|
|
|
| | | |
35.
Na de beschouwing van het gezegde als de kern van den zin, van het
onderwerp als uitgangspunt of middelpunt der in het gezegde vermelde werking of
toestand, en van de voorwerpen als daarin noodwendig betrokken
zelfstandigheden, | | | | komen de zinsdeelen aan de beurt, welke bestemd
zijn om den inhoud van den zin nauwkeuriger en voller te maken.
Deze zinsdeelen heeten bepalingen. Het baart eenige
moeilijkheid deze zinsdeelen scherp af te zonderen van de drie reeds behandelde
soorten, omdat aan den term bepaling zulk een ruim begrip kan gehecht
worden, dat ook de voorwerpen en zelfs de onderwerpen daaronder gebracht kunnen
worden. Omtrent de voorwerpen is bovendien reeds opgemerkt, dat zij evenzeer
verwant zijn met de bepalingen, als met de onderwerpen.
Om aan deze moeilijkheid te ontkomen, is het noodig het begrip
bepaling nader te omschrijven en de vraag, in hoeverre de voorwerpen als
bepalingen te beschouwen zijn, voorloopig ter zijde te stellen.
| |
36.
Bepalingen zijn woorden of uitdrukkingen, waardoor in
een zin, buiten het gezegde om, nadere bijzonderheden worden opgenomen omtrent
de in dien zin vermelde zelfstandigheden, of omtrent hunne werkingen,
toestanden en eigenschappen: De oudste leerling deed het woord.
Hij kwam vroeg. Hij was gisteren ziek. De
vrij kostbare maatregel trof geen doel.
De middelen om te bepalen zijn tot drie groepen te brengen:
1o. Zelfstandige woorden in een 2en of 4en nv., of
voorafgegaan door een voorzetsel: Het vertrek der troepen. De
winkel op den hoek. Hij kwam des morgens. Hij kwam
den volgenden dag. Door dien rukwind sloeg de boot om.
2o. Congrueerende, d.i. met het bepaalde woord in
nvl. overeenstemmende vormen van veranderlijke woorden: De
oude man is ziek. De boeken des Ouden Verbonds. Hij
hielp den ouden man. Den eersten April verloor Alva
zijn bril.
3o. Onveranderlijke woorden: Hij woont
hier. Hij komt straks.
Opmerking. De gegeven definitie van de bepalingen in het
algemeen komt in hoofdzaak overeen met hetgeen Paul
1) op meer
aanschouwelijke manier van deze zinsdeelen zegt, nl. dat zij
gedegra-
| | | |
deerde gezegden zijn. Gedegradeerd is
hier eigenlijk het rechte woord niet; secondaire gezegden, gezegden
van den tweeden rang, drukt misschien beter de bedoeling uit. Maar het
gezichtspunt, dat er door aangegeven wordt, is juist. Bij eene naïeve
gedachtenuiting wordt voor de mededeeling van elke nieuwe bijzonderheid een
nieuw gezegde en dus een nieuwe zin noodig: Er was ereis een man, en die man
was kleermaker. Die kleermaker woonde in een huisje en dat huisje lag aan den
voet van een berg, enz. In het Mnl. ontmoet men meermalen nog voorbeelden
van zulk eene primitieve manier om voor bijzonderheden van ondergeschikt belang
een afzonderlijk praedicaat te gebruiken. Het opnemen van bepalingen in een zin
behoort dus ook tot de vorderingen in de ontwikkelingsrij der
taalverschijnselen. De zinnen worden er rijker en nauwkeuriger door.
Wanneer men zeer algemeen wil blijven, dan kan men van de bepalingen
zeggen, dat het doel er van is, den omvang eener voorstelling te
beperken. Hoe meer kenmerken van eene voorstelling opgegeven worden, hoe
geringer haar omvang wordt. De beperking is dan daarin gelegen, dat de
voorstelling geclassificeerd, d.i. tot eene bepaalde rubriek gebracht
wordt: een groote hond, Friesche schaatsen,
zulke boeken, buiten wonen, op Zondag
werken, met een grendel sluiten, enz., of dat ze
geïndividualiseerd, d.i. met een bepaalden persoon of zaak in
betrekking gebracht wordt, of in 't algemeen zoo duidelijk aangewezen, dat
verwarring met andere voorstellingen onmogelijk is: deze hond,
mijne schaatsen, wiens boeken, te
Amsterdam wonen, aanstaanden Zondag vertrekken, met
dezen sleutel sluiten, enz.
Intusschen, de bepalingen vermelden niet altijd kenmerken, d.w.z.
onderscheidingsmiddelen, zij vermelden ook aanvullende bijzonderheden, waardoor
zij de voorstelling uitbreiden, wat vooral bij de bepalingen van
zelfstandigheden voorkomt: Die moeilijke sommen hebben mij een
vol uur gekost. Onze buurman, een gezellige prater, komt 's avonds
wel eens aanloopen. Het stille Delft was nu in rep en roer. Al
werden de gespatiëerde bepalingen weggelaten, die sommen, onze
buurman en Delft zouden even nauwkeurig aangewezen zijn.
Terwijl eene bepaling in het algemeen bijzonderheden van een ding of
werking vermeldt, moet opgemerkt worden, dat er ook bepalingen zijn,
die:
1o. alleen bijzonderheden aanduiden: Hier is
het boek. Zulke maatregelen. Dergelijke
bepalingen. Hij woont hier. Dan komt hij. Daardoor
kwam het. Daarom gaf hij toe. Daartoe zal het leiden.
Zoo deed hij. Hij is even schuldig.
2o. naar bijzonderheden vragen:
Welke handschoenen kiest gij? Waar woont hij?
Wanneer komt hij? Hoe vaart gij? Hoeveel
kost dit boek?
| | | |
3o. alleen onbepaaldheid aanduiden:
Een koning. Zeker vorst. Te eeniger
tijd. Hij houdt zich ergens verscholen. Als het ooit
gebeurt. Zus of zoo handelen.
| |
37.
Het nut van een helder overzicht der bepalingen bestaat hierin, dat
het een duidelijk inzicht geeft in de diensten der verschillende
woordsoorten, der verschillende naamvallen, (in het bijzonder van
de drie afhankelijke naamvallen), en der verschillende voorzetsels.
Om een dergelijk overzicht te verkrijgen is eene groepeering der
bepalingen noodig. In het algemeen is reeds als beginsel gesteld, dat de
rangschikking der zinsdeelen in de eerste plaats door hun dienst en
vervolgens door hun vorm bepaald wordt.
In het volgende zal alzoo de eerste onderscheiding der bepalingen
geschieden naar de functie.
De zinsdeelen, welker behandeling voorafgegaan is, gezegde,
onderwerp en voorwerp, doen in de zinnen twee zeer onderscheiden
soorten van elementen aanwezig zijn, welke behoefte kunnen hebben aan nadere
bepaling:
1o. Werkingen (waaronder ook
begrepen: toestanden en eigenschappen), ook wel
niet-zelfstandigheden te heeten;
2o. Zelfstandigheden, d.w.z.
wezens of dingen, of als zoodanig voorgestelde werkingen of
toestanden.
De verhouding dezer elementen is die van een doen tot een
ding, van eene voorstelling in beweging tot eene voorstelling
in rust. Dit onderscheid leidt tot zeer merkwaardige verschillen in de
wijze, waarop deze elementen bepaald worden, en derhalve tot eene
hoofdverdeeling der bepalingen in twee groepen:
1o. Bepalingen van werkingen, toestanden of
eigenschappen, adverbiale of bijwoordelijke
bepalingen.
2o. Bepalingen van zelfstandigheden, attributen,
adnominale, attributieve of bijvoeglijke bepalingen.
Als derde groep moeten hiervan onderscheiden worden die bepalingen
van zelfstandigheden, welke een deel uitmaken van het gezegde (praedicaat) en
die, de voorstelling daarvan wij- | | | | zigend, als een overgang tusschen
1o. en 2o. aangewezen worden met den naam van
praedicatieve attributen of bepalingen van
gesteldheid.
Ofschoon streng genomen de bijwoordelijke bepalingen zouden moeten
voorgaan, worden de bijvoeglijke bepalingen als het eenvoudigst het eerst in
bijzonderheden behandeld.
Opmerkingen. 1. Het is jammer, dat we voor de beide
hoofdgroepen van bepalingen geen algemeen erkende namen bezitten, die in den
trant van de termen gezegde, onderwerp en voorwerp althans
eenigermate als benoeming der functie beschouwd konden worden. De namen
bijvoeglijke en bijwoordelijke bepaling toch zijn ontleend aan de
woordsoorten, die het meest voor beide functiën gebruikelijk zijn,
wat allicht tot verwarring aanleiding geeft en uit het oog doet verliezen,
dat ook andere woordsoorten voor de eene en de andere functie in aanmerking
komen. In attributen heeft men zulk eene benaming, maar de
tegenstelling, die ter aanwijzing van de bijwoordelijke bepalingen dienst zou
kunnen doen, ontbreekt. In Duitschland gebruikt men bij het eerste
taalonderwijs dikwijls de termen Beifügung en Umstand,
terwijl in het laatste geval in de Fr. spraakkunst de term
circonstanciel gebezigd wordt. Wij kennen geene doelmatige vertaling
dier termen, maar meenen toch, dat het geen kwaad kan, om ter verheldering van
hetgeen met de termen bijvoeglijke en bijwoordelijke bepalingen
bedoeld wordt, nu en dan van bijvoegingen en omstandigheden te
spreken. Ook zou men af en toe de aequivalenten zelfstandigheidsbepalers
en toestandsbepalers kunnen bezigen. Zijn na eenigen tijd de juiste
begrippen bij de leerlingen aanwezig, dan kan het gebruik van de aanwijzingen
bijvoeglijke en bijwoordelijke bepaling geen misverstand meer
opleveren.
2. Bij de behandeling der bepalingen moet men er zich op voorbereid
houden, dat de rubrieken, die men maakt, niet altijd scherp van elkander
gescheiden zijn, maar soms ongemerkt ineenvloeien. Reeds de derde der
hoofdgroepen, welke hierboven vastgesteld zijn, is daarvan een voorbeeld. In
den regel kan men licht uitmaken, of men met eene bijvoeglijke of met eene
bijwoordelijke bepaling te doen heeft. Toch zijn er ook gevallen, waarin dit
niet zoo gemakkelijk is. Dit is wel te verklaren, als men bedenkt, hoe innig
gezegde en onderwerp verbonden zijn; daardoor kan het niet anders, of het moet
in sommige gevallen bezwaar opleveren, met beslistheid vast te stellen of eene
bepaling de zelfstandigheid of de werking kenmerkt. Wie zal b.v. met zekerheid
uitmaken, of in Vroolijk kwam hij thuis en
Vroolijk deed hij zijn plicht het kenmerk vroolijk
op het onderwerp òf op de werking betrekking heeft. | | | |
Bij de behandeling der bepalingen van gesteldheid zal echter
blijken, dat het letten op den vorm deze moeilijkheid uit den weg kan
ruimen.
|
|
|