terug  begin  verderprepost
[p. 1]

I.

§1. De Kaap een ververschings- en tusschenstation

De volkplanting der Hollanders in Zuid-Afrika is ontstaan ten gevolge der behoefte aan een ververschingsstation voor de schepen der Oost-Indische Compagnie, die op de lange reis naar Indië (ongeveer 120 dagen) te kampen hadden met ziekten en ongeval van velerlei aard. Wij kunnen ons thans moeielijk voorstellen hoe groot de sterfte was aan boord in den tijd dat men nog niet in blikken verduurzaamde levensmiddelen medenam; veel meer dan de langdurigheid van de vaart was 't gebrek aan versch voedsel oorzaak van gevaarlijke ziekten, van een menigte sterfgevallen. Hoe talrijk de slachtoffers waren die elke reis naar Indië eischte, blijkt het best wanneer we lezen van hoeveel zieken en dooden de scheepsverslagen gewagen, zelfs nadat de Kaapkolonie gesticht was en er dus op twee derde gedeelten van den weg naar Indië

[p. 2]

een herstellingsoord was te vinden. Een schip dat op zijn tocht naar de Kaap acht, twaalf of twintig man had verloren kon niet klagen over een bijzonder rampspoedige reis. In 1695 meldt men uit de Kaap dat een schip, bemand met 170 koppen ‘niewers aangegiert [was] nogte het minste onhijl vernoomen [had], dogh waren hem 68 man ontvallen, daer en boven hier opstierende gelijk getal van zieken’1). In November van 't zelfde jaar komen aan de Kaap elf schepen uit het moederland aan, die tezamen op de reis hadden verloren 228 koppen en aan wal zetten 687 zieken. Rekent men nog meê degenen die verminkt waren en hen die op eigen kosten zich bij vrijburgers lieten verplegen, dan komt men, zegt de berichtgever, op een getal van achthonderd zieken. Toch had die vloot ‘geen vijandelijke schepen gesien of enige aanstoot geleden’2). In 't Dagverhaal van Van Riebeek leest men dat een schip, den 31sten Januari 1652 uit Zeeland gezeild ‘en nergens aan geweest’, den 27sten Mei aan de Tafelbaai komt met een verlies van zeven en dertig schepelingen3); het schip Amersfoort, dat den 27sten Maart 1658 aankwam, was met 323 koppen uitgezeild, waarvan 29 overleden

[p. 3]

waren en nog 30 ziek te kooi lagen1). Deze voorbeelden toonen duidelijk aan van hoeveel gewicht een tusschenstation was en maken het begrijpelijk dat een der eerste zorgen der jonge volkplanting moest zijn een groote hoeveelheid versch voedsel, vleesch en groente, in voorraad te hebben. Door het inruilen van vee bij de Hottentotten trachtte men aan slachtdieren te komen; deze zorg bleef jaren lang de spil waar alles om draaide. De gouverneur Wagenaer spreekt in een Memorie aan zijn opvolger Van Quaelbergh, ‘behelsende een onderrecht in verscheyden zaken desselffs over te nemen Commando betreffende’ van den ‘veehandel sonder de welcke voor ons hier weynich off niet te doen vallen zouw’2). Hij deelt uitvoerig mee van welke Hottentotten 't meeste vee was te krijgen, hoe men

[p. 4]

den handel 't best dreef en hoeveel vleesch aan de ter reede liggende schepen verstrekt mocht worden. Groente wist men te verkrijgen door, reeds in 't eerste jaar na 't stichten der kolonie, een moestuin aan te leggen, die allengs werd uitgebreid tot zeer aanzienlijke grootte1) en gedurende de 18de eeuw een voorwerp van bewondering voor verschillende reizigers uitmaakte2). Ook voor een hospitaal werd zorg gedragen, opdat niet langer ter wille van een deel der bemanning een geheel schip zijn reis behoefde te vertragen, doch de zieken aan wal konden genezen en met een volgende vloot verder worden vervoerd, om op hun beurt de rust behoevende manschap der aankomende schepen te vervangen. Het eerste gebouw van dien aard verrees in 1656; in 1699 werd het vervangen door een ruimer en beter ingericht gesticht dat 500, als de nood het eischte, 650 patienten kon opnemen. Ofschoon door verbeteringen in den bouw en de tuigage der schepen de reis naar Indië op 't einde der 17de eeuw gewoonlijk niet meer dan 100 dagen

[p. 5]

kostte, bleef toch de scheurbuik nog vele offers eischen1), zoodat een ziekenhuis van grooten omvang noodig bleef. Door de verpleging aan de Kaap, door de versche groente vooral, werden jaarlijks honderden menschen gered.

Ik heb een oogenblik uitgeweid over dezen stand van zaken, omdat het, gelijk wij zien zullen, van groot belang is voor het recht begrip van den toestand waarin de Nederlandsche taal in Afrika verkeerde, wel in het oog te houden dat de Kaap de Goede Hoop in de 17de eeuw vóor alles een tusschenstation was op weg naar Indië, veel dichter gelegen bij Java dan bij Holland en dan ook steeds tot Indië gerekend2). Elk jaar kwamen er in dien tijd 5000 à 7000 man, waarvan weliswaar de meerderheid niet langer dan 10 of 12 dagen bleef, doch velen er ook langer vertoefden. Dit laatste was niet alleen het geval met de zieken, maar vooral ook met de passagiers uit Indië wier schepen hier elkander opwachtten om gezamenlijk de reis naar 't vaderland te ondernemen. Onze spreekwijze ‘aan de Kaap zien we elkaar terug’ bewaart nog de herinnering aan dien toestand. Zoo waren er dan altijd een groot aantal Oudgasten aan de Kaap,

[p. 6]

orang lama, die er veel langer vertoefden dan de menschen die uit patria kwamen1); velen van die Oudgasten vestigden zich er ook. Dat hun aanwezigheid van invloed moet geweest zijn op de ontwikkeling der taal, spreekt vanzelf en zal later nader worden aangetoond.

 

1)Kaapsche St. 1695 II, f. 701.
2)Kaapsche St. 1695 II, f. 803.
3)v. Riebeek I, blz. 30.
1)v. Riebeek II, blz. 365. Andere voorbeelden van groote sterfte aan boord door ziekte vindt men in Mc. Theal's History of South Africa (zie den Index op scurvey). Behalve in ongeschikt voedsel moet een hoofdoorzaak van ziekte en sterfte op de schepen gezocht worden in het bedompte logies van 't grootste deel der bemanning. Men laadde maar vol. Zoo nam datzelfde reeds zoo bevolkte schip waarvan v. Riebeek spreekt nog 170 slaven meê, buitgemaakt op een Portugeeschen slavenhaler die bestemd was naar Brazilië. Kolbe (Nauk. Beschr. I, blz. 8 vlg.) geeft een uitvoerig verhaal van de onaangenaamheden aan een zeereis in dien tijd verbonden, waarvan de duur nog aanzienlijk verlengd werd doordat de weg veelal ten Noorden van Schotland ging, ongetwijfeld om de Duinkerker kapers te vermijden.
2)Kaapsche St. 1666, f. 722 vo.
1)Reeds den 20sten October 1654 kan Van Riebeek (Dagverhael I, blz. 393) melden dat er zooveel groente, ‘cool, croten, gele wortelen, rapen enz. in de tuynen, omtrent 6 mergen groot [zijn], dat voortaen noyt scheepen van d'Ed. Comp. meer te veel sullen cunnen comen om hier overvloedich te ververschen.’ Vgl. ibidem blz. 423.
2)Theal, Hist. of S. Afr. I, blz. 248, 382.
1)Theal, Hist. of S. Afr. I, blz. 52, 371; 44.
2)De Kaap heette ‘the frontier fortress of India’. Theal, Hist. of S. Afr. I, blz. 201.
1)Kolbe, Nauk. Beschr. II, blz. 262.
prepostterug  begin  verder