Oost-Indische Compagnie, die om verschillende redenen, doch voornamelijk in de hoop dat de nijvere en ontwikkelde Hugenoten in de jonge kolonie betere kennis van landbouw1) zouden verspreiden, die immigratie bevorderden, zagen heel goed in dat een zoo talrijke Fransche bevolking gevaar kon opleveren voor 't Hollandsche karakter der kolonie. Daarom waren zij er van den beginne af aan op bedacht het vreemde bestanddeel zoo spoedig mogelijk te doen opgaan in de Hollandsche bevolking. Te dien einde werden, tegelijk met de Hugenoten, een grooter aantal Hollandsche families naar de Kaap gezonden2); ook werd zorg gedragen dat de Franschen zoo spoedig mogelijk Hollandsch zouden leeren. Voor velen was dat ongetwijfeld niet meer noodig, daar verschillende Hugenotenfamilies reeds sedert lange jaren in Holland waren gevestigd3); de overigen werden vrijwel gedwongen de Nederlandsche taal te leeren. De predikant die hun werd toegevoegd moest in het Hollandsch preeken, hun kinderen kregen op school alleen onderwijs in 't Hollandsch; slechts de ziekentrooster mocht een preek houden in de Fransche taal4). Natuurlijk brachten deze bepalingen groote ontevredenheid te weeg; de gouverneur Van der Stel