|
|
|
| | | | | | | |
Bl. 8.
Tot de voornaamste literatuur over het vraagstuk omtrent den
oorsprong der taal behoort o.a. het volgende:
W. von Humboldt, Inleiding tot diens groote werk
Ueber die Kawisprache auf der Insel Java (3 Bde, 1836-1840, afzonderlijk
verschenen onder den titel Ueber die Verschiedenheit des menschlichen
Sprachbaues und ihren Einfluss auf die geistige Entwickelung des
Menschengeschlechts (1835, opnieuw uitgegeven, 3e dr., door Pott.
1880).
M. Lazarus en H. Steinthal gaven sinds
1859 het Zeitschrift für Völkerpsychologie und
Sprachwissenschaft uit. Van den eerste is ook het art. Sprache in
Schmid's Encyclopädie des gesammten Erziehungs- und
Unterrichtswesens, XI. De laatste, behalve dat hij de taalphilosophische
geschriften van Von Humboldt uitgaf en verklaarde, gaf verder o.a. Der
Ursprung der Sprache (1851); Charakteristik der hauptsächlichsten
Typen des Sprachbaues (1860); en Einleitung in die Psychologie und
Sprachwissenschaft (1871).
Lazarus Geiger schreef: Ursprung und Entwicklung
der menschlichen Sprache und Vernunft (1868). Der Ursprung der
Sprache (1869).
Max Müller gaf eerst zijne Lectures on the
Science of Language (1861), en later (ook onder den invloed van L.
Noiré) zijne zeer gewijzigde inzichten in The Science of Thought
(1887), in het Duitsch overgebracht onder den titel: Das Denken im Lichte
der Sprache (1888).
Ook Friedrich Müller gaf in zijn Grundriss
der Sprachwissenschaft eene merkwaardige Inleiding tot de
taalwetenschap.
Van L. Noiré verschenen: Der Ursprung der
Sprache (1877); Max Müller und die Sprachphilosophie (1879);
Logos, Ursprung und Wesen der Begriffe (1885).
Als standaardwerk op het gebied der taalpsychologie geldt H.
Paul, Principien der Sprachgeschichte (1880).
Onder de Nederlanders, die zich door het onderzoek van het verband
tusschen de ontwikkeling van de taal en die van het denken voelden | | | | aangetrokken, behoorden om van levenden te zwijgen, Mr. J.
Kìnker, Inleiding eener wijsgeerige algemeene theorie der
talen (1817), Dr. L.A. te Winkel en Dr. W.G.
Brill.
Tot het jongste op dit gebied behoort: Progress in Language,
With special reference to English by Otto Jespersen, Ph. Dr.
Professor of English in the University of Copenhagen (1894). Van dit werk
werd een (onvoltooid) verslag gegeven door Dr. H. Logeman in Taal en
letteren, V, 265 en van het hoofdstuk over den oorsprong der taal eene
vertaling door P.H. van Moerkerken in Noord en Zuid, XIX, 97.
Het karakteristieke van dezen nieuwen kijk op de wording der taal
is, dat Jespersen zich de eerste taal voorstelt als bestaande uit half-muzikale
onanalyseerbare klankcomplexen, meer door de vroolijkheid dan door den ernst
van het leven te voorschijn geroepen, waaraan door allerlei toevalligheden zich
de een of andere gedachte huwde, en waaruit zich eerst langzamerhand
klankdeelen voor de elementen van de gedachte afscheidden. Alzoo wil hij niet
weten van eene ontwikkeling uit zeer eenvoudige klankelementen, aangroeiend tot
meer samengestelde klankverbindingen, waarop later weer analyseerende invloeden
hunne scheidende werking deden gelden, maar is hij geneigd aan te nemen, dat
die analyse van den beginne af aan gewerkt heeft en uit oorspronkelijk
onoplosbare en zinlooze klankmassa's woorden heeft doen ontstaan.
Deze hypothese stelt zich vooral wantrouwend tegenover de theorie,
die taalwortels als de primitiefste elementen aanneemt en de flectie uit
agglutinatie ontstaan acht. Dat men in den aanvang klanknabootsing,
klankreactie en klankdrang aanneemt, wordt niet zoo zeer door Jespersen
bestreden; met Noiré legt hij bovendien den nadruk op den factor van het
menschelijk verkeer, maar hij acht deze theorieën toch alleen geschikt om
deelen der taal te verklaren.
Dit nieuwe gezichtspunt is nog te jong, om het reeds zijne plaats
aan te wijzen in de geschiedenis van het vraagstuk. Max Müller en
Noiré zoeken het ongetwijfeld wat al te veel aan den ernstigen kant met
hunne voorbeelden, ontleend aan het slaven en zwoegen der eerste menschen,
begeleid door opluchtende geluiden. Waarschijnlijk denkt men zich ook die
eerste geluiden al te snel begrensd en gedifferentiëerd. Toch moet niet
uit het oog verloren worden, dat de taalwetenschap zich al sinds lang de
ontwikkeling van het woord niet buiten, maar in den zin denkt;
zoo zegt Becker reeds in zijn Organism der Sprache (1841), p. 175:
‘Da die Sprache uranfänglich in der lebendigen Rede in die
Erscheinung tritt, und mit dem Satze beginnt, so wird der Satz nicht aus schon
vorhandenen Wortformen zusammengesetzt, sondern Begriffsformen und Wortformen
entwickeln sich erst in dem Satze und mit ihm.’ Zoo houdt hij dan ook (p.
202) de persoonsuitgangen der werkwoorden niet voor ‘agglutinirte
Pronomen,’ maar omgekeerd de pronomina voor ‘abgelösete
Personalendungen.’ Ook beschouwt men de zoogenaamde taalwortels niet
zoozeer als te | | | | zamen de oorspronkelijke taal vormende, maar als
abstracties, als laatste resten, waarop men bij het verst voortgezette
analyseeren stuit.
1)
Deze enkele opmerkingen dienen slechts om de te voorbarige
gevolgtrekking te voorkomen, dat de hypothese van Jespersen alle tot dusver
geopperde hypothesen te niet zou doen. Wel beschouwd ligt zij in de lijn van
het tot dusver gevondene en schijnt zij als richtsnoer meer te beloven voor het
onderzoek naar de ontwikkeling van de uitdrukking der betrekking, dan
voor dat naar de geschiedenis der woorden zelf. Zoolang echter de taalvorschers
niet door analyse van oude taalresten op dergelijke onoplosbare klankcomplexen
stuiten, of zoolang niet is aangetoond, dat de nieuwe hypothese eene betere
verklaring der taalverschijnselen mogelijk maakt, zal men zich moeten behelpen
met de tot dusver gevolgde onderstelling, dat de taalevolutie moet begonnen
zijn met zeer eenvoudige taalcellen. Eerst toen in de leer van het licht
gebleken was, dat de vibratie-theorie van Chr. Huygens de lichtverschijnselen,
b.v. de straalbreking, beter verklaarde dan Newton's emanatietheorie, werd de
laatste prijsgegeven.
| |
Bl. 21.
Voor eene uitvoeriger toelichting van de termen
voorstelling en begrip zij verwezen naar de in het voorbericht
vermelde artikelen in N. en Z. XVII, waar op bl. 242-265 getracht is, de
algemeen verbreide opvatting der termen voorstelling en begrip
door de juistere te vervangen, die de nieuwere psychologie aan de hand doet.
Het in § 4 gegevene is daarvan eene beknopte samentrekking.
In het kort komt het verschil hierop neer. De gewone opvatting is
nog meestal deze: eene voorstelling is een samenvattend beeld van alle
kenmerken van een bepaald ding; een begrip is de som der | | | | essentiëele kenmerken, die uit eene reeks voorstellingen van
gelijksoortige dingen geabstraheerd worden.
Deze overgeleverde theorie is reeds door den Engelschen bisschop
Berkeley (1684-1753) op onwederlegbare wijze bestreden. Herinnerd zij de
bekende uitlating van B.: ‘Het is mij onmogelijk de abstracte
voorstelling van eene beweging te vormen, zonder aan een bewegend lichaam te
denken, of mij eene beweging voor te stellen, die noch snel, noch langzaam,
noch rechtlijnig, noch kromlijnig is.’ Of ook de opmerking van Locke, dat
het algemeene idee van een driehoek het bezwaar oplevert, dat hij ‘noch
scheefhoekig, noch rechthoekig, noch gelijkhoekig, noch ongelijkzijdig, maar
dit alles te zamen en toch ook weer niets van dit alles is.’
Tegenover de oudere opvatting nu staat de nieuwere, dat eene
voorstelling een woordklank is, geassociëerd met een meer of
minder uitvoerig complex van gewaarwordingen, en een begrip een
woordklank, geassociëerd met een complex van oordeelen, die er meer of
minder nauwkeurig het wezen van omschrijven. Zoo zijn voorstellingen en
begrippen evenmin streng gescheiden als ons aanschouwen en ons denken het zijn.
Een zelfde woordklank is nu eens voorstellings-, dan weer begripssymbool en er
zijn zooveel bijzondere en algemeene voorstellingen als bijzondere en algemeene
begrippen. Maar als eene voorstelling op den voorgrond dringt in het
bewustzijn, is ook het begrip niet verre, en komt een woord in zoodanig verband
voor of is het van dien aard, dat het in de eerste plaats begripswoord is, dan
is er toch altijd eene meezwevende voorstelling of reeks van voorstellingen in
het bewustzijn waarneembaar
1).
Wat bij de oudere opvatting uit het oog verloren wordt, is dit,
dat zij de methode der formeele logica bij het vaststellen van een begripinhoud
in de plaats stelt voor de natuurlijke ontwikkeling der begrippen in het
menschelijk bewustzijn onder den invloed van ervaring en nadenken. Evenmin als
bij gewone menschen een besluit steeds op een minor en een major berust,
evenmin ontstaan zijne begrippen op de strenge wijze, die de logica omschrijft.
Met en uit de voorstelling groeit het begrip, en meestal gebrekkig in den
aanvang, ontwikkelt het zich langs een reeks van trappen, waarvan het streng
geformuleerde wetenschappelijke begrip den bovensten vormt, schoon die niet
altijd te bereiken is en in meer gevallen, dan men menigmaal wel | | | | denkt
1). Deze waarheid in te zien, doet
uitkomen de hooge beteekenis van het woord, dat te midden van al die
wisselingen in het wezen van voorstellingen en begrippen vastheid en eenheid
brengt.
| |
Bl. 38.
Als een onderdeel van het in de vorige aanteekening aangehaald
betoog is in N. en Z. XVII, bl. 254-256 het volgende omtrent het
ontstaan van ruimte- en tijdsvoorstellingen gezegd.
‘Een der moeilijkste onderwerpen, die tot de leer van het
kennen behooren, is het onderzoek naar den aard onzer tijd- en
ruimte-opvattingen en de wijze, waarop die ontstaan. Er valt niet aan te denken
in een klein bestek zelfs maar aanwijzing te doen van de tallooze vragen,
waartoe dit onderwerp aanleiding geeft. De moeilijkheid is vooral hierin
gelegen, dat wij nergens meer dan hier ons bewust zijn van het groote verschil
tusschen onze subjectieve tijden ruimte-voorstellingen en de objectieve tijden
en ruimten, die wij buiten ons aannemen. Zijn nu die subjectieve voorstellingen
ervaringsresultaten, verkregen door waarneming van de objectieve tijden en
ruimten? Of is, zooals Kant het voorstelde, het aannemen van een tijd en eene
ruimte, waarin de dingen voorkomen, een aangeboren en niet door ervaring
verkregen faculteit van ons bewustzijn? De empirische psychologie bestrijdt
deze laatste theorie, maar zij moet toch erkennen, dat het niet mogelijk is
zich dingen te denken, los van ruimte of tijd. Zoo moet zij staan blijven bij
de erkenning, dat er objectieve ruimte en tijd is, en er van afzien daarvan
eene nadere verklaring te willen geven, dan dat tijd en ruimte constante
elementen van alle mogelijke ervaring zijn.
Voor ons doel behoeven wij ons echter hierin niet verder te
verdiepen. Wij hebben alleen te doen met de wijze, waarop wij ons tijd en
ruimte voorstellen, niet met hetgeen het wezen van ruimte en tijd uitmaakt.
Als wij ons herinneren, dat onze voorstellingen uit
gewaarwordingen ontstaan, dan is het de vraag, of wij ook tijdsgewaarwordingen
hebben. Bij analyse van het verschijnsel blijkt dan, dat dit werkelijk het
geval is, al zijn zulke gewaarwordingen ook weer onafscheidelijk met andere
verbonden. Wanneer ik achtereenvolgens twee door eenigen duur gescheiden tikken
hoor, dan zijn de gehoorsgewaarwordingen | | | | daarvan verbonden met de
gewaarwording van iets constants, dat er als het ware den achtergrond van
uitmaakt. Dat onderscheiden van het blijvende bij al de afwisselingen, die wij
waarnemen, verwekt in ons bewustzijn eene gewaarwording, die wij
tijdsgewaarwording kunnen noemen, en die ten slotte niets anders blijkt te zijn
dan het besef van eene zekere spanning van onze aandacht tusschen een begin en
een einde.
Die gewaarwording begint ook met zeer vaag te zijn. Zij neemt
echter in duidelijkheid toe, naarmate de afwisselingen, waarmede wij haar
verbonden voelen, regelmatiger zijn en als regelmatig door ons erkend worden,
m.a.w. als wij in staat worden ze te meten. Zoo begint een kind, dat tot eenige
ontwikkeling gekomen is, zijn tijd te meten met zijne maaltijden en met
nachtjes slapen. En de menschen zijn er toe gekomen, daarvoor de afwisseling
van dag en nacht en van de jaargetijden te bezigen, welke de basis geworden
zijn van eene zeer nauwkeurige en regelmatige tijdmeting.
Zoo ontwikkelt zich in ons een zekere tijdzin, d.i. de faculteit
om tijden te schatten. Maar de ervaring leert, dat dit vermogen, hoezeer het
voor oefening vatbaar is, ons toch al spoedig begeeft. Als wij een ei moeten
koken, grijpen wij daarom maar liefst naar het horloge of den zandlooper. En
bij langere tijdruimten wordt het nog ondoenlijker. Dientengevolge heeft zich
echter eene andere gewoonte in het bewustzijn ontwikkeld. Of we herleiden een
groot tijdvak tot een veelvoud van eene ons beter bekende tijdruimte, òf
de verbeelding gaat er zich mee bemoeien en wij stellen ons verschillende
tijden symbolisch als ruimten voor, van elkander gescheiden door meer of minder
merkwaardige voorvallen. Zoo spreken wij van tijdvakken en tijdruimten, en een
bekend aanschouwingsmiddel bij het onderwijs in historie is een tijdstroom. Men
moet zich dan ook eenigszins inspannen, om zich bv. de geschiedenis van ons
vaderland als eene reeks afwisselingen op een zelfde vlak voor te stellen. De
natuurlijke gang van zaken is, dat eeuwen, meer of minder door gebeurtenissen
gevuld, in ons bewustzijn achter elkander liggen, de verst verwijderde het
meest naar achteren. En zoo mogen wij besluiten, dat we van de deelen van den
tijd ook ‘voorstellingen’ hebben, niet alleen b.v. van den tijd
om van Amsterdam naar Haarlem te sporen, maar ook van een half uur
sporens in het algemeen.
Dat we ook voorstellingen van ruimten hebben, ligt in het
voorgaande reeds opgesloten. Met opzet zijn echter de tijdsvoorstellingen eerst
besproken, want het zou een onjuiste opvatting zijn, te meenen dat deze zich
uit de ruimtevoorstellingen ontwikkeld hadden. Dat we ons een tijd als een
ruimte voorstellen, is slechts eene symboliek, die noodzakelijk blijkt, als de
opvatting van eene tijdruimte als duur onmogelijk wordt.
Bij analyse van eene ruimtevoorstelling blijkt, dat
gezichtsge- | | | | waarwordingen er de voornaamste elementen van uitmaken,
schoon ook tast- en bewegingsgewaarwordingen meehelpen. Ook hier staan twee
theorieën tegenover elkander: de nativistische, die aanneemt, dat
oorspronkelijk aan het bewustzijn de begaafdheid eigen is, om de dingen als
zich uitbreidende in de ruimte op te vatten, en de genetische (of
empiristische), die de ruimtevoorstelling als het gevolg van eene reeks van
ervaringen beschouwt, waartoe verschillende zinnen hunne medewerking verleend
hebben. Het is hier de plaats niet, om daarover uit te weiden; het vraagstuk is
bijzonder ingewikkeld.
Alleen zij opgemerkt, dat ofschoon tal van feiten, o.a. de
onderzoekingen bij geopereerde blinden, het bewijs leveren, dat ons bewustzijn
oefening noodig heeft, om tot juiste ruimtevoorstellingen te komen, - wat alzoo
eene bevestiging is van de theorie, dat het vermogen om dergelijke
voorstellingen te vormen geen aangeboren eigenschap van het bewustzijn is, - de
empiristen in den laatsten tijd toch ook meerendeels bereid zijn te erkennen,
dat de praedispositie er toe in de evolutie, die het menschelijk geslacht
doorgemaakt heeft, ontwikkeld kan zijn. Intusschen, de vraag, hoe dit vermogen
om ruimten op te vatten zich ontwikkeld heeft, doet er voor ons doel minder
toe. Wel geconstateerd is, dat wij onze ruimtevoorstellingen danken aan
gezichts-, tast- en bewegingservaringen; dat zoowel het rustige als het
bewegende oog er toe meewerken, maar dat ook andere bewegingen, die we bij het
waarnemen van ruimten maken, er het hare toe doen, kortom dat ook de
ruimtebeelden complexen van gewaarwordingen, dus voorstellingen zijn. En
wederom zijn dit òf bijzondere òf algemeene voorstellingen, -
b.v. de vierkante oppervlakte van mijn kamer en een afstand van 10
K.M. - waaruit verder ook weer verbeeldingen van ruimten ontstaan kunnen.
Dit geldt dan, wanneer het afstanden of ruimten betreft, die buiten onze
ervaring liggen of die bijzonder groot zijn. In het laatste geval nemen wij,
evenals bij de tijden, mede eene zekere symboliek te baat, waarbij we zulke
afstanden of ruimten tot een kleiner of grooter aantal ons welbekende afstanden
of ruimten herleiden.
| |
Bl. 57.
De verklaring, die Dr. Van Helten van deze uitdrukkingen geeft, is
te vinden N. en Z. III bl. 82-86. Het voornwd. 'em in: Dat is
't em, evenals in: Hij issem, Dat issem, wordt daar in verband
gebracht met den wederkeerigen datief im, die in het Ouds. herhaaldelijk
voorkomt bij praedicaten met de beteekenissen vreezen, - hebben, nemen,
koopen, - zitten, liggen, gaan, brengen, - leven, denken, enz., en die op
de wijze, als in § 80, 1o en § 82 omtrent onzen
wederkeerigen | | | | accusatief is aangewezen, hoofdzakelijk dient om een
doen of een toestand met nadruk tot het subject te beperken.
Dit betoog is niet onaannemelijk, waar het geldt uitdrukkingen
als: Daar zit 'em de knoop of de kneep (ook de
moeilijkheid, het bezwaar), Daar ligt het 'em aan,
Daar zit het 'em in, Dat is 't 'em
1), en dergelijke, waar dit 'em, een der looze woorden is
geworden, waarvan in § 24, Opm. 2 sprake is.
Minder overtuigend is het betoog, dat deze uitdrukkingen de
prototypen zouden zijn van de andere als: Ik ben 'em, Jij bent
'em. Hij is 'em (in kinderspelen), of Dat is
'em (b.v. op de vraag: Wie is de burgemeester?), uit te
breiden met de uitdrukking: Het is 'em sprekend (b.v. bij
het zien van een portret, of van een persoon, die gelijkenis met een ander
vertoont). Al deze gevallen zijn o.i. eenvoudiger als volgt te verklaren.
Wanneer (vgl. § 23, 1o) een praedicaatssubstantief
als regel door het pers. vnwd. het wordt aangeduid, is het voornamelijk
daaraan toe te schrijven, dat het als qualiteitswoord wordt gevoeld. En zoo is
het niet vreemd, dat waar kinderen, die toch al zoo vrij met de voornwdn.
kunnen omgaan, blindeman, krijgertje, enz. spelen, ze niet: Ik ben
het, maar Ik ben 'em zeggen. Die blindeman
is voor hen een individu en het is niet slecht gevoeld, als zij dit al vroeg
door 'em uitgedrukt hebben (vgl. ook § 35).
In de andere zinnen: Dat is 'em en 't Is
'em sprekend, is het noodzakelijk 'em te
gebruiken, daar het of dat slechts als onderwerp kunnen staan
(vgl. § 23, 3o), ‘wanneer uit het praedicaats-naamwoord
voldoende blijkt, welk geslacht of getal bedoeld wordt.’ Als het eene
vrouw geldt, hoort men dan ook wel: Dat is 'er. 't Is
'er sprekend.
2)
Deze uitzondering had daarom bij § 16 Opm. 2 en §
23. 1o vermeld moeten worden.
| |
Bl. 112.
Voor nadere bijzonderheden omtrent den overgang van de
coördineerende in de subordineerende constructie zie men Van Helten,
Vondels taal II §§ 227 en 229. Ook Paul, Principien,
bl. 250-254.
| | | |
| |
Bl. 135.
Eene belangrijke gedachtenwisseling is indertijd over De
definitie van het werkwoord gevoerd door Dr. W.G. Brill en Dr. L.A. te
Winkel. Zie daarover: Taalgids II 245 en III 1, 26 en 181.
De term openbaring van bestaan voor ‘werking,’
in het 1e en 2e stuk herhaaldelijk gebruikt
1), is in dit deel weer losgelaten, omdat hij in het gebruik
ondoelmatig is en toch niet afdoende het begrip omschrijft.
|
1)De op bl. 10, r. 2 v.b. gebruikte
uitdrukking is dan ook gebrekkig. De lezer gelieve daarom ‘de I-E.
oertaal’ te veranderen in: ‘de hoofdbestanddeelen der I.-E.
oertaal.’
Max Müller zegt hieromtrent in Das Denken
i.L.d.S., 202: ‘Wenn man mich also fragte, ob die Sanskritwurzeln das
repräsentiren, was in sehr alter Zeit allgemeine Volkssprache war, so
antworte ich mit Ja und mit Nein. Ich antworte mit Nein, weil in einem Satze,
sobald er ausgesprochen war, eine Wurzel, mochte sie nun nominalen oder
verbalen Zwecken dienen, aufhörte Wurzel zu sein. Ich antworte Ja, weil
das für solche Sätze gebrauchte Material thatsächlich von den
jetzt so genannten Sanskritwurzeln geliefert wurde.’
1)W. Zenz: Entstehung und Wesen des
Begriffes (Zeitschrift für immanente philosophie, herausgeg. von M.R.
Kaufmann) 1896, p. 353: ‘Je weiter der Complex ist, der den Begriff
ausmacht, desto mehr lose associirte Vorstellungselemente schwingen mit, wenn
jener Begriff im Bewusstsein auftaucht.’ - ‘Mitschwingen’ is
een bijzonder geschikte term voor het verschijnsel.
1)Bij de discussiën over het
ontwerpkieswet-Tak slaagde de Tweede Kamer er niet in, het begrip kamer
te begrenzen. En in de M.v.B. over het jongste wetsontwerp tot regeling der
pers. belasting verklaarde de min. van financiën zich niet in staat, het
begrip rijtuig te omschrijven.
1)Dat is 't 'em is naar allen schijn
door contaminatie (invloed van de eene uitdrukking op de andere, lett.
besmetting) uit Daar zit het 'm en Dat is het
ontstaan.
2)Op de vraag: Wie is de burgemeester? Wie
is de vrouw v.d.b.? hoort men ook wel antwoorden: Dat is i, (phonetisch:
Dat izzi of Dat issi) en Dat is ze, waar de nominatief als
praedicaatsvoornwd. staat. Er is toch geen twijfel aan, of dat, de
aanwijzing van een zich vertoonenden man of vrouw, is hier subject.
1)Bij de bewerking van den 2 n
druk is ook in het 1 e en 2 e stuk de term
‘ o.v.b.’ door ‘ werking’
vervangen.
|
|