|
|
|
| |
| | | |
[De leer der woordsoorten]
Het woord in het algemeen.
| | Het wezen van het woord.
| |
1.
Bij het onderzoek naar het wezen van den zin (I, § 1) is
uitgegaan van deze beide denkbeelden: 1o. alle taalgebruik komt neer
op zeggen (mededeelen en gebieden) òf
vragen; 2o. de regelmatige en volkomen manier om dit te
doen bestaat in het gebruik van zinnen, de onregelmatige en
onvolkomen manier in het gebruik van woorden.
Hieruit volgt, dat analyse van den zin het aangewezen begin is van
den weg om tot de kennis van het woord op zijn tegenwoordigen ontwikkelingstrap
te komen. Een der eerste kenmerken van het woord is alzoo, dat
het een deel van een zin uitmaakt, of bij los gebruik als een deel van een
zin gedacht kan worden.
Opmerking. Wanneer hier het gebruik van woorden, die niet
tot een zin vereenigd zijn, onvolkomen genoemd wordt, dan ligt daarin
natuurlijk geen afkeurend oordeel; daarvoor is het gebruik van losse woorden
door tal van motieven (I, § 85) te zeer gewettigd. Het gebruik van den
term berust alleen op het feit, dat, wanneer om te zeggen of te vragen
woorden gebruikt worden, de gedachteuiting onvolledig zijn zou, als er
niet wat anders bijkwam om dit gebrek te vergoeden, nl. gebaren, stembuiging,
het verband met een voorafgaand zeggen of vragen, en meer dergelijke middelen.
Zoo kunnen b.v. de woorden: leien wegbergen, eene mededeeling zijn als
antwoord op de vraag: wat moeten wij nu doen? - maar ze kunnen met
gewijzigden toon ook een gebod of eene vraag beteekenen.
| | | |
| |
2.
In de tweede plaats moet opgemerkt worden, dat in een woord twee
innig verbonden deelen zijn te onderscheiden: de physische en de psychische
kant van het woord, m.a.w. de woordklank en de beteekenis. Indien
het eerste element door k, het tweede door b wordt voorgesteld,
dan is kb de formule voor eene verbinding, waarvan de elementen niet te
scheiden, maar alleen door eene abstractie te onderscheiden zijn. Zoo
wekt de woordklank de beteekenis en omgekeerd de beteekenis den klank.
Opmerking. Geheel onoplosbaar is intusschen deze verbinding
niet. Men kan zich eene zaak herinneren en den naam vergeten zijn, en ook
omgekeerd. Dit geval doet zich het eerst voor bij eigennamen. Ook gaan bij
verzwakking van het geheugen de namen van concreta eerder verloren dan die van
abstracta. Hieruit wordt afgeleid
1), dat bij woorden, die eene abstracte
beteekenis hebben, de verbinding tusschen klank en begrip inniger is, dan de
verbinding van klank en voorstelling bij woorden met concrete beteekenis.
Personen en dingen kunnen wij ons daarom lichter zonder namen voor den geest
halen, dan begrippen en verhoudingen.
| |
3.
Het is wenschelijk beide elementen van het woord nog wat
nauwkeuriger na te gaan. De physische kant is, gelijk vroeger bleek, de
klank, d.w.z. een complex van gehoorsgewaarwordingen. Dit
is echter slechts in hoofdzaak juist. Bij de gehoorsgewaarwordingen voegen zich
ook bewegingsgewaarwordingen. Men behoeft maar even aan een woord als
boekhouder b.v. te denken, om te bevinden, dat de klankherinnering
gepaard gaat met herinneringen aan de bewegingen van lippen, keel en tong, die
voor het uitspreken van het woord noodig zijn, dus met eene meer of minder
duidelijke aandoening der stemspieren.
Tot den physischen kant moet ook gerekend worden het schriftbeeld
van het woord. Dit is eene nieuwe associatie, nl. tusschen woordklank en
woordbeeld, die door lees- en schrijfonderwijs tot stand komt. Naarmate de
taalklanken in rijkdom zijn toegenomen, heeft het schrift die vlucht moeten
volgen | | | | en is het, van beeldenschrift tot letterschrift overgegaan,
een conventioneel middel geworden om de taalklanken af te beelden. Het element
k uit de in § 2 vermelde formule kb is dus te ontleden als
eene verbinding van gehoors-, bewegings- en gezichtsgewaarwordingen.
Opmerking. In deze verbinding van acoustische, motorische
en visueele elementen is de klank met de daaraan verbonden
bewegingsgewaarwordingen primair. Ongeoefende lezers moeten daarom de woorden
uitspreken, om het gelezene te begrijpen. Ook wie alleen met de oogen leest,
neemt bij zich zelven waar, dat de klankbeelden de schriftbeelden begeleiden.
Wel is het schrift in den regel eene onvolkomen afbeelding van den klank, maar
dit is niet anders mogelijk, aangezien een phonetisch-trouw schrift door de
ingewikkeldheid er van in de practijk onbruikbaar zijn zou. De vraagstukken,
die hiermede in verband staan, behooren tot de leer der spelling en blijven
daarom hier buiten bespreking. Toch zou het niet juist zijn te meenen, dat het
geschreven woord in alle opzichten secondair is. Hierna zal blijken, in welke
gevallen het schriftbeeld van meer beteekenis gaat worden (Vgl. § 5
Opm. 1).
Van de motorische elementen in den woordklank zijn de meeste
menschen zich niet bewust. De meesten zijn zie- of hoormenschen (type
visuel en type auditif) en zien of hooren dus in de
eerste plaats de woorden
1). Er zijn er echter ook, bij wie de herinnering aan de beweging
der stemspieren buitengewoon levendig is. Bij een weinig geoefendheid in het
observeeren, kan men licht deze innervatie van de stemspieren opmerken, door
aan een of ander woord te denken.
| |
4.
De psychische zijde van het woord is de beteekenis, die aan den
woordklank (of indirect aan het woordbeeld) verbonden is. Die beteekenis is
òf eene voorstelling, òf een begrip en
deze voorstellingen of begrippen komen in vier hoofdvormen voor: nl. als
voorstellingen of begrippen van zelfstandigheden, van
eigenschappen, van werkingen en van betrekkingen
2).
Een woordklank is dus feitelijk niet - gelijk de naïeve
ervaring, waarmede elk mensch begint, het opvat - aan de dingen ot | | | | verschijnselen zelf onmiddellijk verbonden, maar aan de voorstellingen
of begrippen, die zij in ons bewustzijn doen ontstaan. Van die eerste ervaring
maken wij ons echter nimmer geheel los en zoo staan voor het gewone denken de
woorden direct in verband met de dingen en de verschijnselen zelf.
Voorstellingen en begrippen door eene
scherpe lijn te onderscheiden, is niet mogelijk. Bij het gebruik van den
eersten term denkt men aan een geheel van gewaarwordingen, aan een
bijzonder of algemeen innerlijk beeld, dat het resultaat van meer of minder
bewust waarnemen is. Het begrip is de begrepen voorstelling, het
resultaat van het nadenken er over, eene meer of minder nauwkeurige definitie
van haar wezen, samengevat in den naam
1). Zoo is
eene locomotief als voorstellingsnaam de naam van het beeld der rijdende
machine, als begripsnaam de naam voor eene ‘van wíelen voorziene
stoommachine, die zelf deze wielen in beweging kan brengen.’
Opmerkingen. 1. Te omschrijven wat voorstellingen en
begrippen zijn en hoe ze ontstaan, is voor de psychologie een moeilijk
vraagstuk, omdat we het wezen der voorstellingen in ons evenmin kennen,
als het wezen der dingen buiten ons. Wij kunnen onze voorstellingen
analyseeren in gewaarwordingen, maar wat de gewaarwordingen zijn, gaat
buiten de grenzen van ons kennen. Wij weten alleen, dat met een (physischen)
hersenindruk eene (psychische) gewaarwording gepaard gaat, maar de brug
tusschen beide ligt in het onbekende.
Zoo komt het, dat we van den inhoud van ons bewustzijn, alleen in
eene soort van poëtische taal kunnen spreken. Dit moet wel bedacht worden,
wanneer van voorstellingen sprake is. Als we zeggen, dat we voorstellingen
krijgen en hebben, dat ze verdwijnen en weer
opduiken of weer opgeroepen worden, dan is dit eene beeldspraak,
die hierop berust, dat we die voorstellingen als eene soort van wezens
beschouwen, wat we b.v. ten aanzíen van aandoeningen en begeerten niet
doen. Waarschijnlijk is dit daaraan toe te schrijven, dat we de duurzaamheid
der dingen buiten ons overbrengen op de voorstellingen, die ze in ons doen
ontstaan. Feitelijk hebben wij even veel of even weinig recht om te zeggen, dat
ons bewustzijn vooorstellingen maakt en hermaakt. Beide soorten
van beeldspraak staan in verband met de schommelingen van ons bewustzijn
tusschen passiviteit en activiteit, tusschen het niet of zwak, en het
wèl ondervinden van den invloed van ons willen. | | | |
2. Om de rol, die het woord in het bewustzijnsleven speelt,
beter te begrijpen, is het noodig nog wat meer in bijzonderheden het karakter
van een woord na te gaan, al naarmate het eene associatie van klank +
voorstelling of van klank + begrip is.
Dit hangt natuurlijk af van het verband, waarin het woord voorkomt.
Uit eene vergelijking van de zinnen: ‘Ik gaf een gulden en kreeg een
dubbeltje terug’, en De koopman vroeg een gulden, maar liet een
dubbeltje vallen’ blijkt, dat de woorden gulden en
dubbeltje in den eersten zin aan voorstellingen, in den tweeden zin aan
begrippen doen denken. In het eerste geval is de klankgewaarwording
gulden geassociëerd met de gewaarwordingen, die het bewustzijn van
den vorm, de stof, de kleur, het geluid, enz. ontvangen heeft. In het tweede
geval is het woord gulden eene associatie van den klank gulden
met de wetenschap, dat een gulden de waarde van 100 centen of 10 dubbeltjes,
enz. heeft. In het eerste geval is de klank dus een symbool voor een complex
van gewaarwoordingen, in het laatste een symbool voor eene definitie.
In de meeste gevallen is een woord zoowel het een als het ander.
Maar er zijn woorden, waarin de zinnelijke inhoud op den achtergrond treedt.
Vergelijkt men b.v. de woorden klok, uurwerk, tijdmeter, tijdmaat, dan
ziet men hoe deze woorden afnemen in aanschouwelijkheid. Het eerste en het
tweede zijn zoowel voorstellings- als begripssymbolen, maar het tweede staat
met eene grootere reeks van voorstellingen in verband dan het eerste; het doet
aan horloges en pendules even goed denken als aan klokken. Het derde woord is a
hoofdzakelijk begripssymbool en het eenige zinnelijke er in is dit, dat waar
b.v. van eene tentoonstelling van tijdmeters sprake was, men niet alleen aan
klokken, enz., maar ook aan zonnewijzers, zandloopers, enz. zou denken. Nog
zuiverder begripssymbool is tijdmaat; het doet denken aan minuten, uren,
jaren, menschenleeftijden, enz., in welke voorstellingen alleen iets zinnelijks
is, voorzoover men zich geen tijden kan voorstellen, zonder begin- en
eindpunten aan te nemen, of aan een en ander, dat er in voorvalt, te
denken.
Maar onverschillig of een woord eene zeer bijzondere, dan wel eene
zeer algemeene voorstelling of een algemeen begrip benoemt, zijne groote
beteekenis ligt hierin, dat het met de noodige scherpte een zeker complex van
gewaarwordingen of een complex van begripskenmerken kan representeeren, zonder
dat het bewustzijn gedwongen is, zich van al die gewaarwordingen of die
kenmerken telkens op logge wijze rekenschap te geven. Zoo is in de aanwezigheid
van het woord een der hoofdfactoren van de snelheid en de scherpte van het
menschelijke denken gelegen. Natuurlijk is het voor ons bewustzijn
noodzakelijk, - en dit is het doel van alle onderwijs en studie, - dat het
zijne voorstellingen en begrippen onderzoekt, aanvult en verbetert, maar de
woorden zijn er, om die voorstellingen en begrippen tot licht hanteerbare
objecten van het denken te maken. | | | |
3. Van het verband, waarin de woorden voorkomen, hangt het alzoo af, of
zij voorstellingen dan wel begrippen wakker roepen. Maar van dit verband en
voor een belangrijk deel ook van de begeleidende woorden hangt het evenzeer af,
of het complex van gewaarwordingen of begripskenmerken, dat door een woord
vertegenwoordigd wordt, meer of minder uitvoerig zijn zal. Dit blijkt b.v. uit
de volgende zinnen: Hoe vindt gij dit bosch? Achter ons huis is een bosch.
De Hagenaars profiteeren veel van hun bosch. De bosschen van het Schwarzwald
zijn majestueus. De Javaan ging het bosch in en bemerkte weldra den tijger. De
aanwezigheid van bosschen heeft veel invloed op het klimaat van een land.
In elk dezer zinnen vertegenwoordigt het woord bosch een voorstellings-
of begripsinhoud, die in een of ander opzicht iets afwijkends heeft.
Tegelijk blijkt uit deze zinnen, hoezeer het van iemands kennis,
d.w.z. van den meerderen of minderen rijkdom van zijn bewustzijn afhangt,
hoeveel en welken inhoud een woord voor hem hebben zal.
4. De indeeling der voorstellingen in vier hoofdvormen:
zelfstandigheden, eigenschappen, werkingen en betrekkingen, vindt hare
toelichting en uitbreiding het best in het hoofdstuk, waarin de indeeling der
woorden aan de orde komt. Om echter nog een gewichtig kenmerk van het woord te
doen uitkomen, kan er hier voorloopig op gewezen worden, hoe de drie laatste
rubrieken niet anders dan elementen van zelfstandigheidsvoorstellingen zijn, en
hoe er zekere inspanning van het bewustzijn toe noodig is, om zich die
elementen geïsoleerd te denken. Deze functie van het bewustzijn -
gewoonlijk abstractie genoemd, maar feitelijk niet anders dan een concentratie
van het bewustzijn op zekere elementen eener voorstelling - wordt door het
woord in hooge mate bevorderd. Het stelt in staat te onderscheiden, wat
in werkelijkheid niet te scheiden is. Een voorbeeld daarvan zijn zinnen als:
Rood en geel wekken op; blauw
en paars stemmen melancholisch. Rijden vindt hij
aangenamer dan loopen. Boven is niet op en
naast is niet tegen. Dat de hier genoemde
eigenschappen, werkingen en betrekkingen geïsoleerd en tot objecten van
het denken kunnen gemaakt worden, zou zonder de bemiddeling van het woord
bezwaarlijk mogelijk zijn. Zoo blijkt ook hier het woord weer het middel, dat
de elementen van ons denken verhindert in het vage en onbestemde te
vervallen.
| |
5.
Na hetgeen in de vorige paragrafen uiteengezet is, kan het begrip
woord als volgt omschreven worden: Een woord is een complex van
klanken, dat een deel uitmaakt hetzij van een zin, hetzij van een minder
volledig taalverband, en waaraan eene voorstelling of een begrip
geassociëerd is.
Kortweg gezegd, is een woord een voorstellings- of
begripssymbool, voortgebracht door de spraakorganen. | | | |
Deze voorstellingen en begrippen hebben hoofdzakelijk betrekking op
zelfstandigheden of op eigenschappen, werkingen en
betrekkingen, die aan of in de zelfstandigheden waargenomen
worden.
Sommige woorden noemen die voorstellingen, andere
duiden ze slechts aan.
Het geschreven woord is de (met het oog op de behoefte
aan eenheid meestal conventioneele) afbeelding van den woordklank, waarmede
indirect eveneens eene voorstelling of een begrip geassociëerd is.
Opmerkingen. 1. Omtrent het verband tusschen voorstelling
(of begrip), woordklank en woordbeeld worden door Wundt
1) de volgende belangrijke opmerkingen gemaakt:
‘Woordklank en schriftbeeld zijn door hunne grootendeels analoge
ontwikkeling voorstellingssymbolen geworden, die slechts door hunne verbinding
met de zaak, die zij beteekenen, tot een samenhangend geheel ineenvloeien. De
deelen van dit geheel blijven echter bij uitnemendheid innig verbonden. Wij
denken wel niet altijd in woordklanken, wij kunnen ons werkelijk beleefde of
gedroomde gebeurtenissen gemakkelijk als een gezichtsbeeld voor den geest
halen; maar ons denken heeft geregeld den woordklank noodig, zoodra het
eenigszins naar het abstracte trekt, a, niet zelden wordt in dit geval de
woordklank onwlllekeurig door het schriftbeeld begeleid. Of de verbinding der
drie elementen: voorstelling, woordklank en schriftbeeld volledig
bewust wordt, hangt voorts daarvan af, welk dezer elementen direct zinnelijk op
ons inwerkt. De voorstelling kan soms geïsoleerd blijven; de woordklank
roept geregeld het voorstellingsbeeld wakker; het woordbeeld wekt woordklank en
voorstellingsbeeld gezamenlijk. Hier herhaalt zich dus de volgorde, waarin de
elementen van het complex met elkander geassociëerd werden. Toch maakt het
abstracte begrip
2) eene uitzondering. Als
aequivalent van de zinnelijke voorstelling die het mist, geldt hier in het
algemeen de woordklank of het woordbeeld. Aan de niet zinnelijk te construeeren
begrippen worden nu de klanken of teekens gesubstitueerd, die in dit geval zoo
innig mogelijk verbonden zijn. Bij menschen, die aan abstract denken en aan
spreken of schrijven over abstracte zaken gewoon zijn, gaat deze verwisseling
van symbool voor begrip in zekere mate ook op zinnelijk gebied over, en het
komt voor, dat in den loop van | | | | hun denken zelfs zeer bijzondere en
concrete voorstellingen voor de woordklanken of woordbeelden op den achtergrond
wijken.’
Uit deze opmerkingen blijkt wederom de belangrijkheid van het woord
in ons geestelijk leven. Weinig ontwikkelden denken in den regel in
voorstellingen en zien, om zoo te zeggen, wat zij denken. Een meer geoefend
bewustzijn denkt in woorden, waarmede het werkt ongeveer als een mathematicus
of een chemicus met zijne teekens en formules.
2. Wanneer een woord iets noemt, dan wil dit niet zeggen,
dat al de kenmerken der voorstelling in den klank opgenomen zijn. Bij het
nagaan der etymologie van een woord vindt men steeds, dat maar
één enkel kenmerk in den klank ligt opgesloten en in den regel
niet eens het voornaamste. Stoel is eene spruit van een wortel
sta of stal, en dus eigenlijk een ‘staand ding’; het
zou dus mogelijk geweest zijn, dat ons voorgeslacht er, even goed als de Russen
aan hun stol, de beteekenis van tafel aan verbonden had. Eene
stoof is etymologisch niets dan een ‘verwarmer’ en zoo is
het niet vreemd, dat eng. stove eene kachel beteekent en hd.
stube een verwarmd vertrek. Voor de meerderheid der menschen is het
ééne kenmerk, dat in een noemend woord ligt, gewoonlijk
verborgen, maar vertegenwoordigt de klank al de kenmerken, die zij er van
hebben leeren kennen.
Daartegenover staan de aanduidende woorden, waarvan de
psychische inhoud slechts uit eene verwijzing of aanwijzing bestaat. Daartoe
behooren o.a. de lidwoorden en vele voornaamwoorden en bijwoorden. Bij de
behandeling der woordsoorten zal de gelegenheid zich voordoen, om dit in
bijzonderheden na te gaan.
Evenals bij de wortels zou deze onderscheiding door de termen
praedicatieve en demonstratieve woorden kunnen aangegeven worden.
Ook zijn er voor in gebruik de termen stof- en vormwoorden, die
echter het onderscheid maar gebrekkig uitdrukken. Iets beter zijn de Engelsche
termen: notional and relational words.
| |
De indeeling der woorden.
| |
6.
Meer nog dan bij de leer van den zin, zijn bij de leer van het woord
zekere indeelingen onvermijdelijk. Waar deze nog menigmaal de taalwetenschap in
het algemeen en de spraakkunst in het bijzonder tot een verwijt gemaakt worden,
is het niet overbodig hier opnieuw te herinneren, dat indeelen eene
hoofdvoorwaarde is van werkelijk kennen en dat het juist een voornaam middel is
om de vermoeienis van het kennen te verlichten. De sterrenhemel brengt ons in
verwarring, zoolang wij de hemellichten niet in sterrenbeelden afdeelen. Daarna
eerst voelen wij er ons thuis. | | | |
Dat bij de indeeling der woorden nu en dan zich gevallen voordoen,
waar de grenzen uitgewischt schijnen te zijn, heeft de taalwetenschap met elke
wetenschap gemeen, die historisch zich ontwikkelende dingen onderzoekt. Hier
geldt de geestige opmerking van Max Müller, dat men eene kustlijn kan
aanwijzen, ook al slaan er van tijd tot tijd de golven overheen.
Intusschen behoort elke goede indeeling haar grond te vinden in eene
juiste beschouwing van de dingen, die ingedeeld worden. Van elke
gerechtvaardigde indeeling kan gezegd worden, niet dat wij die maken, maar dat
we gedwongen worden haar te maken.
Wat vaak aanleiding tot verwarring geeft, is het indeelen naar meer
dan een grondslag, wat intusschen bij het analyseeren van een zeer samengesteld
geheel niet altijd te vermijden is. Vooral bij de leer van het woord is er veel
oplettendheid noodig, om bij de gebruikelijke indeelingen de gronden daarvoor
in het oog te houden.
| |
7.
De klassieke indeeling der woorden in tien categorieën is al
dadelijk een voorbeeld van eene indeeling naar meer dan een beginsel. De nomina
en de verba staan als symbolen van de dingen en het aan de dingen
waarneembare gebeuren scherp logisch tegenover elkander. De eerste
worden in noemende substantiva en aanduidende pronomina
gesplitst: bij de verba blijft die onderscheiding achterwege en worden
aanduidende werkwoorden als zijn, worden en doen bij de overige
gevoegd. Naast deze onderscheiding op grond van de beteekenis staat eene
verdeeling der bepalende woorden in bijvoeglijke woorden en
bijwoorden, al naarmate zij met een naamwoord of een werkwoord in
betrekking staan. Maar terwijl de eerste, de adnominale woorden, in vieren
gaan: adjectiva, adjectivische pronomina, numeralia en
lidwoorden, maken de adverbiale woorden slechts êéne klasse
uit. Eindelijk komt hierbij nog de onderscheiding van voorzetsels en
voegwoorden, eene onderscheiding, die allereerst op de functie en eerst
in de tweede plaats op de beteekenis berust.
De twee indeelingsgronden, die de gevonden definitie van het woord
aan de hand doet, nl. dat het woord 1o. een deel | | | | van den
zin en 2o. een voorstellings- of begripssymbool is, zijn dus
blijkbaar in de gebruikelijke indeeling dooreengemengd. Het toepassen van het
eerste beginsel alleen zou leiden tot eene indeeling als de volgende:
1o. onderwerps- en voorwerpswoorden, 2o.
gezegdewoorden, 3o. bepalingswoorden en 4o.
verbindingswoorden. De toepassing van het tweede beginsel daarentegen
zou eene indeeling in dezen trant tot uitkomst hebben: 1o.
zelfstandigheidswoorden, 2o. eigenschapswoorden,
3o. werkings- of toestandswoorden, 4o.
betrekkingswoorden.
Hoe logisch zulk eene indeeling naar een enkelen grondslag ook zijn
zou, om meer dan eene reden moet zij ontraden worden. Vooreerst kunnen woorden
van verschillende beteekenis in eene zelfde functie voorkomen en
één woord kan, zonder dat zijne beteekenis zich wijzigt, in meer
dan ééne functie gebezigd worden. Daarom moet eene vereenvoudigde
indeeling der woordsoorten bij den rijkdom der taalmiddelen steeds door
onderverdeelingen gevolgd worden, en wordt de winst aan eenvoud ten slotte toch
gering. Maar de hoofdreden om aan de gebruikelijke indeeling der woordsoorten
niet te tornen, is het historisch en internationaal karakter van die indeeling.
Dat geeft haar een voorrang, waartegen geen enkele poging om er iets anders
voor in de plaats te stellen, kans op voldoende instemming heeft. Maar
bovendien is de klassieke indeeling alleszins bruikbaar, mits bij de
omschrijving der categorieën zoowel op de functie in den zin
als op de beteekenis gelet worde.
Opmerkingen. 1. Dat de logica, de op waarneming en
ervaring berustende leer van het denken, op verschillende punten tot gelijke
uitkomsten moet leiden als de grammatica, de op waarneming en ervaring
berustende leer van het spreken en schrijven, is een uitvloeisel van het innig
verband tusschen denken en taal. Toch moet niet uit het oog verloren, dat die
uitkomsten elkander nooit volkomen dekken. Vooreerst kan wel elk denkverschil
of logisch onderscheid in een grammaticaal verschil uitdrukking vinden, maar
daarom geschiedt dit nog niet altijd. Zoo blijft de grammaticale aanwijzing van
het logisch verschil achterwege in: Ik weet, dat hij komt (stellige
komst) en Ik hoop, dat hij komt (mogelijke komst); Geef mij een
brood (gebod)! en Geef ons heden ons dagelijksch brood (bede)!
Daarnaast komt ook belangrijk grammaticaal onderscheid voor, zonder | | | | dat er logisch onderscheid meê gepaard gaat: b.v. in: hij leve
lang! en moge hij lang leven! mijn ouderlijk huis en het huis
mijner ouders, ijverig werken en met ijver werken, ik ga er heen en
ik zal er heengaan. En soms ook is er zoowel grammaticaal als logisch
verschil, maar wordt er op het laatste niet gelet, zoodat in den grond
verschillende of althans niet volkomen gelijkwaardige uitdrukkingen voor en
door elkander gebruikt worden, b.v. 's namiddags en na den middag,
een deur van ijzer en een ijzeren deur, ik opende het pakket en
het pakket werd door mij geopend, enz. Zoo ziet men in den loop der
tijden grammaticale onderscheidingen ontstaan en ook weer vervallen, of ook wel
door andere vervangen worden, zonder dat daarmede altijd wijzigingen in het
denken verbonden zijn. In het algemeen mag men zeggen, dat de verschijnselen
van het denken meer bestendigheid vertoonen dan de taalverschijnselen. Zoo
kunnen logica en grammatica elkander steunen, maar gaat toch elk der beide
wetenschappen haar eigen weg.
9. De klassieke indeeling der woordsoorten vindt haar eersten grond in
de beroemde categorieëntafel van Aristoteles. Dit was geen grammaticale,
maar eene logische indeeling, eene vaststelling van een tiental rubrieken,
waartoe al wat gedacht kan worden, te brengen valt. Aristoteles abstraheerde
deze begripsrubrieken uit de beschouwing van den zin en zoo kwam hij langs
empirischen weg tot de logische classificatie, die later ook de basis voor de
indeeling in grammatische categorieën is geworden.
De tien categorieën van Aristoteles zijn de volgende:
1o. de substantie, 2o. de qualiteit,
3o. de quantiteit, 4o. de relatie,
5o. het waar, 6o. het wanneer,
7o. het doen, 8o. het ondergaan,
9o. het hebben of voorzìen zijn van iets,
10o. het gelegen of gezeten zijn.
Bij een nadere beschouwing dezer categorieën blijkt wel, dat nu
en dan bijeenbehoorende begrippen gescheiden zijn, maar dat de hoofdvormen er
toch alle in voorkomen. De 1e categorie omvat het begrip
zelfstandigheid, de 2e en 3e dat van eigenschap. Het begrip
werking of toestand is verdeeld over de rubrieken 7-10, en dat
van betrekking over de rubrieken 4-6. Niet ten onrechte noemt Max
Müller deze indeeling, mits ze goed geïnterpreteerd worde, een
‘meesterstuk van verrassende volmaaktheid.’
Bij de Grieken der 5e en 4e eeuw v.C. was er nog geen sprake van
eigenlijke grammatica; wat hen bezig hield, was taalphilosophie, het nadenken
over de verhouding van denken en spreken. Eerst in de 3e en 2e eeuw werd
Alexandrië de bakermat der practische grammatica, als dìenares der
philologie. Daar ontstonden ook de meeste taalkundige vakwoorden. Vandaar werd
de grammatica naar Rome overgebracht en zoo werd de voor het Latijn
gebruikelijke en voor het meerendeel uit het Grieksch afgeleide terminologie in
hoofdzaak de grondslag van de spraakkunsten der moderne Europeesche talen.
De Alexandrinische spraakkunstenaars kenden eene indeeling der | | | | woorden in acht soorten: namen, werkwoorden, deelwoorden, lidwoorden,
voornwdn., voorzetsels, bijwoorden en voegwoorden. De Latijnsche grammatici
splitsten de namen in: substantieven, adjectieven, pronomina en numeralia, en
lieten natuurlijk het in het lat. ontbrekende lidwoord weg, maar voegden er de
tusschenwerpsels aan toe.
| |
8.
In verband met hetgeen in de vorige paragraaf omtrent de indeeling
der woordsoorten gezegd is, zal hier alzoo de gebruikelijke classificatie
worden gevolgd, nl. 1o. zelfstandige naamwoorden,
2o. bijvoeglijke naamwoorden, 3o.
voornaamwoorden, 4o. telwoorden, 5o.
lidwoorden, 6o. werkwoorden, 7o.
bijwoorden, 8o. voorzetsels, 9o.
voegwoorden, 10o. tusschenwerpsels. Van deze tien
groepen vormen de tusschenwerpsels een aanhangsel, daar zij niet aan het
criterium beantwoorden, dat een woord een deel van een zin uitmaakt.
Opmerkingen. 1. Niet al deze woorden staan op gelijken
rang. De zelfstandigheidswoorden en de werkwoorden staan, evenals het onderwerp
en het gezegde in den zin, op den voorgrond, als vertegenwoordigers van de
dingen en van hunne werkingen en toestanden, d.i. van het bestendige en van het
veranderlijke in de wereld der verschijnselen. De volgorde, waarin de
woordsoorten behandeld zullen worden, en de opvatting, die deze volgorde
motiveert, kunnen blijken uit het volgende overzicht:
| I. | Zelfstandigheidswoorden: |
| | a. Zelfstandige naamwoorden. |
| | b. Zelfstandige voornaamwoorden. |
| II. | Bijvoeglijke op adnominale woorden. |
| | a. Lidwoorden. |
| | b. Bijvoeglijke naamwoorden. |
| | c. Bijvoeglijke voornaamwoorden |
| | d. Telwoorden. |
| III. | Werkings- of toestandswoorden: |
| | Werkwoorden. |
| IV. | Bijwoordelijke of adverbiale woorden: |
| | Bijwoorden. |
| V. | Betrekkingswoorden: |
| | a. Voorzetsels. |
| | b. Voegwoorden. |
De nadere toelichting van deze rangschikking volgt geleidelijk b de
afzonderlijke beschouwing van elk dezer categorieën.
2. Uit de definitie van het woord in § 5 volgt, dat deze
beschouwing telkens uit twee deelen zal moeten bestaan: 1o. de
opsomming der diensten, die de woordsoort in den zin verricht, en
2o. de be- | | | | schrijving van de beteekenis, d.i.
van den aard der voorstellingen (of begrippen) of hunne elementen, die door het
woord vertegenwoordigd worden.
Daartoe zij hier in herinnering gebracht, dat bij de beschouwing van
den zin de volgende functies gevonden zijn:
| I. | Gezegden: |
| | a. naamwoordelijke gezegden. |
| | b. werkwoordelijke gezegden. |
| II. | Onderwerpen: |
| III. | Voorwerpen: |
| | a. lijdende voorwerpen. |
| | b. meewerkende voorwerpen. |
| | c. oorzakelijke voorwerpen. |
| IV. | Bepalingen: |
| | a. Bijvoeglijke (adnominale)
bepalingen. |
| | b. Bijwoordelijke (adverbiale)
bepalingen. |
| | c. Bepalingen van gesteldheid, (praedicatieve
attributen als middenvorm tusschen a en b). |
| V. | Betrekkingswoorden: |
| | a. Betrekkingswoorden (in den enkelv. zin). |
| | b. Verbindingswoorden (in den samengestelden
zin). |
3. Een belangrijk onderdeel van de beschouwing der woordsoorten is ook
het onderzoek naar de wijzigingen, die de beteekenis van een woord kan
ondergaan, als het van functie verandert. Zoo krijgen de substantieven in
sommige gevallen het karakter van een adjectief, b.v. in: Zijn broer is
soldaat. Zoo heeft wanneer in: Wanneer
komt hij? de beteekenis op welken tijd? - terwijl het in:
Wanneer uw broer komt, ga ik heen, door op den tijd
dat moet vertaald worden.
Tot hetzelfde onderzoek behooren ook de gevallen, waarin een woord
zijne zelfstandigheid verliest, doordat het een deel van eene ondeelbare
uitdrukking wordt. In eene uitdrukking als in de war b.v. is in
geen voorzetsel en war geen substantief meer, maar is het geheel als een
adjectief te beschouwen.
En eindelijk is aandacht te wijden aan gevallen, waarin een woord in
een overgangsstadium verkeert. In onverrichter zake worden b.v. nog twee
woorden, een participiaal adjectief en een substantief, erkend.
Blootshoofds is eene samenstelling, maar van gelijke vorming als de
voorgaande uitdrukking, en zoo doorzichtig, dat men aarzelt, ze tot de
bijwoorden te brengen. Bij rechtstreeks daarentegen is die aarzeling
geheel verdwenen en heeft de spelling reeds de s van het adjectief laten
vallen, die er etymologisch aan toekwam. Zoo wordt wee! als tusschen
werpsel beschouwd, maar het is de vraag, of hetzelfde woord in: wee den
onverlaat! al tot die categorie gebracht kan worden.
|
1)Door psychometrische proeven is gebleken,
dat de tijd, noodig om van eene zaak tot den naam te komen, in den regel
kleiner is dan omgekeerd.
1)Bij examens is herhaaldelijk geconstateerd,
dat enkele examinandi, als zij een antwoord geven, hetwelk op boekenkennis
berust, de bladzijde van hun leerboek zien en het antwoord als het ware daarvan
aflezen.
2)Deze onderscheiding van vier hoofdvormen
der voorstellingen en begrippen komt zoowel bij Wundt als bij Lotze
voor.
1)Grundzüge der physiologischen
Psychologie, II, 452.
2)Hiermede wordt bedoeld een begrip, dat
òf door geen, òf door eene zeer zwakke zinnelijke voorstelling
begeleid wordt, b.v.: oorzaak, voorwaarde, begin, resultaat, staat,
gemeenschap, enz. (Vgl. § 10, opm. 2).
|
|