|
|
|
| |
§10. Invloed van het Maleisch-Portugeesch
We moeten thans nog aantoonen dat de kolonisten niet alleen het Portugeesch hunner slaven verstonden maar het ook spraken. Het zeer waarschijnlijke van die stelling zal wel niemand ontkennen die het tot hier toe aangevoerde heeft gelezen, en met mij gelooft dat alleen een taal waarin zoo wel slaaf als heer spreekt zoó lang blijft bestaan; ik kan echter ook een sprekend bewijs van de juistheid der hypothese geven. In 1699 weten eenige vluchtelingen van een vrouw ‘gekookt vleesch met Patattos’ te krijgen; die vrouw spreekt met hen Hollandsch, doch zegt tegen haar slaaf Welkje
| | | |
‘in de Portugeesse taal: Welkje, trie acqui sal com pimenta, dat is: krijgt hier wat sout en peper’1). De verklaring van dit verbasterd Portugeesch is weer gemakkelijk te vinden met behulp van Schuchardt's werk: trie (in plaats van traze, imperat. van trazér, brengen) is het Maleisch-Portugeesche tri, tres2); de overige woorden (acqui = aqui, hier) leveren niets bijzonders op. Nu mag men natuurlijk niet uit zulk een toevallig bewaard gezegde afleiden, dat de kolonisten altijd tot hun slaven Portugeesch spraken; veeleer moet men aannemen dat zij dat alleen deden wanneer hun slaven nog slechts kort bij hen aan huis waren en 't Hollandsch nog niet voldoende verstonden. Doch 't is duidelijk, dat bij den voortdurenden aanvoer van slaven, nog al vaak een burger zulk een nieuweling in zijn dienst kreeg en derhalve ook in zijn eigen huis telkens gelegenheid had zijn Maleisch-Portugeesch niet te verleeren.
De groote menigte slaven die in 1658 aangevoerd werden uit Angola, vormden ook door hun taal een gevaar voor 't zuiver Hollandsche karakter der kolonie, evengoed als later de Hugenoten dat zouden doen. Den invloed der Franschen kon men echter zeer gemakkelijk tegengaan daar dit vreemde element niet telkens door nieuwen aanvoer versterkt werd,
| | | |
er ook geen blijvende reden bestond tegen vermenging met de overige blanke bevolking door huwelijk, en vele Hugenoten reeds Hollandsch kenden vóor ze in Afrika kwamen. De slaven daarentegen vormden een afzonderlijk geheel, en toen zij aan de Kaap voet aan wal zetten, zal misschien geen enkele een woord Hollandsch hebben verstaan. Van Riebeek zag het gevaar duidelijk in en nam aanstonds maatregelen om aan de vreemdelingen de noodzakelijkste kennis van 't Hollandsch eigen te maken. Hij teekent den 16en April 1658 in zijn Dagverhaal1) aan: ‘Is begonnen ordre te stellen op het school houden voor de Angoolse compagnie-slaven ende slavinnen, per Amersfoort uyt de Portugese prijs becomen, welcq school te houden des morgens ende 's namiddags den sieckentrooster Pieter van der Stael van Rotterdam, beneffens sijn cranckbesoekers bedieninge is opgeleyt, te meer dewijl seer goed ende prompt is in 't lezen van recht Hollants Nederduyts; ende omme de gemelde slaven te beter tot het school ende hooren of leeren van de cristelijke gebeden te animeeren, is mede belast na 't eyndigen aan elcq een croessjen bran- | | | | dewijn ende 2 duym tabacq te geven’. De eigenaardige belooning die deze leerlingen kregen, toont aan dat het onderwijs ook voor volwassenen of ten minste bijna volwassenen bestemd was; Van Riebeek wenschte ongetwijfeld die slaven tot christenmenschen te maken, maar van grooter belang zal toch wel in den eersten tijd geweest zijn dat ze Hollandsch leerden. Intusschen, de school schijnt spoedig gesloten te zijn, en wanneer ze weer geopend wordt is er alleen sprake van het onderwijs aan kinderen.
In 16651) wordt aangeteekend: ‘een school opgerecht, daerin 24 soo duytsche als swarte kinderen dagelijcx geleert ende in de kennis van Godts Woort neerstich onderwesen werden’. Niettemin werd ook de hand gehouden aan 't onderwijs der volwassenen, waarbij 't onderricht in de Christelijke geloofsleer verbonden werd aan 't bevorderen der kennis van 't Hollandsch: ‘alle Cies lijfeigenen zijn gehouden, so wel bejaerde als onbejaerde, tot het aanhooren van Christelijke gebeden, alle avonden eens en Sondags tweemael, dat men ook tragten moet in woorden den voorlezer overluyt naeteseggen, verstaende dit in de Nederduytsche tael invoege als omtrent derselver kinderen geschiedt, om also te beter in haer memorie te krijgen 't geen zij horen,
| | | |
op hoope daardoor meer en meer opgeweckt werdende tot de gewenschte gelucksaelicheyt mogen geraecken’1). Het onderwijs aan de kinderen wilde echter maar niet vlotten, naar 't schijnt door gebrek aan een goeden meester. In 1677 wordt er reeds weer geklaagd dat er geen school was, en bericht dat men nu eindelijk een jongen borst heeft gevonden die geschikt was om de kinderen wat te leeren. ‘Present sijn er al 11 duytse kinders die dagelijks school komen, behalve 4 slaven dito's die tog te kleyn sijn om dienst te doen; die 't gaauste van verstant sijn sullen wij bij de school houden om de andere slaven met 'er tijt te onderwijsen’2). Iets later, toen men zijn illusies omtrent het beschaven en kerstenen der slaven wat verloren had, werden niet langer de kinderen der kolonisten en die der slaven te zamen onderwezen. 't Schijnt dat men toen geruimen tijd het onderwijs der eerste aan 't initiatief der ouders heeft overgelaten. De verordening van 1685, die afgedrukt is bij Mc. Theal in zijn ‘Chronicles of Cape Commanders3), bepaalt o.a. dat (art. 4) ‘alle andere slaaven of Duytsen’ niet in de school worden toegelaten en (art. 7) ‘geen blanke kinders en sullen in de school aangenomen worden’.
| | | |
Intusschen deed men niet alleen door middel van het onderwijs moeite om die talrijke, Portugeesch sprekende slavenbevolking te brengen tot het spreken der Hollandsche taal. In 1658 decreteerde Van Goens, als gecommitteerde der Heeren Zeventienen aan de Kaap aanwezig: ‘de Portugeese tael mogen Slaven niet spreken, nog ondermalcander nog tegens vremde of nederlanders’1). Maar door strenge bepalingen kan men geen natuurlijken toestand wijzigen: de slaven kenden nu eenmaal veel minder van de Hollandsche taal dan de kolonisten van het Portugeesch der slaven en eerst langzamerhand kon daarin verandering
| | | |
worden gebracht. Beter dan het decreet van Van Goens zullen bepalingen gewerkt hebben gelijk wij er kennen uit de instructie aan Commandeur van der Stel, door den Gecommitteerde Van Rheede, dateerende van 16851). Daar lezen we dat een kind, geboren uit een Hollandschen vader en een slavin, als het 25 jaar geworden was, ‘prompt Nederduytsch’ sprak, zijn belijdenis had gedaan en in zijn onderhoud kon voorzien, vrijgelaten kon worden. Op dezelfde voorwaarden kon aan een van buiten aangevoerden slaaf de vrijheid worden verleend als hij 30 jaren oud was, en aan een aan de Kaap geboren slaaf, wanneer hij den leeftijd van 40 jaren had bereikt. Zoo stelde men kennis der Hollandsche taal als eerste voorwaarde tot het verkrijgen der vrijheid, men maakte er een krachtig werkende premie van2). We hebben echter gezien dat al die maatregelen van de regeering, ten minste in de eerste tijden, weinig van haar doeltreffendheid lieten blijken; niet alleen de aanhalingen uit Kolbe, maar ook 't geen getuigd wordt in de stukken uit de Kaap van 1747 (zie hierboven, blz. 59) toonen
| | | |
aan dat door de slaven hun Portugeesch nog lang gesproken werd. Toch is op den duur het gebruik van die taal in de Kolonie afgenomen en zelfs geheel verdwenen; Portugeesche woorden worden thans niet in zeer grooten getale in het Afrikaansch aangetroffen. Indien we echter geslaagd zijn in ons betoog, dat het gebroken Portugeesch door de bewoners der Kaapkolonie eens niet alleen begrepen maar ook, naast het Hollandsch, gesproken werd, dan mogen we verwachten dat de invloed van die taal op 't Hollandsch der Kolonisten zeer groot geweest is. Het zal ons dan zeer aannemelijk zijn geworden dat de eigenaardigheden van het tegenwoordige Afrikaansch voor een belangrijk deel verklaard moeten worden uit den bouw van dat Indische Portugeesch, dat eerst gesproken werd als haventaal en dat zijn verbreiding en lang bestaan te danken had aan de omstandigheid dat het de taal was der slaven.
|
1)Kaapsche St. 1699 I, f. 462 v.
2)Schuchardt, Kreol. Stud. IX, blz. 16.
1)v. Riebeek II, blz. 374. 't Waren voor een zeer groot deel ‘kleyne meisjes en jongens, van welcke (zegt de schrijver, blz. 365) voor een jaer 4 à 5 noch weynigh dienst zal te trekken wesen’.
1)Kaapsche St. 1665, f. 78.
1)Kaapsche St. 1671, f. 823 v.
2)Kaapsche St. 1677, f. 24 v.
3)Capetown 1882, blz. 332.
1)Deze voor ons onderwerp hoogst merkwaardige bepaling vond ik vermeld in een lijst van verordeningen, gemaakt tusschen 1652 en 1690 (Kaapsche St. 1695 II, f. 279 v.). In Indië nam Van Goens insgelijks maatregelen die tot doel hadden ‘de voortzetting en vast-stelling der Nederduitze taal, en daarentegen de vernieling en abolitie van de Portugeese spraak’. Veel wetenswaardigs over 't gebruik der Portugeesche taal in Indië is verzameld door den heer de Haan (zie boven, blz. 52, aant. 3). Hij toont aan hoe machtig gedurende de 17 de en 18 de eeuw 't Portugeesch in Indië was. In 1641 drukte de Regeering haar vrees uit dat ‘het Portugeesch eyndelijk de overhant nemen ende onse vaderlantsche tale t'eenemael onderdrucken’ zou, en in 1674 schreef Maetsuycker dat de lingua franca de overhand had. Volgens den heer de Haan was 't gebruik der Portugeesche taal in de eerste helft der 18 de eeuw in Batavia zóo toegenomen, dat het Nederlandsch er bijna geheel door verdrongen werd en dat de Regeering den strijd er tegen als hopeloos moest opgeven. De laatste predikant der Portugeesche gemeente te Batavia overleed in 1808 (de Haan, t.a.p. blz. 14, 42, 46).
1)Theal, Belang. Hist. Dok. I, 1, blz. 26, 41.
2)De Portugeezen hebben in hun Aziatische Koloniën nog veel krachtiger gepoogd hun taal bij slaven en inboorlingen ingang te doen vinden, maar hun tyrannieke bepalingen mochten weinig baten. Zie hierover Schuchardt, Zeitschr. für rom. Philol. XIII, (1889), blz. 504 vlg.
|
|