|
|
|
| | | |
10.
Het onderwerp van een zin is de naam of de aanduiding
van de zelfstandigheid, waarvan de in het gezegde vermelde werking
1) uitgaat.
Opmerking. Na het vroeger opgemerkte heeft deze definitie
geen bijzondere toelichting noodig. Intusschen zou men haar ook als volgt
kunnen formuleeren: Het onderwerp is de naam of de aanduiding van den
grammatischen persoon, die door den persoonsvorm wordt aangewezen. Deze
definitie berust uitsluitend op een uiterlijk kenmerk, en kan afwisselen met de
eerste, welke meer op de beteekenis van het onderwerp let.
| |
11.
Als onderwerp worden in den regel de volgende woordsoorten
gebruikt:
1o. een zelfstandig naamwoord in den 1en
nvl.: De dokter komt.
2o. een zelfst. voornaamwoord in den 1en
nvl.: Blijft gij? Wij zijn gereed. De mijne is
weg. Is dat waar? Wie loopt daar? Men
klopt.
3o. een infinitief: Baden is
gezond. Is zwemmen niet beter?
Opmerking. Het in den regel in den aanhef van deze
§ sluit een noodzakelijk voorbehoud in. Het komt nl. voor, dat een
kenmerkswoord, d.w.z. een bijvoeglijk naamwoord, een voltooid deelwoord of een
bijwoord, bij uitzondering als onderwerp optreedt. B.v.:
Goedkoop is duurkoop. Spoedig rijk is ondeugd.
(Huygens, Oogentroost, r. 394.) Flink gewaagd is half gewonnen.
‘Heftig geprezen is haastig vergeten, Luide
gekreten is spoedig vertroost’ (Beets).
Weg is weg. Deze uitzondering is aldus te verklaren, dat
deze woorden hier voldoende geacht worden om een zelfstandig begrip aan te
duiden, dat men ook door een bijzin zou kunnen weergeven: Wat goedkoop
is. | | | |
Wie spoedig rijk is, (is een deugniet.) Wat flink
gewaagd is. Wie heftig prijst. Wie luide krijt. Wat weg is.
De onderwerpen in dergelijke zinnen verwarre men niet met zulke, als
in de volgende voorbeelden gevonden worden: Goedkoop is een
bijvoeglijk naamwoord. Zeven is een ondeelbaar getal.
Zestienhonderd acht en veertig was een merkwaardig jaar.
Voor kan een bijwoord, een voorzetsel en een voegwoord zijn.
In dit geval zijn de gecursiveerde onderwerpen substantieven, en wel
eigennamen, waar de soortnamen: Het woord, het getal, het jaar, enz.
vóór te denken zijn.
| |
12.
Wanneer de 1e of 2e grammatische persoon het onderwerp is, wordt
deze alleen aangeduid. Wanneer een 3e persoon onderwerp is, wordt het genoemd
of aangeduid. Als deze laatste aanduiding op onbepaalde wijze geschiedt, worden
daartoe onbepaalde voornaamwoorden gebezigd.
In het laatste geval is nochtans verschil waar te nemen. Het
voornaamwoord men geeft aan, dat de werking of toestand van meer dan
één persoon uitgaat. Heeft men slechts één persoon
op het oog, dan wordt iemand gebezigd. Iets geeft te kennen, dat
de 3e persoon eene zaak is.
Een middel om het onderwerp nog meer onbepaald voor te stellen, is
het onbepaalde voornaamwoord het. Hierdoor wordt zelfs niet beslist, of
er aan een persoon, dan wel aan eene zaak als uitgangspunt der werking gedacht
moet worden. Deze zeer algemeene aanduiding van een in het midden gelaten
onderwerp heeft plaats in zinnen, waarin het gezegde uit een onpersoonlijk
werkwoord of eene onpersoonlijke uitdrukking bestaat: Het rookt, Het regent,
Het is dag, Het is Paschen.
Opmerkingen. 1. Het is eene oude strijdvraag, of dit
het geacht moet worden op een, zoo noodig uitdrukkelijk aan te wijzen,
logisch subject betrekking te hebben. Paul
1)
verklaart alle pogingen daartoe mislukt. Over dit taalhistorisch vraagstuk in
bijzonderheden te treden, kan echter nooit te pas komen op de lagere trappen
van het spraakkunstig onderwijs. Daar is de eenige vraag: hoe vat de
tegenwoordige taal dit onderwerp het op?
Om leerlingen daarvan een juist inzicht te geven, is het wenschelijk
den volgenden weg in te slaan. Er zijn een beperkt aantal werkwoorden in onze
taal, die tijdelijk onpersoonlijk voorkomen, als in: Het
rookt
| | | |
hier, Het walmt hier, Het
tocht hier, Het riekt hier goed, Het
stinkt, Het jeukt me hier of daar, enz. Deze
zinnen kunnen vergeleken worden met andere, als: De kachel rookt, De lamp
walmt, Dit raam tocht, Dat gebraad riekt goed, De papaver stinkt, Mijn neus
jeukt, enz. Uit die vergelijking blijkt, dat in de eerste zinnen het
logisch subject in het midden gelaten wordt: er heeft niets anders plaats dan
de vermelding in den tegenwoordigen tijd der aantoonende wijs van eene werking:
rooken, walmen, rieken, enz. Het is hier slechts een loos
onderwerp. Er wordt niets bij gedacht. De eenige dienst, dien men er van heeft,
is dat men daardoor het middel bezit, om ook in een dergelijk geval door de
woordschikking mededeeling en vraag te onderscheiden. Rookt
het? Ja, het rookt.
Wat hier nu toevallig voorkomt, is bij de steeds onpersoonlijke
werkwoorden noodwendig. In Het regent, Het waait, enz. wordt het
onderwerp altijd in het midden gelaten. Bij uitzondering slechts ontmoet
men eene afwijking, gelijk in: Als de God der eere dondert. Het ligt
voor de hand, de permanente algemeene aanduiding van de oorzaak dezer
natuurverschijnselen door het voornwd. het eensdeels hieraan toe te
schrijven, dat die oorzaak aanvankelijk niet gekend werd, anderdeels daaraan,
dat in later tijd niemand ooit behoefte gevoelde, bij de vermelding van de
verschijnselen de genoeg bekende oorzaak aan te wijzen. Is het om het laatste
te doen, dan worden daarvoor bijzondere wendingen gebezigd, b.v.: De wolken
brengen regen of sneeuw voort, en derg.
Intusschen neemt dit alles niet weg, dat het in deze gevallen
uit een spraakkunstig oogpunt onderwerp is en blijft. De beteekenis van een zin
als: Het sneeuwt te verklaren door: Sneeuwen heeft plaats, kan
zijn nut hebben; doch eene zoodanige verklaring is dan geen taal-, maar
leesonderwijs.
Om het zuiver formeele karakter van dit onderwerp der onpersoonlijke
werkwoorden door een naam te doen uitkomen, stellen we den term loos
onderwerp voor. In analogie van: eene looze deur, een loos zakje,
drukt de term vrij goed uit, dat men een onderwerp bedoelt, hetwelk er alleen
den schijn van heeft.
2. Een dergelijk loos onderwerp vindt men ook in zinnen, als: Het
is dag. Het is kermis. Het is Paschen. Men zou hier ook kunnen trachten,
aan dit het een inhoud te geven, b.v.: Het deel van het etmaal, dat
we beleven, Het feest, dat we vieren, enz. Doch ook dit is te gekunsteld.
Uitgaande van de algemeene opvatting van zulke zinnen, kan hier evengoed gezegd
worden, dat er alleen een toestand vermeld wordt, en dat het looze onderwerp
slechts medehelpt, om naar aanleiding daarvan eene mededeeling of eene vraag te
doen: Is het dag? Het is dag. De overeenkomst van zulke uitdrukkingen
dag zijn, kermis zijn met onpersoonlijke werkwoorden is in analogie met
het feit, dat dag worden weergegeven kan worden door het onpers. ww.
dagen
1).
| | | | | |
13.
Eindelijk verdient nog een klein getal zinnen de aandacht, waarin
het (spraakkunstig) onderwerp geheel ontbreekt, zonder dat zij daarom
onvolledig kunnen worden genoemd. Zij kunnen tot de volgende gevallen worden
gebracht.
a. Enkele formules, waarin de persoonsuitgang e voldoende
den spreker als onderwerp aanwijst: Zegge ƒ10. Verzoeke, enz. Verblijve
hoogachtend. Transporteere.
b. Zinnen in de gebiedende wijs: Kom! enz. Ook hier
is de 2e persoon, tot wien het gebod gericht is, voldoende aangewezen door den
persoonsvorm. Regel is alzoo het niet noemen of aanduiden van dien 2en
persoon. Geschiedt dit in afwijking van den regel wèl, b.v.: Kom
hier, Jan! of: Kom jij eens hier! of ook
wel: Kom jij eens hier, Jan! dan is het met de
bedoeling, uitdrukkelijk te doen uitkomen, dat het gebod den toegesprokene
geldt en niet een ander.
c. Onechte lijdende zinnen, of zulke echte, waarbij het
noemen of aanduiden van de zelfstandigheid, die de werking ondergaat,
overtollig wordt geacht: Er wordt gedanst. Hier wordt veel gewandeld. Er
wordt zoo vreeselijk op gezondigd. - Er wordt tegenwoordig druk gebouwd. Aldus
wordt besloten. Er werd grof verteerd.
d. Enkele zinnen met onpersoonlijke werkwoorden, waarin de
persoon, bij wien zich de vermelde werking vertoont, in den 4en nvl. aangeduid
wordt: Mij dorst. U hongert naar geen weeldrig land
(Staring). Helaas, mij schrikt! (Hooft.)
Hoe hem schrikte! (Potgieter.) Verbaast ge u, dat van 't
handgeklap mij grouwt? (Dez.)
Opmerkingen. 1. De vier voorbeelden onder a. zijn
ook de eenige, die uit onze taal aan te halen zijn. In het Duitsch komt dit
aangeven van het onderwerp alleen door den uitgang meer voor, ook in den 2en en
zelfs in den 3en pers. enkv.
2. Ook de gevallen onder d. zijn zeldzaam. De voor onze
taal geheel onbelangrijke vraag, wat de naamval van mij is, wordt
besproken bij de behandeling der voorwerpen.
Van Helten geeft in zijn Werkwoord, bl. 13, de
vermoedelijke geschiedenis dezer vormen. Het voornaamwoord zou eerst het
karakter van een datief gehad hebben en later eerst als accusatief opgevat
zijn. | | | |
In het vroegere Nederlandsch komen dergelijke regelmatige zinnen
zonder onderwerp dikwijls voor. Vooral in het Mnl.: Hem (= hun was te
moede harde sware van der suster, die si hadden verloren.
(Reinaert). Hem machs (= mach des) gedinken al sijn
leven (Id.) Mi en staets niet te ontberne
1).
(Car. en Eleg.) Mi lanct na di, gheselle mijn.
Maar ook in het Ned. der 17e eeuw worden nog vele voorbeelden
gevonden: My deert des Mans, die.... enz. (Hooft). Hem soud' berouwen
synes raets (Id. Baeto). My walght van bloed en moord.
(Huygens), enz.
Uit de vergelijking dezer zinnen met de wijze, waarop zulke
gedachten in het tegenwoordige Nederlandsch uitgedrukt worden, blijkt, hoe al
de daarin voorkomende gezegden hun onpersoonlijk karakter verloren hebben,
doordat het uitgangspunt der werking, voorheen door een afhankelijken naamval
aangewezen, - meestal een oorzakelijken genitief - in de latere taal als
onderwerp optrad
2): De man deert
mij. Zijn raad zou hem berouwen, enz.
| | | | | |
14.
Van eene verdeeling der onderwerpen in soorten is geen sprake. Er
zijn echter eenige bijzondere termen in omloop, van welker beteekenis het
nuttig is, zich rekenschap te geven.
Lijdend onderwerp is een term, die nu en dan doelmatig
blijkt, om het onderwerp van een lijdenden zin aan te wijzen.
Men spreekt ook van grammatisch onderwerp, logisch
onderwerp en psychologisch onderwerp
1). In het gebruik dezer termen bestaat veel verwarring. Wil men er een
gezonden zin aan hechten, dan is het volgende op te merken.
Het grammatische onderwerp is het zinsdeel, zooals dit in
§ 8 gedefiniëerd is. Dit is dus een woord.
Het logische onderwerp is de voorstelling der
zelfstandigheid, welke door het grammatische onderwerp wordt genoemd of
aangeduid. In den zin De stoomboot vertrekt is het woord
stoomboot het grammatische onderwerp. De in onzen geest aanwezige
voorstelling der stoomboot is het logisch onderwerp.
Het psychologische onderwerp is de voorstelling, die in de
door den zin uitgedrukte mededeeling, vraag of gebod op den voorgrond staat.
Dikwijls zijn het logische en het psychologische onderwerp één.
Dit is b.v. het geval in bovenstaanden zin: De stoomboot vertrekt. Maar
het kan ook zijn, dat het logische onderwerp door de voorstelling, aan een
ander deel van den zin verbonden, overvleugeld wordt. In dat geval wordt dan
door sommigen de laatstbedoelde voorstelling het psychologische onderwerp
genoemd. In de volgende zinnen zijn de voorbeelden daarvan door
spatiëering aangewezen: Dien brief heb ik niet geschreven.
Op die plaats zou ik gaarne willen wonen.
Vooral met het oog op zulke zinnen is het noodig zich te onthouden
van de verkeerde definitie, dat het onderwerp van den zin de zelfstandigheid
is, waarvan iets gezegd wordt; daardoor ontstaat juist het gevaar, dat
de leerlingen dit zoogenaamde psychologische onderwerp voor het grammatische
houden. | | | |
Uit het bovenstaande volgt ook, dat het niet juist is, in zinnen
als: Het is niet te vertrouwen, dat zaakje. Het spijt mij,
dat gij niet gekomen zijt, het voornaamwoord het
grammatisch onderwerp en het gespatiëerde deel der zinnen logisch
onderwerp te heeten. Er geschiedt niets anders, dan dat het logisch onderwerp
eerst aangeduid, en daarna uitdrukkelijk genoemd wordt. In zulk
een geval zouden wij dit het liefst met Dr.
Jan te Winkel voorloopig onderwerp noemen.
Hierbij valt nog op te merken, dat dit voorloopig ook op
andere zinsdeelen toepasselijk is. In de zinnen Ik ben het, die
u beleedigd heeft en Dat zijn ze, die Wilhelmus blazen
zijn het en ze voorloopige naamwoordelijke gezegden. Voor de
andere zinsdeelen zal de juistheid der opmerking blijken, als ze hierna aan de
orde komen.
|
1)Bij de bewerking van den tweeden druk is
hier en op andere plaatsen in deel I en II de term ‘openbaring van
bestaan’ door werking vervangen. (Voor de omschrijving van het
begrip ‘werking’, zie III, § 75).
1)In navolging daarvan gebruikt Piet Paaltjes
't Avondt en 't Morgent voor: Het wordt avond en Het
wordt morgen.
1)Naar den zin: Ik zal niet in gebreke
blijven, maar letterlijk: Mij staat des niet na te laten.
2)Het tegenwoordige Duitsch staat te dezen
aanzien nog op denzelfden trap als ons vroeger Ned. Vandaar, dat het voor
leerlingen, die Duitsch leeren, nuttig is, indien zij opmerken, dat ook thans
nog enkele voorbeelden in onze taal voorkomen, waarin regelmatig geen onderwerp
voorkomt. Om de curiositeit laten wij hier een achttienregelig fragment
volgen, door Fr. Kern (Satzlehre 45) opzettelijk vervaardigd, om aan te
toonen, dat het onderwerp - het onderwerpswoord volgens zijne terminologie -
niet als een onmisbaar bestanddeel van een normalen zin behoeft beschouwd te
worden. ’Mir ist, als könne dem Lande nur von dir, dem von so
vielen Menschen mit Recht vertraut wird, ausreichend geholfen werden. Dir wird
zwar mit solchen lobenden Worten nicht gedient, aber es einmal dir zu sagen hat
mich seit Jahren gedrängt, umso mehr, da dir, dem Hochverehrten, von
manchen unfreundlich begegnet wird. Noch neulich, als in einer Gesellschaft von
deinen Bewunderern mit Anerkennung über dich gesprochen wurde, wurde
diesen von anderer Seite mit Worten entgegengetreten, die zu wiederholen mich
sehr schmerzen würde. Mag nun damals noch so unbesonnen, mit noch so
grosser Anermassung geurteilt worden sein, von urteilslosen Zuhörern
verlange keine unbefangene Kritik des Gehörten. Dem sei nun aber, wie ihm
wolle. Jedenfalls tritt offen und energisch allen Anschuldigungen entgegen,
nicht weil dir dadurch genützt würde, sondern weil sonst dem
Vaterlande unsäglich geschadet wird. So würde mancher falschen
Auffassung glücklich vorgebeugt werden können und deiner Verdienste
in gerechter Weise da wieder gedacht werden, wo jetzt nur, um keine schlimmern
Ausdrücke zu gebrauchen, gemäkelt und verkleinert wird. Folge meinem
Rat; nie wird dich reuen ihn befolgt zu haben.’
1)Vgl. Paul, Principien Cap.
VI.
|
|