|
|
|
| |
§2. Woorden aan de talen der inboorlingen ontleend
Woorden aan de talen der inboorlingen ontleend:
| Abba of abbe, een kind op den rug dragen. Van 't Hottent. abba of awa (Mansv.). |
| Assegaai, werpspies. Over geheel Afrika verspreid woord, aan de Boeren ongetwijfeld uit de taal der naturellen bekend. Zie Veth, blz. 131. |
| Dollos of dollossi, bikkel (Mansv.). In Ons Klyntji (b.v. I, blz. 7; III, blz. 157) worden zoo de kralen genoemd waarmee de Kaffers tooveren of wichelen. |
| Ghoeni, knikker. Mansvelt leidt het af van een Hottent. woord ghoen, dat gaan beteekent. |
| Hoeka, een Hottentotsch woord, dat nog soms gebruikt wordt voor van ouds (Mansv.). |
| | | |
| Kaboe of koeboe, mielies, Turksche tarwe. Een kafferwoord, alleen verder in 't binnenland gebruikelijk (Mansv.). |
| Kamma, kammalielies, kamte, kastag, woorden die alle kwansuis beteekenen, schijnt Mansvelt voor Hottentotsche woorden te houden. |
| karos, een soort van kleed, dek of deken, bestaande uit zorgvuldig toebereide en dikwijls kunstig aan en in elkaar genaaide huiden (Mansv.). Men vergelijke H.P.N. Muller, Zuid-Afrika, Leiden 1889, blz. 126. |
| Kieri of knopkieri, wandelstok of knots der Kaffers, thans ook algemeen onder de blanken in gebruik (Mansv.). |
| impi, leger (Hottentotsch woord, Onze Volkstaal III, blz. 138). |
|
|
|