terug  begin  verderprepost
[p. 76]

II.

§1. Vreemde woorden in het Afrikaansch

In de vorige bladzijden hebben wij ons in hoofdzaak bepaald tot een onderzoek naar de theoretische waarschijnlijkheid van den invloed door de haven- en slaventaal op het idioom der kolonisten geoefend. We moeten thans de uitkomsten van dat onderzoek toetsen aan hetgeen ons bekend is van het tegenwoordige Afrikaansch. In de eerste plaats dienen we daartoe een blik te slaan op het vocabularium, in 't bijzonder op de vreemde woorden die in het Afrikaansch zijn opgenomen. We zullen daarbij gebruik maken van de ‘Proeve van een Kaapsch-Hollandsch Idioticon’, samengesteld door N. Mansvelt (Kaapstad, Stellenbosch en Utrecht 1884). Of dat werk volledig is, kan een Hollander die het Afrikaansch slechts door lectuur kent, natuurlijk niet met stelligheid beoordeelen; het nauwgezette lezen van de eerste drie jaargangen

[p. 77]

(1896, 1897 en 1898) van het Tijdschrift ‘Ons Klyntji’1), gaven mij echter den indruk dat het voornaamste is vermeld. Op de betrouwbaarheid van de afleidingen door den heer Mansvelt aangegeven, valt, dunkt mij, nog al wat af te dingen; ook komen er vele woorden in voor die sedert eeuwen in Nederland, 't zij in algemeen gebruik, 't zij dialectisch bekend zijn, 't geen een vreemdeling licht tot onjuiste gevolgtrekkingen kan verleiden. Dat dit laatste bezwaar zich inderdaad reeds heeft voorgedaan, zullen wij hieronder zien. In het derde deel van het tijdschrift ‘Onze Volkstaal’ (Kuilenburg 1890, blz. 135 vlg.) komt ook een lijst van Afrikaansche, zeer ten onrechte Tranvaalsche geheeten, woorden voor; zij is veel minder volledig dan het boek van Mansvelt en bevat buitendien verschillende fouten. Ten bewijze haal ik aan: ajas, kindermeid (lees: aja); saroet of seroet, een glas grog (lees: een sigaar); kapater, geit (lees: gesneden bok) enz.

Sedert het begin der 19de eeuw heeft het Afrikaansch vele woorden en uitdrukkingen ontleend aan het Engelsch. Om de redenen hierboven (blz. 70) vermeld, kunnen wij voor ons doel een nadere beschouwing van die Anglicismen achterwege laten en ons be-

[p. 78]

palen tot de vermelding van de voornaamste woorden die uit de talen der inboorlingen, uit het Fransch, het Duitsch en het Maleisch-Portugeesch zijn overgenomen. Op volledigheid zal dit overzicht geen aanspraak kunnen maken. Dat gebrek zal zich het meest doen gevoelen bij de eerste rubriek, daar we, geheel onbekend met de talen van Afrika's oorspronkelijke bewoners en niet in de gelegenheid om raad te vragen bij deskundigen, in dit geval ten eenenmale afhankelijk zijn van Mansvelt en slechts kunnen vermelden wat hij uitdrukkelijk als Hottentotsch of Kaffersch aangeeft. In zijn ‘Idioticon’ komen een aantal woorden voor waarvan de afleiding òf onzeker is òf door den schrijver niet wordt aangeduid. Het is zoo goed als zeker, dat onder die woorden er schuilen die aan de talen der inboorlingen zijn ontleend; andere zijn wellicht van Madagascar, waar zooveel slaven vandaan kwamen, afkomstig; misschien zijn er ook bij die door beter ingelichten dan schrijver dezes herkend worden als behoorende tot meer bekende talen. Ik lasch daarom hier een lijstje in van woorden waarvan de herkomst, mij ten minste, duister is:

[p. 79]
Abdolkata of abdolkater, een spel.
Akkelpienies, hij gooi sen ... daar, hij gaat daar vrijen.
Ambraal, zwak, ziekelijk.
Askoek slaan, dans der Hottentotten.
Biebies, ongedierte op 't hoofd (kindertaal).
Biesroei, op helm gelijkend gras. Misschien de Singularis van een dialectischen vorm van biesroeden, voor biesstengels, dus een Nederl. woord.
Boechoe, zeker gewas.
Boeta, boeti of boetjan, oudste zoon.
Bokmakirie, vogelnaam.
Dotji, slappe, lage manshoed.
Ewwa-trewwa, naam van een veldbloempje.
Fipatoi, uitroep bij 't knikkerspel.
Gekempera, bastaard.
Kenta, grijs (bang om verder te spelen).
Kyl, hooge hoed.
Koekoemakranka, vrucht die op brandewijn getrokken wordt.
Koeni-kanne, tusschenwerpsel.
Koeti, slag.
Koli, bij mij koli, stellig en zeker waar.
Loesing, pak slaag. Ik ken dit woord ook uit de klucht van Alewijn, Jan Los, waarin men leest (blz. 31): ‘hier sou licht een loesing swaajen’.
Maifoeri, schelm (scheldwoord).
Ou Sanna, geweer.
[p. 80]
Pappelellekoorts, voorgewende ziekte.
Poeng, soort knikker.
Rappatjoepa, Jan-en-alle-man.
Rondabel, hut.
Snaar en Stramboel (met), te voet.
Soel, donkerkleurig.
Tinha of tinka, soort knikker.
Tjoek, soort knikker.
Tjoeki, gevangenis.
Tramas, wacht even (bij 't krijgertje spelen).

Van losse gissingen, waartoe vele dezer woorden aanleiding geven, onthoud ik mij.

 

1)Ons Klyntji, Enigste tydskrif in Afrikaans, Paarl 1896-1898. Zie over dit tijdschrift ‘De Nederl. Spectator’ 1897, no. 14.
prepostterug  begin  verder