Het Afrikaansch


auteur: D.C. Hesseling


bron: D.C. Hesseling, Het Afrikaansch. Bijdrage tot de geschiedenis der Nederlandsche taal in Zuid-Afrika. E.J. Brill, Leiden 1899  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

§2. Woorden aan de talen der inboorlingen ontleend

Woorden aan de talen der inboorlingen ontleend:

Abba of abbe, een kind op den rug dragen. Van 't Hottent. abba of awa (Mansv.).
Assegaai, werpspies. Over geheel Afrika verspreid woord, aan de Boeren ongetwijfeld uit de taal der naturellen bekend. Zie Veth, blz. 131.
Dollos of dollossi, bikkel (Mansv.). In Ons Klyntji (b.v. I, blz. 7; III, blz. 157) worden zoo de kralen genoemd waarmee de Kaffers tooveren of wichelen.
Ghoeni, knikker. Mansvelt leidt het af van een Hottent. woord ghoen, dat gaan beteekent.
Hoeka, een Hottentotsch woord, dat nog soms gebruikt wordt voor van ouds (Mansv.).
[p. 81]
Kaboe of koeboe, mielies, Turksche tarwe. Een kafferwoord, alleen verder in 't binnenland gebruikelijk (Mansv.).
Kamma, kammalielies, kamte, kastag, woorden die alle kwansuis beteekenen, schijnt Mansvelt voor Hottentotsche woorden te houden.
karos, een soort van kleed, dek of deken, bestaande uit zorgvuldig toebereide en dikwijls kunstig aan en in elkaar genaaide huiden (Mansv.). Men vergelijke H.P.N. Muller, Zuid-Afrika, Leiden 1889, blz. 126.
Kieri of knopkieri, wandelstok of knots der Kaffers, thans ook algemeen onder de blanken in gebruik (Mansv.).
impi, leger (Hottentotsch woord, Onze Volkstaal III, blz. 138).