen drukken zelfs deze weinige denominatieven toch altijd meer een doen dan een zijn uit. Kwakzalveren = als een kwakzalver te werk gaan en suffen = van sufheid blijk geven; voor de eenvoudige vermelding van de qualiteit, zal men meest de voorkeur geven aan: hij is een kwakzalver, hij is suf. Zoo ook zal men ons werkwoord getuigen eerder vertalen door ‘getuigenis afleggen’, dan door ‘getuige zijn’.

 1)  Deze laatste uitdrukking verdient de voorkeur, omdat zij voorzichtiger is. De geschiedenis der denominatieven bevat nog veel duisters, en waar een zwak werkwoord naast een naamwoord staat, is het volstrekt niet altijd uitgemaakt, dat het eerste direct van het laatste gevormd is.
 2)  Wilmanns, D. Gr. II 49.


[p. 161]

Een en ander verklaart voor een goed deel, hoe, om het verkeeren in een toestand of het bezitten van eene qualiteit uit te drukken, de naamwoordelijke gezegden met zijn of zijne aequivalenten zich hebben uitgebreid en in overeenstemming daarmede ook die met worden, al was daaraan door het bestaan van gelijkbeteekenende werkwoordelijke gezegden ook niet zooveel behoefte; vgl. hij wordt arm, met hij verarmt; de dagen worden kort, met de dagen korten, enz.

Toch blijft in al deze gevallen groote overeenkomst bestaan tusschen de naamwoordelijke gezegden en deze soort van denominatieven, en mag men de koppelwerkwoorden beschouwen als eene soort van vormwoorden, die op analytische wijze hetzelfde helpen uitdrukken, wat de directe afleidingen synthetisch doen.

 

88.

Het karakter der hulpwerkwoorden is reeds in het licht gesteld in I § 78 na de beschrijving der functies, die de infinitief in een zin kan hebben. Eene vollediger behandeling van dit onderwerp is eerst op hare plaats in de leer der vormen, na de beschouwing van de verschillende wijzen, waarop (vgl. § 85) tijds- en modusverschillen kunnen worden uitgedrukt. Toch kunnen in het volgende overzicht reeds eenige meerdere bijzonderheden gegeven worden.

De hulpwerkwoorden zijn eene soort van vormwoorden, die op analytische wijze, - d.i. door hulpwerkwoorden en niet door uitgangen (vgl. I § 31 Opm. noot) - van eene werking, door een volgend deelwoord of infinitief vermeld, helpen uitdrukken: 1o. de voltooidheid, 2o. de toekomstigheid, 3o. de modaliteit, 4o. het lijdend geslacht (passivum).

Die, welke voor het onder 1o. en 2o. genoemde doel dienen, worden gewoonlijk hulpwerkwoorden van tijd genoemd, die voor 3o. hulpww. van modaliteit, en de beide werkwoorden, die voor 4o. gebruikelijk zijn (worden en zijn), hulpww. van den lijdenden vorm.

 

89.

Van de hulpwerkwoorden van tijd dienen hebben en zijn, om met een voltooid deelwoord de voltooidheid der werking uit te drukken, het eerste waar het een doen of verkeeren in een toestand geldt (1e en 2e groep), het tweede, wanneer van een overgaan in een toestand sprake is (3e groep).

Zullen dient om met een infinitief de toekomstigheid eener werking uit te drukken.



[p. 162]

De eigenlijke tijdsaanwijzing, d.i. de betrekking tot het oogenblik des sprekens of tot een verleden tijdstip, geschiedt in het eene en het andere geval door de vervoeging van het hulpwerkwoord: Hij heeft gewerkt, Hij had gewerkt; Hij is vertrokken, Hij was vertrokken; Hij zal werken, Hij zou werken.

Als hulpwerkwoorden van tijd in ruimeren zin zijn aan te merken: gaan, loopen, blijven (in twee beteekenissen), en komen (+ te), in zinnen als: Hij gaat slapen. Hij loopt het gauw vertellen. Hij blijft van nacht logeeren. Hij blijft doorpraten. Hij komt eten. Hij kwam te overlijden. Ook zijn met een volgenden infinitief kan als zoodanig dienst doen: Hij is boodschappen doen. Hij is wezen zwemmen.

 

Opmerkingen. 1. Het minst verbleekt is het begrip hebben (= bezitten) in gezegden, waarin een transitief werkwoord voorkomt met een voorwerp, dat nog in het bezit van het onderwerp is, b.v.: Hij heeft een appel geschild, Hij heeft zijn boog gespannen. Hier kan men zich nog zeer goed voorstellen, hoe geschild en gespannen oorspronkelijk als attributen van appel en boog moeten gevoeld zijn, en deze beide als voorwerpen van hebben. De laatste zin komt in het ohd. voor in dezen vorm: ‘Er habet gespannenen sinen Bogen 1)  , waar de verbogen vorm van gespannen nog meer doet uitkomen, hoe het besef, dat het deelwoord bij het object behoorde, nog levendig was.

Eerst toen het begrip van heeft (= bezit) verdwenen was, kon ook gezegd worden: Hij heeft een appel weggegeven, Hij heeft zijn boog vernietigd. Hier werd alleen het afgeloopen zijn der werking uitgedrukt. En zoo wordt het duidelijk, hoe hebben ook gebruikt kon worden bij werkwoorden, die een intransitief doen beteekenen: De hond heeft geblaft, en bij ww. der 2e groep: Hij heeft geslapen.

 1)  Notker VII, 13. Nog een ander voorbeeld is: ‘Phîgboum (4e nv.) habêta sum giflanzôtan (4e nv.) in sînemo wîngarten (Tatian) = (Een) vijgeboom had iemand geplant in zijnen wijngaard. Het deelwoord kwam echter ook in onverbogen vorm voor. Hetzelfde treft men in het os. aan; in de volgende regels (Hêl. 53-56) is het eerste en tweede deelwoord onverbogen, het derde verbogen:
           Than habda thuo drohtin god
 Rômanô- liudeon farliwan rîkeô mêsta,
 habda them heri-skipie herta gisterkid,
 that sia habdon bithwungana thiodô gihwilîka -
d.i.:
           Toen had de Heere God
 (den) Romeinen verleend (van het) rijk het grootste deel,
 (en) had dien lieden (het) hart gesterkt,
 (zoo)dat zij hadden bedwongen elk der stammen.


[p. 163]

Volkomen logisch is het gebruik van zijn bij werkwoorden, die een overgaan in een toestand beteekenen: Hij is vertrokken. Het deelwoord is hier te beschouwen als een naamw. deel van het gezegde, wat bevestigd wordt door het feit, dat het in de oudere taal ook verbogen werd, b.v.: ohd. Arganganâ wârun ahtû tagâ = Voorbijgegaan waren acht dagen.

In het got. bestond nog geen omschreven voltooide tijd. De verleden tijd (praeteritum) diende voor onv. verl. tijd, volt. tegenw. en volt. verl. tijd, zoodat nama kon beteekenen: ik nam, ik heb genomen, en ik had genomen. In het ohd. komen omschreven vormen, ofschoon zeldzaam, al enkele malen voor, maar dan meer met het ww. eigan (= hebben) dan met haben. In de 10de eeuw begon het gebruik van hebben als hulpww. meer algemeen te worden.

2. Het begrip van zullen = ‘verplicht zijn’, is nog duidelijk in ‘Gij zult niet doodslaan’, Hij zál gehoorzamen. Hieruit is licht af te leiden, hoe het een hulpww. voor de toekomende tijden worden kon. Wat verplicht is, is toekomstig.

Ook het gebruik van dit hulpww. heeft zich eerst langzamerhand ontwikkeld, nadat de Germanen uit elkander gegaan waren. In het got. wordt bijna geregeld het praesens als futurum gebruikt, wat nog tegenwoordig veel voorkomt, vgl.: ik ga morgen op reis. Nu en dan echter wordt, om de toekomstigheid nadrukkelijk te doen uitkomen, van skulan (verplicht zijn) gebruik gemaakt, of ook wel van haban  1)   of duginnan (beginnen). Ook in het ohd. is een omschreven futurum nog zeldzaam; het wordt dan met sculan of wellan (willen) gevormd. Eerst in het mhd. komt werden voor: eerst gevolgd door een deelwoord (wirt dienende - zal dienen), later in het nhd. door een infinitief (wird dienen).

In het Engelsch zijn willen en zullen voor den toekomenden tijd in gebruik gebleven. De voor een vreemdeling lastige onderscheidingen in dit gebruik vloeien in beginsel voort uit het verschijnsel, dat het futurum òf een voorspellend, òf een belovend karakter kan hebben.

In het Fransch zijn de vormen van het werkwoord hebben tot uitgangen voor de toekomende tijden overgegaan: je donnerai = ik te geven heb, tu donneras = gij te geven hebt, enz.; nous donnerons staat voor nous donner-avons, enz.

3. Bij de hulpww. van tijd in ruimeren zin geven gaan, loopen, en het eerste blijven iets toekomstigs aan de werking. Het tweede blijven wijst eene voortduring der werking aan. Komen + te komt slechts in zeldzame gevallen voor en drukt dan eene bereikte toekomst uit: Hij komt te weten = hij verneemt, wordt bekend met iets, dat hij zocht. Hij kwam te overlijden = het sterven werd voorzien

 1)  Joh. VI:7: ‘Want deze Judas zou hem verraden’, luidt in het got.: sa auk habaida ina galevjan, d.i. die ook (= namelijk) had hem (te) verraden.


[p. 164]

en nu gebeurde het. Dat komt op veel geld te staan = Dat begint duur te worden, of: is duur geworden, enz.

Het is duidelijk, dat bij deze ruimere opvatting van het begrip hulpww. van tijd de grenzen der groep niet scherp te trekken zijn. Beginnen te of met te, en ophouden of eindigen met te, op het punt staan te en dergelijke zouden er eveneens toe te brengen zijn, in het algemeen al zulke werkwoorden, die een begin, duur, voleinding of herhaling van eene door een volgenden infinitief uitgedrukte werking aangeven. Ook in andere talen ontbreken voorbeelden daarvan niet, vgl. fr. Il va partir, Il doit arriver, Il vient d'arriver; eng. I happened to meet him (ik ontmoette hem daar juist), hd. (in de volkstaal) Er ist fischen gewesen, enz.

 

90.

Ook de hulpwerkwoorden van modaliteit (vgl. § 85 3o) vormen geen afgesloten groep.

Bij eene beperkte opvatting van den term zijn tot deze categorie de werkwoorden kunnen, zullen, moeten, mogen, willen en laten (‘faire’ of ‘laisser’) te brengen, wanneer hunne beteekenis zoodanig is verbleekt, als het geval is in zinnen gelijk de volgende: Hij kan, zal, of moet onderweg opgehouden zijn (= Het is mogelijk, waarschijnlijk, of noodzakelijk, dat hij opgehouden is). Hij mag wel voortmaken (een wensch). Hij mag doen, wat hij wil (toelating). De koning moet zeer tevreden geweest zijn. (Het gerucht gaat, dat.... enz.) Dat middel wil wel eens helpen. (De mogelijkheid bestaat, dat... enz.) Laat hij, laat de jongen voortmaken. (Hij make voort).  1)  

Opmerking. 1. Uit dit overzicht blijkt reeds, dat zich hier zeer uiteenloopende gevallen voordoen, die moeilijk logisch zijn te rangschikken. Bovendien is het niet altijd uitsluitend het hulpww., dat de modaliteit uitdrukt; soms komt een bijwoord meehelpen, b.v. wel, weleens, zeker, enz. En eindelijk heeft ook de vorm invloed op de wijzigende kracht van het hulpww., b.v. Hij kan of kon wel wat mooier schrijven. Zal of zou hij slagen? Zou dat waar zijn? Moge hij slagen. Mocht hij slagen. Ik wil hem niet weerzien, of hij moet excuus vragen. Ik wil hem niet weerzien, of hij moest excuus vragen. Het moest eens misloopen. Daarom is ook deze beschouwing slechts voorloopig en moet dit onderwerp opnieuw ter sprake komen, als in de leer der vormen de wijzen behandeld zijn.

Bij uitbreiding zijn de werkwoorden kunnen, mogen, moeten, zullen (= verplicht zijn) ook als hulpww. van modaliteit te beschouwen, wanneer hunne beteekenis minder verbleekt is,

 1)  Zie over laten: Verdam, Kon. Acad.


[p. 165]

en zij met werkwoorden als: durven, dienen, behooren, behoeven eene groep vormen, waardoor uitgedrukt wordt, dat eene volgende werking òf in het vermogen ligt van het onderwerp (kunnen = in staat zijn, mogen = verlof hebben, durven = moed hebben), òf tot de verplichtingen van het onderwerp behoort (moeten, zullen, dienen, behooren, behoeven). Het motief tot deze uitbreiding is, dat de op deze werkwoorden volgende infinitief kwalijk als een voorwerp of bepaling is op te vatten, zoodat hulpww. en infinitief te zamen als het praedicaat zijn te beschouwen. (Vgl. verder § 95 IV).

Om dezelfde reden zijn ook schijnen, lijken, blijken, heeten - wanneer het geen koppelwerkwoorden zijn (vgl. § 87) - tot de modaliteitswerkwoorden te rekenen. Ook zij drukken de verhouding van de volgende werking tot de werkelijkheid uit: Hij schijnt of lijkt, blijkt, heet hard te studeeren. (Het heeft den schijn, het is bewezen, het is een gerucht, dat hij hard studeert.)

 

Opmerkingen. 2. Herinnerd worde hier aan I § 78 Opm., waar met eenigen nadruk betoogd is, hoe in de opvatting der verhouding tusschen infinitief en voorafgaanden persoonsvorm zeer veel subjectiefs gelegen is, zoodat al te besliste uitspraken ten aanzien van dit onderwerp misplaatst zijn. Als regel kan men stellen, dat zoodra een infinitief niet als een subject of object van den persoonsvorm, noch als attribuut van een in den zin vermeld naamwoord, noch als bijw. bepaling bij dien persoonsvorm te beschouwen is, de persoonsvorm als hulpwerkwoord wordt gevoeld, hetzij dan van tijd, hetzij van modaliteit.

3. De aan het slot der paragraaf vermelde zinnen kunnen ook in dezen vorm voorkomen: Het schijnt, het blijkt, het heet, dat hij hard studeert. Hoe in dit geval de ww. schijnen, enz. noch als koppelww., noch als modaliteitswoorden, maar als zelfstandige gezegdewerkwoorden moeten beschouwd worden, is betoogd in II § 48 Opm. 3. Ze staan dan voor: schijnt te zijn, blijkt te zijn, enz., en moeten als zelfstandige werkwoorden beschouwd worden.

Op dezelfde wijze zijn de zinnen: Hij kan, zal, moet opgehouden zijn, in beteekenis gelijk met: Het kan zijn, het zal zijn, het moet zijn, dat hij opgehouden is. Hier echter kan zijn niet gemist worden, behalve soms in het eerste geval: Het kan, dat hij opgehouden is.

 

91.

De hulpwerkwoorden van den lijdenden vorm zijn worden en zijn, het eerste voor de onvoltooide

[p. 166]

tijden: Het loon wordt betaald, Het loon werd betaald, het laatste voor de voltooide tijden: Het loon is betaald, Het loon was betaald.

Onjuist is de voorstelling, dat de met vormen van zijn gevormde passìva door ellips van het deelwoord geworden zouden ontstaan zijn. Eerst later, na de 13e eeuw, werd dit deelwoord bij wijze van versterking toegevoegd.

Ook is het niet het hulpwerkwoord, dat aan een lijdend gezegde de passieve beteekenis geeft. Dat geschiedt door het voltooide en in dit geval passieve deelwoord; het hulpww. drukt slechts uit het komen (worden) of het geraakt zijn (zijn) in den toestand, door het deelwoord vermeld.

 

Opmerking. In § 79 Opm. 1 is een weinig toelichting gegeven omtrent het vervoegde passivum, zooals dit in de klassieke talen voorkomt en de vermoedelijke verwantschap van het als passivum gebruikte gr. medium en het lat. passivum met het reflexivum Aan het slot van § 82 en de daarbij behoorende Opm. 3 is verder het natuurlijke dier verwantschap aangetoond. Hier volgt thans nog eenige aanvulling van het daar gezegde.

In het Gotisch komt nog nu en dan een medio-passivum voor, maar alleen voor de tegenwoordig werkelijke of mogelijke handeling (indic. of conj.). Een lijdende vorm in den verl. tijd wordt ook daar reeds omschreven met varth (werd) of met vas (was). Eenige licht te volgen  1)   voorbeelden mogen van het geval eene voorstelling geven.


Matth. V:19: Ith saei nu gatairith aina anabusne thizo ministono.... Alzoo wie ontbindt (vernietigt) een gebod dezer kleinste.....
...... minnista haitada in thiudangardjai himinê. ..... (de) minste geheeten wordt in (het) koninkrijk (der) hemelen.
VI:2. Than nu taujais armaion, ni haurnjais faura thus, svasvê thai liutans taujand in gaqumthim jah in garunsim, ei hauhjaindau fram mannam. Wanneer dan gij doet aalmoes, (dat gij) niet hoornt (trompet) voor u, gelijk de huichelaars doen in (de) vergaderingen en in (de) straten, opdat (zij) verhoogd (geprezen) worden van (de) menschen.

 

 1)  Door de letterlijke vertaling zal het voor hen, die niet aan de studie van het got. gedaan hebben, toch mogelijk zijn het verschijnsel na te gaan. De infinitieven der passiva zijn: haitan, hauhjan, gaum-jan (waarnemen, vgl. mnl. goom nemen, letten op iets, in velerlei beteekenissen), ga-saihvan (zien), us-maitan (uithouwen), ga-hailjan, (heelen), in-sandjan (heenzenden), bi-gitan (vinden, krijgen, vgl. to get).


[p. 167]


VI:5..... ei gaumjaindau mannam. ..... opdat (zij) opgemerkt worden (door de) menschen.
VI:15.... ei gasaihvaindau mannam fastandans. ..... opdat (zij) gezien worden van de menschen vastende.
VII:19. All bagmê ni taujandanê akran god usmaitada jah in fon atlagjada. Ieder (der) boomen, niet voort-brengende goede vrucht, wordt uitgehouwen en wordt in het vuur gelegd.
VIII:13: ...Jah gahailnoda sa thiumagus is in jainai hveilai. ....En genezen is de dienst-knecht zijns in gene wijle.
Luc. I:26: Thanuh than in menoth saihstin insandiths vas aggilus Gabriel fram gutha in baurg Galeilaias sei haitada Nazaraith. Toen dan in (de) zesde maand was gezonden (de) engel Gabriel van Gode in (eene) stad Galilea's, dewelke wordt (of is) geheeten Nazareth.
I:60: Jah andhafjandei so aithai is qath: ne, ak haitaidau Johannes. En antwoordende de moeder zijns sprak: neen, maar (hij) worde geheeten Johannes.
Rom. X:20: ...bigitans varth thaim mik ni gasokjandam. ..... gevonden werd (ik) door die mij niet zoekenden.

 

Het blijkt dus, dat in het got. de vorming van een lijdend gezegde met worden en zijn in den verl. tijd reeds bestond en dus het passivum blijkbaar ook beschouwd werd als een geraken of geraakt zijn in een toestand, uitgedrukt door het deelwoord. Alleen moet opgemerkt worden, dat tusschen een vorm met werd en een met was niet altijd het verschil bestond van onv. en volt. verl. tijd, dat zich later heeft vastgezet. Varth werd menigmaal voor een doen en vas meer voor een toestand gebruikt.

In het ohd. is het vervoegde passivum geheel verdwenen en worden ook in den teg. tijd vormen van worden en zijn gebezigd. Aanvankelijk is ook daar het onderscheid niet vast: zoowel ist ginoman als wirdit ginoman staat voor wordt genomen, en zoowel was ginoman als ward ginoman voor werd genomen. Na de 9e eeuw werd het echter meer en meer regel om in het passief met wirdu en ward de onvoltooide, met bin en was de voltooide tijden te vormen, wat ook regel is in de taal van den Hêliand (os.) en der Karolingische psalmen (ondfr. of oudlimb.) In deze dialecten wordt aanvankelijk het deelwoord nog vaak in overeenstemming met het lijdend object verbogen, maar komt daarnaast ook de onverbogen vorm voor, tot deze ten laatste de overhand behoudt. In het mnl. is het overgangsproces afgeloopen en wordt de lijdende vorm op dezelfde wijze samengesteld als tegenwoordig. Eene bijzonderheid is, dat daar in enkele gevallen bliven het passivum vormt, vooral om het voortduren van een geworden toestand uit te drukken: Ende hi bleef van sciplieden gevaen. (Stoett. Mnl. Synt. § 395.)

 



[p. 168]

92.

Geheel op zich zelf staat eene zeer bijzondere functie van het werkwoord doen. Evenals nl. een voorafgenoemde of na te noemen zelfstandigheid door een pers. of aanw. vnwd. kan aangeduid worden: Die jongen, hij verveelt mij, of Hij verveelt mij, die jongen, en evenals eene qualiteit aangeduid kan worden door het pers. vnwd. het: Hij is ziek, hij is het al lang, evenzoo kan ditzelfde het eene werking aanduiden: Hij loopt hard, maar hij houdt het niet lang uit (Vgl. § 23, 1o).

Het vnwd. het kan daartoe echter alleen dienen, wanneer de werking als onderwerp of lijdend voorwerp aangeduid wordt. Geldt het eene functie, die door een voorzetsel pleegt uitgedrukt te worden, dan wordt een pronominaal bijwoord noodig: Wandelen, hij houdt er niet van. Maar het is soms ook noodzakelijk, eene werking in het praedicaat aan te duiden, en daartoe wordt dan het werkwoord doen gebruikt: Wandelen doet hij niet veel. Slapen doet hij niet. Rijzen doet de ballon niet meer. Uit deze voorbeelden blijkt, dat het onverschillig is, of er een doen, een verkeeren of een komen in een toestand moet aangeduid worden, wel een bewijs, dat voor het taalgevoel de beteekenis van elk werkwoord feitelijk een doen is.

Wanneer de aangeduide werking niet in denzelfden enkel-voudigen zin, maar te voren genoemd wordt, dan moet buiten het ww. doen ook het vnwd. het dienst doen: Wandelen, hij doet het veel te weinig. Hij rookt niet meer; al een half jaar heeft hij het niet meer gedaan. ‘Indien er iemand ter wereld benijd werd, dan mocht Ovens het heeten; spijt al het schimpen onzer provincialisten op geld en geldzakken, zouden zij het hem zoo goed hebben gedaan, als de Amsterdammers het deden.’ (Potg.)

 

Opmerking. Dit gebruik van doen komt ook in het eng. voor: We went away before you did (go). Ook aan het mnl. was het eigen: Die hebbic.... also lief, als iemen sine kindre doet, enz. (Vgl. Mnl. Wdb. II, 232.)

Verdwenen is het gebruik van doen als eene soort van hulpww., dat persoons-, tijds- en modusverschil aangeeft, terwijl een volgende infinitief de eigenlijke werking vermeldt, b.v. in den bekenden regel van het Wilhelmuslied: Daer na so doet verlanghen mijn vorstelijc

[p. 169]

ghemoet. In het mnl. komen dergelijke periphrastische gezegden veel voor, b.v.: Die hem te sere haesten doet, (voor haast) enz.

Van gelijksoortigen aard is het gebruik van to do in het eng. in ontk., vrag. en in sommige bevestigende zinnen, en van thäte ter uitdrukking van den conditionalis in Zuidduitsche dialecten: Das thäte ich mein Leben nie trinken. Ook in den uitgang de of te van den verl. tijd der zwakke werkwoorden komt het voor.

 

Naamwoordelijke vormen van het werkwoord.

93.

In § 74 is aangewezen, hoe de naamwoordelijke (nominale) vormen van het werkwoord de tegenstelling zijn van de persoonsvormen, en hoe zij als de substantivische en adjectivische vormen van het werkwoord moeten beschouwd worden. Deze vormen zijn de infinitief (zg. onbepaalde wijs) en de deelwoorden. De eerste dient voor dezelfde functies, waarin het zelfstandig naamwoord voorkomt (§ 16), de laatste voor dezelfde diensten, waartoe het bijv. nwd. gebezigd wordt (§ 42).

Intusschen dienen deze vormen toch ook, gelijk bij de behandeling der vorige groep gebleken is, om met een hulpwerkwoord vereenigd het gezegde te vormen.

 

Opmerkingen. 1. Het inzicht in het wezen der nominaal-vormen wordt in den regel belemmerd door de gewoonte om bij het lager onderwijs - waar men trouwens kwalijk anders kan te werk gaan, - den infinitief als den grondvorm van het ww. voor te stellen, waarvan alle andere vormen afgeleid zijn. De infinitief is omgekeerd te beschouwen als een vorm, die wat jonger is dan de persoonsvormen, geboren uit de behoefte om de werkwoorden in dezelfde zinsconstructies te gebruiken als de oorspronkelijke werkers- en werkingsnamen (nomina agentis en nomina actionis), die direct uit den wortel voortgekomen echte substantieven waren. Zoolang deze verbale substantieven nog verbogen werden, waren het eigenlijk nog geen infinitieven. Zij werden het eerst, toen de uitgangen verdwenen. Zoo is de infinitief te beschouwen als een geïsoleerde of versteende vorm van een verbaal substantief. Later ging het weer omgekeerd en werden van de infinitieven ook werkingsnamen op ing of st, en werkersnamen op er, aar, aard, erd, ing, enz. gemaakt.

Ook de naam onbepaalde wijs is een hinderpaal. De infinitief is geen wijs of modusvorm. Men kon hem eigenlijk beter ook een participium of deelwoord (d.w.z. deels werkwoord, deels naamwoord)

[p. 170]

noemen, te meer waar deelwoord en infinitief, gelijk blijken zal, in eene zelfde functie zoo licht met elkaar afwisselen.

De deelwoorden zijn oorspronkelijke verbaal-adjectieven, waarvan het werkwoordelijk karakter sterker op den voorgrond is getreden, naarmate de gewoonte, om ze met subject of object te laten congrueeren, verdween. (Vgl. de voorbeelden van verbogen deelwoorden in § 89, opm. 1 en de noot.)

Na deze opmerkingen moet intusschen het begrip van inf. en deelw. uit het tegenwoordig gebruik afgeleid worden.

2. Er zijn talen, die meer nominaalvormen hebben; b.v. het lat. heeft twee supina, een actief supinum op um en een passief op u (amatum = om te beminnen en amatu = om bemind te worden); verder een gerundium, dat men zich het best voorstelt, als een verbogen infinitief (gen. amandi = van het beminnen, dat. amando = voor of aan het beminnen, acc. amandum = tot  1)   het beminnen, abl. amando = door het beminnen); en eindelijk een gerundivum (amandus = bemind moetende worden). De supina en het gerundium zijn eene soort van infinitieven en het gerundivum eene soort van deelwoord. Voor verdere bijzonderheden moet naar de latijnsche grammatica's verwezen worden. Het hier gegevene moet alleen dienen tot eenige toelichting van straks te bespreken verschijnselen.

 

 1)  Of eenig ander voorzetsel.

De Infinitief.

94.

Het wezen van den infinitief is reeds in I §§ 76 en 77 geanalyseerd. Het is de naam, waaronder het werkingsbegrip in dezelfde functies als het substantief kan gebezigd worden, zonder het vermogen te verliezen om met voorwerpen en bijwoordelijke bepalingen verbonden te zijn, d.w.z. zonder zijn karakter van werkingswoord, d.i. van een woord, dat beweging of verandering uitdrukt, af te leggen.

Het logisch verschil tusschen een werkingsnaam (verbaal substantief) en een infinitief is te weinig scherp, dan dat beide niet vaak voor en door elkander gebruikt zouden worden. Men zegt even goed: Het leeren van jaartallen is een vervelend werk als: Jaartallen te leeren is een vervelend werk. Toch is er eenig verschil: het substantief drukt het begrip van de zaak uit, los van eenig tijdstip, terwijl de infinitief eene aan een tijdstip verbonden voorstelling van de zaak opwekt. Hoe meer bijzonderheden er dan ook bij de werking te vermelden vallen,

[p. 171]

hoe meer de infinitief de voorkeur heeft boven een verbaal substantief, d.w.z. hoe moeilijker het valt, de werking samen te vatten als eene eenheid. Daarom zegt men b.v. liever: Van 's morgens vroeg tot 's avonds laat met een hengel in de hand aan een slootkant te zitten is eene zonderlinge liefhebberij, dan: Het zitten aan een slootkant met een hengel in de hand van 's morgens vroeg tot 's avonds laat, is.... enz.

Of men met een infinitief, dan wel met een zelfstandig naamwoord te doen heeft, kan derhalve gewoonlijk alleen aan uiterlijke kenmerken worden nagegaan. Regel is, dat men niet met een infinitief, maar met een substantief te doen heeft, als er een lidwoord of eenig ander determinatief, of ook een genitief aan voorafgaat: het leeren, mijn, dit, zulk, welk leeren, Willems leeren, wiens leeren, enz. En terwijl de infinitief pleegt vergezeld te worden van objecten en adverbiale bepalingen, wordt het substantief begeleid door bijvoeglijke bepalingen; vgl. Bij sterke verhitting koud water te drinken en Het drinken van koud water bij sterke verhitting, Kinderen belooningen te geven en Het geven van belooningen aan kinderen, enz.

 

Opmerking. De overgang van een voorwerp tot eene bijv. voorzetselbepaling is eene duidelijke verandering. Bij eene bijwoordelijke voorzetselbepaling, die bijvoeglijk wordt, bestaat de verandering gewoonlijk alleen daarin, dat ze in plaats van vóór den infinitief achter het verbale substantief komt te staan, vgl.: In de avondlucht te loopen en Het loopen in de avondlucht.

De voorwerpen en bijw. bepalingen onveranderd en op hunne plaats te laten, wanneer in plaats van een infinitief een verbaal substantief gebruikt wordt, geeft gewrongenheden als: wegens het na twaalven kleeden uitkloppen, wegens het met een handkar van de verkeerde zijde de Kalverstraat inrijden, het aan de vrouwen stemrecht weigeren, enz.

 

95.

Met verwijzing naar I § 77 voor meer voorbeelden, volgt hier naar de indeeling van § 16 (diensten van het substantief) een overzicht der functies van den infinitief.

 

I. In de eerste plaats komt de infinitief voor als onderwerp en als voorwerp:

a. als onderwerp: Werken is geen straf. Het is geen straf te werken.

b. als voorwerp: 1o. als lijdend voorwerp: Hij acht liegen zonde. Hij hoorde schellen. Hij vergat te betalen.



[p. 172]

2o. als oorzakelijk voorwerp: Hij verbaasde zich dat te hooren. Hij zag er van af te klagen.

 

II. In de tweede plaats komt de infinitief voor als een (nominaal) deel van het gezegde:

a. als naamw. deel van het gezegde (praedicaatswoord): Het is knoeien. Dat blijft sukkelen; of met een voorzetsel voor den infinitief: De kans is te wagen. Dat kind is om te stelen.

b. als bepaling van gesteldheid (praedicatief attribuut): Hij zag den jongen loopen. Hij hoorde den zieke iets mompelen. Hij voelde zijn hart kloppen. Hij vond het boek achter de kast liggen. Hij heeft daar een huis staan. Hij kwam aanloopen. Hij staat, zit, ligt, loopt te brommen. Ik weet hem te wonen. Hij deed mij inzien. Ik liet (faire) hem de les opzeggen. Ik liet (laisser) hem loopen. Ik hielp hem den last dragen. Dat noem ik stelen.

 

III. In de derde plaats komt de infinitief voor als adnominale of als adverbiale bepaling:

a. als adnominale (bijvoeglijke) bepaling: De te maken opstellen. De zucht om te behagen.

b. als adverbiale bepaling:

1. van tijd: Alvorens te kloppen. Na geklopt te hebben.

2. van oorzaak of middel: Door hard te loopen. Met te weigeren.

3. van doel: Om te leven. Ten einde vooruit te komen.

4. van omstandigheid: Zonder te groeten. In plaats van te groeten.

 

IV. Buiten deze substantivische functies komt de infinitief als gezegde (praedicaat) voor:

1o. in vereeniging met een hulpww. van tijd of van een ww., dat het karakter daarvan heeft: Hij zal, komt, gaat, blijft studeeren, komt te vallen, enz. (vgl. § 89, Opm. 3).

2o. in vereeniging met een hulpww. van modaliteit: Hij kan, zal, mag, moet opgehouden zijn. Dat wil soms voorkomen. Laat hij voortmaken; en verder in alle gevallen, waarin de persoonsvorm bij uitbreiding als modaliteitsaanwijzing wordt opgevat. (Vgl. § 90 alsmede Opm. 2 en 3).

 



[p. 173]

Opmerkingen. 1. In § 16, Opm. 1 is aangewezen, hoe een substantief als subject of object het zuiverst de voorstelling van eene zelfstandigheid vertegenwoordigt. Ook van den infinitief kan gezegd worden, dat hij, in de functie van onderwerp of lijdend voorwerp voorkomende, het zuiverst de als zelfstandigheid opgevatte werking vertegenwoordigt.

Hier is echter een voorbehoud. De zuivere onderwerps- en voorwerpsvorm van een substantief heeft geen voorzetsel. Toch komen in beide vormen infinitieven met het voorzetsel te voor.

Deze infinitief met te is te beschouwen als een overblijfsel van een paar bijzondere vormen, die in het West-germ.  1)   voorkwamen naast den infinitiefvorm, die als nom. en acc. dienst deed. Naast  2)   nëman b.v. stond in het Ohd. een genitiefvorm nëmannes en een datiefvorm nëmanne. Deze beide vormen zijn te beschouwen als eene soort van  3)   gerundium (vgl. § 93 Opm. 2) en de datiefvorm, gewoonlijk in het ohd. met het voorzetsel zi, za of ze verbonden, geeft meest eene richting van eene werking op eene andere aan: Ih imo gibu zi drinkanne. Siê suochtun inan zi traganne inti zi setzenne furi den heilant. (= Zij zochten hem te dragen en te zetten voor den Heiland). Ook in het os. en het ondfr. komt dit gerundium voor: (Hêl. 521) Nu is the hêlago Krist an thesan wîh (tempel) kuman, te alôsienne thea liudî (om te verlossen de menschen); (Ps. 72:2) te duomene folc thîn an rehtnussi (om te oordeelen uw volk in gerechtigheid), enz. En in het mnl. wordt de inf. na te eveneens nog herhaaldelijk verbogen: te nemene, te siene, te doene, enz. Na de 14e eeuw verdween de uitgang.

Wat de beteekenis betreft, drukt alzoo de inf. met te eene richting of een doel uit. De functie van dezen vorm heeft zich echter veel verder uitgebreid. Vooreerst werd de bedoelde of gewilde handeling door analogie (vgl. Hij belooft te betalen en - Hij belooft betaling) licht als voorwerp gevoeld. Maar verder werd de inf. met te ook als deel van het praedicaat gebruikt: ohd. Sie forchten daz ze furchtenne ne was (= Zij vreesden wat niet te vreezen was), en kwam hij zelfs als onderwerp voor: ohd. Pezzera ist an Got zu truenne (= Beter is op God te vertrouwen). Zoo is het niet te verwonderen, dat deze inf. met te thans in allerlei functiën aangetroffen wordt, en

 1)  Wel komen in het got. (Oostgerm.) onverbogen infinitieven met een voorz. du met de bet. tot of om te voor: du luston = om te begeeren. (Matth. V:28), du usfilhan = om te begraven (Matth. XXVII:7), du saian, - om te zaaien (Mc. IV:3), enz. Deze vormen hebben echter uitsluitend doelaanwijzende beteekenis. Ook kan hd. zu, ned. te om klankbezwaren niet tot dit du teruggebracht worden.
 2)  Naast, d.w.z. deze vormen zijn niet te beschouwen als verbogen vormen van den infinitief. Deze ontstond eerst toen de verbogen vormen verdwenen.
 3)  Ohd. Sindun zi chilaubanne = lat. credenti sunt = zijn te gelooven.


[p. 174]

te eigenlijk in vele gevallen niet meer als voorzetsel, maar als een integreerend deel van den infinitief te beschouwen is. Zoo werd het ook mogelijk, dat er ook andere voorzetsels voor kwamen te staan, als onder III b is aangegeven.

2. Het aantal werkwoorden, waarbij een inf. met te in het karakter van lijdend voorwerp kan voorkomen, is betrekkelijk gering; de voornaamste zijn: begeeren, beloven, beproeven, bevelen, gebieden, gelasten, heeten (gebieden), z. herinneren, meenen, raden, vergeten, verlangen (= eischen), vergunnen, veroorloven, verwachten, verzekeren, z. voorstellen, wenschen, weigeren, zweren en enkele andere Achter hooren, leeren (zoowel onderwijzen als aanleeren) en willen komt een inf. zonder te als voorwerp.

Het aantal ww., waarbij een inf. met het karakter van een oorz. voorwerp komt, is veel aanzienlijker (vgl. I § 77, 4o). Dikwijls wordt dit karakter vooruit aangegeven door een voornwdl. bijwoord: er op rekenen, er naar streven, er geen kwaad in zien, enz.

Hierbij is niet te vergeten, dat deze infinitieven, zoowel die welke als lijd. obj., als die welke als oorz. obj. beschouwd worden, één van oorsprong zijn, nl. richting- of doelaanwijzende gerundia.

3. Als naamw. deel van het gezegde komt zoowel de inf. zonder te, als die met te of om te voor. In de beide laatste gevallen is het geheel in overeenstemming met het doelaanwijzend karakter van een gerundium (inf. + te), dat dergelijke gezegden eene mogelijkheid of noodzakelijkheid uitdrukken: De appel is te eten. Dat is niet te veranderen. De stukken zijn in te zenden bij den heer A. Dat blijft nog te overwegen, enz. De inf. vertegenwoordigt dan meestal eene passief gedachte werking. Doch ook de actieve bet. is niet geheel uitgesloten: Het is om te huilen, om te klagen, e.a. In § 16 Opm. 2 werd aangewezen, hoe een praedicaatswoord in het algemeen het karakter van een eigenschapswoord heeft; in het bijzonder is dit met deze infinitieven met te het geval.

4. Ook de infinitieven, die als praedicatief attribuut staan, hebben voor het meeren