terug  begin  verderprepost

§8. Het Maleisch-Portugeesch als haventaal

Reeds op de eerste bladzijde van dit geschrift hebben wij de aandacht gevestigd op het eigenaardige karakter van de Kaapstad in de 17de eeuw als ververschingsstation voor schepen die naar Indië voeren of van daar terugkeerden, omdat een goed begrip van de omstandigheden waaronder de Hollandsche taal zich vervormde, moet berusten op het inzicht dat de volkplanting gedurende de 17de eeuw vóor alles bestond uit een havenstad, die door de Directeuren der Oost-Indische Compagnie terecht genoemd werd: de grensvesting van Indië. Wij moeten thans nagaan welke taal door de menschen die met de beman-

[p. 34]

ning van die verschillende schepen in aanraking kwamen, gesproken werd. Daarbij dient in 't oog gehouden, dat weliswaar de meerderheid der aan de Kaap komende schepen vaartuigen waren van de Oost-Indische Compagnie, doch dat de bemanning van die schepen uit allerlei naties was samengesteld; bij de ontzaggelijke uitgebreidheid van onzen handel in dien tijd, was Nederland in de verste verte niet in staat zelf 't noodige aantal matrozen te leveren1). In de eerste tijden, toen de volkplanting zich nog bijna uitsluitend tot de Kaap zelf bepaalde, leefden de burgers grootendeels van die bezoekers2). Nu is het bekend dat, gelijk zich onder de zeevarende naties der Middellandsche zee een lingua franca gevormd heeft, een taal die in hoofdzaak Italiaansch is, maar waarin ook veel Grieksche, Spaansche en Arabische woorden voorkomen, zoo ook in den Indischen Archipel voor het internationaal verkeer

[p. 35]

een taal werd gebruikt die uit verschillende elementen bestond. Die taal was het z.g. Maleisch-Portugeesch; ze was een Portugeesch dat zeer sterk afweek van hetgeen te Lissabon gesproken werd, niet alleen doordat er een groot aantal Maleische en Hollandsche woorden in voorkwam, maar vooral omdat in etymologie en syntaxis die taal geheel en al was gaan afwijken van 't geen door de bewoners van Portugal werd gesproken. Getuigenissen van 't bestaan van zulk een Indische mengeltaal, zeemanstaal, markttaal, of hoe men 't noemen wil, bestaan er in menigte van vroeger en later tijd. Eenige wil ik ervan aanhalen. De kerkeraad van Batavia getuigt in een brief aan de Synode van Noord-Holland1), gedateerd 15 November 1697, dat ‘het [te Batavia] niet selden is dat in een reden van 5 à 6 woorden Maleyts, Portugees en Duyts onder een gemengt wert.’ In de voorrede van zijn ‘Woordenschat der twee taalen, Portugeesch en Nederduitsch’ (Amsterdam 1714), verklaart de Amsterdamsche dichter en Oost-Indische ambtenaar Alewijn wat hem tot het samenstellen van dit woordenboek gebracht heeft: ‘binnen de gantsche uitgestrektheid van Haar Edele Groot Achtbaarhedens ontzaglijk gebied bloeyen twee hoofdtaalen, namenlijk Maleitsch en Portugeesch’; die

[p. 36]

tweede taal wilde Alewijn beoefenen, ‘maar (voegt hij er bij) dewijl men hier in de dagelijksen ommegang, uitgezonderd op den Predikstoel, van waar Gods woord in 't goed Portugeesch verkondigd werd, eenlijk een gebrooke Portugeesche taal spreekt, welke met veel Maleitsche, opgeraapte, bastaard en gebrooke Nederduitsche woorden ondermengd is, was 't mij onmogelijk mijn oogmerk volkomentlijk te bereiken, want ik met zoodanige vrije taal mijn zinlijkheid niet konde voldoen.’ Derhalve heeft hij gewacht op een gelegenheid om in verbinding met zekeren Joan Collee, een inboorling van Batavia, een Portugeesch woordenboek te bewerken, met het doel, ‘in plaats van gebrooke en opgeraapt Portugeesch of Nederduitsch te spreken, zich tot een zuivere en gereegelde taal te gewennen.’ Hoe dat ‘opgeraapt Portugeesch’ er uitgezien heeft, kan men opmaken uit een in 1780 te Batavia verschenen boekje, getiteld: ‘Nieuwe Woordenschat uit 't Nederduitsch in 't gemeene Maleidsch en Portugeesch.’ Hierin bevat de kolom voor 't Portugeesch o.a. de volgende woorden: rokkie, kous zeida (zijden kousen), stropdassie, spiegeloe, (spiegel), paang of brood, oen emmer, oen griffie, oen ley, oen slooysoe (sluis) enz. In zijn ‘Oud en Nieuw Oost-Indiën’1) zegt Valentijn: ‘De Portugeesche en de Maleitse taal zijn de twee talen,

[p. 37]

waarmede men niet alleen op Batavia, maar zelfs door gansch Indiën tot in Persiën toe met allerlei volken terecht kan raken.’ Wel wordt hier en elders van twee talen gesproken, maar 't is niet twijfelachtig dat in de praktijk veeleer sprake was van een mengsel, voornamelijk uit die talen gevormd, gelijk trouwens uit het eerste citaat blijkt. In ‘Hobson-Jobson, being a glossary of Anglo-Indian Words, by Yule and Burnell’ (Londen 1886), worden op blz. XVII van de Inleiding plaatsen van dezelfde strekking uit Engelsche schrijvers uit het begin der 18de eeuw aangehaald. Een van deze luidt: ‘along the sea-coasts the Portuguese have left a vestige of their language; tho' much corrupted, yet it is the language that most Europeans learn first, to qualify them for a general converse with one another, as well as with the different inhabitants of India.’ Een overzicht van het Indo-Portugeesch en van de verschillende mengeltalen in Azië, gevormd met Portugeesch tot hoofdbestanddeel, vindt men van de hand van Schuchardt in Zeitschr. für rom. Philologie XIII (1889), blz. 476-516. Daar (blz. 506) wordt ook gewaagd van het Kreoolsch, ‘welches freilich nur in beschränktem Umfang einst am Kap gesprochen wurde.’ Wij zullen zien dat in de eerste 50 jaren van 't bestaan der kolonie 't Maleisch-Portugeesch daar zeer algemeen verspreid was. Op

[p. 38]

Java bestaat die taal nog thans en wel niet ver van Batavia, te Tugu. Schuchardt heeft dat Maleisch-Portugeesch bestudeerd; hij deelt verschillende proeven mede en geeft een overzicht van de grammaticale bijzonderheden1). Diezelfde taal wordt nu bedoeld wanneer Kolbe2) zegt dat men aan de Kaap, waar zoovele naties vertegenwoordigd zijn, het best terecht komt met ‘de Portugeesche taal nevens de Maleische taal, als welke talen niet alleen hier, maar bijna in gansch Oost-Indië, ten minste gelijk jegenswoordig de Fransche in Duitschland gesproken worden.’ Het karakter van een dergelijke taal brengt mede dat de alliage van het amalgama waaruit zij bestaat, naar de verschillende landen onderscheiden is, ja dat ze zelfs in den mond van verschillende individuen verschillend klinkt. Zoo zal een zeeman die veel met inlanders verkeerd heeft, een veel grooter aantal Indische woorden gebruiken dan een ander, die met de Europeesche bewoners der havensteden in aanraking is geweest enz. enz.; natuurlijk heeft ook de oorspronkelijke nationaliteit der sprekers een grooten invloed. Een en ander maakt begrijpelijk dat men niet steeds het gemeen-

[p. 39]

schappelijke in die verschillende idiomen herkende, en eerder in de taal van den eenen zeeman een zeer verbasterd Maleisch en in dat van den anderen gebroken Portugeesch hoorde. Ook dient er aan gedacht te worden dat zich aan de Kaap ballingen uit Indië bevonden, die zuiver Maleisch spraken; sedert 1681 was de kolonie een ballingsoord geworden voor inlanders uit onze Oost die zich verzet hadden tegen de Oost-Indische Compagnie. In dat jaar werden eenige hoofden uit Macassar met hun gezinnen en bedienden gehuisvest in 't Kasteel, doch spoedig daarop, daar hun oproerige aard hen verdacht maakte, overgebracht naar verschillende verderaf gelegen plaatsen1). Gedurende al den tijd dat de Oost-Indische Compagnie in 't bezit was van de Kaap werden ballingen uit Oost-Indië derwaarts gezonden; hun aantal was wel niet aanzienlijk en hun leven buiten de hoofdplaats der kolonie niet bevorderlijk aan den invloed hunner taal, maar zij moeten niettemin het Maleische element in de verkeerstaal gesteund hebben. Nog thans vormen hun nakomelingen, de Slamsche menschen, in Kaapstad het beste deel der niet blanke bevolking, Zij drijven handel in visch en fruit, vele zijn ook ambachtslieden, koetsiers enz. Hun naam, Slameiers of Slamsche menschen, duidt aan dat zij aan hun

[p. 40]

geloof in den Islam trouw zijn gebleven, al hebben zij ook de taal der kolonisten aangenomen1).

De matrozen en soldaten die uit Indië terugkeerden, spraken natuurlijk dat Maleisch-Portugeesch; vele dier oorlams (oudgasten) vestigden zich aan de Kaap en brachten hun kennis, voor zoover noodig, over aan de oorspronkelijke kolonisten, die er als kleinhandelaars alle belang bij hadden om zich voor zeelui van allerlei landaard verstaanbaar te maken. Zoo is 't dan ook geen wonder dat men in de Kaapsche Stukken reeds vroegtijdig verschillende uit Indië afkomstige woorden vermeld vindt, en er onder anderen in gesproken wordt van de ‘basar of merkt’2). De naam zelf der kolonie is in die Stukken meestal Cabo de boa Esperance; daarnaast komen voor de uitdrukkingen Cabo de bonne Esperance, Cabo d'boae Spei enz., - woorden die niet anders zijn dan verfranschte of gelatiniseerde variaties op de bij de zeelui onder Portugeeschen

[p. 41]

naam bekende Kaap. De stichter der kolonie, Van Riebeek, moet als bereisd man het Maleisch-Portugeesch goed gekend hebben. In zijn Dagverhaal laat hij zich een Portugeesch woord ontglippen dat men in Nederland misschien niet zoo dadelijk begrepen heeft. Hij zegt n.l. dat iemand in ‘sijn dienst ende commando... gemoveert’1) is, d.w.z. getergd. De zin toont aan dat aan een afleiding van 't Fransche mouvoir (die overigens in de 17de eeuw welbekend was) niet gedacht kan worden: wij hebben hier 't Portugeesche werkwoord moér, dat nog thans in 't Afrikaansch onder den vorm mofeer voortleeft en dat tergen, kwellen (oorspronkelijk malen) beteekent2). Duidelijker nog dan door dergelijke woorden, wordt door de volgende mededeeling van Van Riebeek aangetoond dat in het Kasteel het Maleisch-Portugeesch veel werd gehoord. Eenige menschen die een reis in 't binnenland hadden gedaan, brachten aan 't fort een paar Hottentotten mede die op grooten afstand van de Kaap woonden. Zij werden

[p. 42]

goed onthaald en men trachtte door middel van hen betrekkingen aan te knoopen met de veebezittende stammen uit het binnenland. De gouverneur teekent daarbij in zijn Dagverhaal aan dat hun ‘onse meeninge door de tolckinne Eva (goed duyts ende redelyck portugees hebbende leeren spreecken) grondigh [werd] te verstaen gegeven, ende gerecommandeert alles haeren Heer recommandabel over te seggen’1). Wij zagen reeds hierboven (blz. 23) dat die tolkinne als jong meisje bij Van Riebeek in huis werd opgenomen; ze werd er onderwezen in de beginselen van den Christelijken godsdienst en van het Nederlandsch, maar privaatlessen in vreemde talen zal de gouverneur haar wel niet hebben gegeven; ze moet haar kennis van het Portugeesch dus opgedaan hebben door die taal dikwijls te hooren. Die mededeeling omtrent Eva staat niet op zich zelf. De Kaapsche Stukken maken nog melding van een andere Hottentotin, Sara geheeten, wier leven in menig opzicht aan dat van Eva doet denken. Zij had ‘van kints gebeente af’ bij vrijburgers verkeerd, ‘en niet alleen voor de bloote kost, maar oock bij sommige voor loon gedient, en haer zulx duslange gesustenteert, daardoor bij gevolge onse Nederduytse en portugaische

[p. 43]

taale promptelijk aangenomen ende nae onse lantaerd van clederen en ommeganck gehabitueert....’ Op haar 24ste jaar pleegde zij zelfmoord; men vond haar ‘aan haer eigen cabaayband hangende’1). Uit verontwaardiging dat een ‘duitse Hottentotinne’ zich zoover vergeten had, liet men haar lijk door een ezel naar 't galgeveld slepen en 't op een mik plaatsen, een paal met twee uitstekende stompjes, waar men de misdadigers na hun dood aan ophing2).

Dat men aan de Kaap reeds in de eerste 12 jaren na de stichting der kolonie gemakkelijk tolken voor allerlei talen vond, zien we uit een bericht van 1664. Een schip wordt gezonden naar Madagascar om de hoofdproducten van dat eiland, rijst en slaven, te halen; de gouverneur Zacharias Wagenaar deelt in zijn instructie aan 't hoofd der expeditie mede: ‘indien hier off daer opt gemelte eylandt eenige Europische naties aentreffen en met deselve

[p. 44]

in gespreck comen off yets te doen crijgen moget, gaen onder de thien man die UE. van hier mede gegeven worden drie borsten, die in sulcken geval tot taelmannen off tolcken, 't sy in 't Latijn, Frans, Portugees off Engels gebruycken kunt.’ En verder zegt hij dat hij medegeeft: ‘een gedruckt frans als een geschreven duyts en rnadagascars vocabulaer.’ Toen eenige jaren later het aantal slaven aan de Kaap veel grooter was geworden, behoefde men dat vocabularium niet meer mede te nemen: in 1683 werd een slaaf gezonden ‘spreeckende niet alleen promt de Madagascarse maar ook de Portugeese spraack’; een paar jaren te voren had men zich moeten bedienen van zekeren Arabier Simon1). Aan de ‘grensvesting van Indië’ kon men zich niet alleen van levensmiddelen, maar ook van tolken voorzien. In een brief uit de Kaap van 1695 wordt

[p. 45]

medegedeeld, dat men aan 3 schepen, bestemd naar Indië, had medegegeven als ‘tolken drie Swarte kettinggangers, in diversse taalen wel ervaren, en soo na omtrent het Zuijdland van geboorte als wij alhier aan de Caab hebben konnen uytvinden, synde genaamt en in de volgende taalen wel ervaaren, te weten: Aje van Clompong spreekt: Maleyers, Lampioenders, Biema, Sambauwe [Soembawa], Tambora, Tacy, Sauger, Macassaars, Javaans, Portugees, Duytsch; Mongodua van Macassar spreekt: Macassaars, Boganees, Maleyers, Javaans, Goenouw, Amboynees, Portugees, Duytsch; Jongman van Baly spreekt: Javaans, Maleyts, Baly, Portugees, Duytsch’1). Men ziet dat al deze slaven Maleisch, Portugeesch en Hollandsch spraken; waarschijnlijk is het dat die polyglotten ten minste dié drie talen in het gebruik tot een mengelmoesje maakten.

 

1)Tusschen 1652-1661 kwamen ± 250 schepen van de Oost-Indische Compagnie aan de Kaap, verder 17 Engelsche en 6 Fransche; van 1662-1671 waren deze getallen 370, 9, 26, behalve 2 Deensche schepen; van 1672-1700: 976, 170, 36, 42, en 3 Portugeesche schepen; 1701-1725: 1328, 472, 23, 46, 6 en 2 Vlaamsche schepen; 1726-1750: 1508, 284, 42, 47, 1, 1. Zie Theal, Hist. of S. Afr. II, Register, op Shipping. Reeds in 1663 schreef Zacharias Wagenaer aan de Heeren 17en: ‘na ons dunckt is buyten Batavia geen plaats in India daar jaerlijcx meer scheepen aen en off vaeren als aan dese Caep.’ (Kaapsche St. 1664, f. 898 v.).
2)Theal, Hist. of S. Afr. I, blz. 124.
1)Afgedrukt bij Valentijn, Deure der Waarhijd. Dordrecht l698, blz. 18.
1)Dordrecht - Amsterdam. 1724/1726, IV. 1, blz. 367.
1)Kreolische Studien IX. Über das Malaioportugiesische von Batavia und Tugu, Weenen 1891. Vooral aan dit werk van Schuchardt, heb ik, gelijk uit het vervolg zal blijken, veel te danken.
2)Kolbe, Nauk. Beschr. I, blz. 70.
1)Theal, Hist. of S. Afr. I, blz. 257 vlg.
1)Zie verder over hen Wilmot, History of the Colony of the Cape of Good Hope, Londen 1869, blz. 115 vlg.; Noble, Descriptive Handbook of the Cape Colony, Capetown 1875, blz. 44 vlg.; Snouck Hurgronje, Mekka II, blz. 296.
2)De gouverneur Wagenaer spreekt van de ‘marcktplaets off Besaer, gemeenlijk bij d'onse de passer genoemd’ (Kaapsche St. 1666, f. 756 r.) en van den ‘besaerwachter die met eenen ook bode en dodegraver is’ (Ibidem, f. 757 r.). In de Stukken van 1693 (II, f. 128) leest men: ‘Niemand sal enig vee elders dan op de basar of merkt verkopen.’
1)v. Riebeek III, blz. 304.
2)Het is mogelijk, maar niet zeker, dat Van Riebeek nog een ander Portugeesch woord gebruikte toen hij (I, blz. 234) nieuwtjes novas noemde; hier kan ook het middeleeuwsch-latijnsche nova bedoeld zijn, dat in dien zin bij du Cange voorkomt. De gouverneur was niet afkeerig van Latijnsche woorden van verdacht allooi: op blz. 540 van zijn Dagverhaal (I), schrijft hij dat hij van plan is ‘om melckgevende koebeesten aan de getroude ministers in pacht offte huyre .... aen te bieden.’
1)v. Riebeek III, blz. 404.
1)Kaapsche Stukken 1672, f. 222 v.
2)Zie Winschooten, Seeman, Leiden 1681, op mik. Nog thans is 't woord in de beteekenis ‘gaffelvormige steunbalk’ gewestelijk in Nederland bekend (vgl. Boekenoogen, de Zaansche Volkstaal); in Zuid-Afrika worden gaffels, door boomtakken gevormd, mikken genoemd: ‘hulle lyf was ongemakkelik seer van di mikke waar hulle di nag in moes deurbreng’ (Ons Klyntji III, blz. 177). Het hangen van het lijk in een mik was in Indië de gewone poging om de slaven van het onder hen veel voorkomend plegen van zelfmoord af te schrikken. (Vgl. Dagh-Register gehouden in 't Casteel Batavia over 1653, uitgeg. door Mr. J.v.d. Chys, 1888, blz. 1, 50).
1)Kaapsche St. 1683, f. 571 r.; 1694, f. 181 vlg.; 1682, f. 300 r. In een stuk van 't jaar 1704 (f. 794 r.) worden bij een slavenhandel op Madagascar twee tolken vermeld: Jan de Witt en Zakelle. Veel slavenhandel werd gedreven met den koning van een eilandje aan de kust van Madagascar, Magelage. De koning, een Arabier, ‘spreeckt tamelick de portugese tale, met d'inwoonders arabies, dogh de gemeente met malcander meest de madagascarse spraack. D'inwoondren generen haer met incoopen van slaven, die se aen de hollanders, engelse en arabieren vercoopen.’ (Kaapsche St. 1677, f. 704 vlg.). De slaven van Madagascar waren veel goedkooper dan die uit onze Oost, maar 't bezwaar was dat men hen in 't begin niet, gelijk de Oost-Indische, kon verstaan (1674, f. 778 v.).
1)Ik heb de verschillende talen die opgenoemd worden afgeschreven; misschien is 't lijstje van eenig gewicht voor beoefenaars der Indische talen. De meeste namen zijn duidelijk; wat men te verstaan heeft onder Tambora, Tacy, Sauger en Goenouw moet ik aan 't oordeel van deskundigen overlaten; Sauger is wellicht een schrijffout voor Sanger.
prepostterug  begin  verder