terug  begin  verderprepost

§3. Woorden ontleend aan 't Fransch

Woorden ontleend aan het Fransch.

Het Afrikaansch heeft tal van woorden die aan het Fransch zijn ontleend, maar daaronder slechts zeer enkele die niet reeds in de 17de eeuw ook in Nederland in gebruik waren. In 't Idioticon van Mansvelt vond ik geen andere dan:

Burmót-kresán, een soort peer. Mansvelt zegt dat het woord ‘waarschijnlijk van bergamotte chrétien(ne)’ afkomt; die uitdrukking bestaat echter niet in 't Fransch, wel vind ik in Larousse crassane of cresane, een woord dat hij op dezelfde
[p. 82]
wijze omschrijft als bergamotte, n.l. als ‘poire fondante très estimée’.
Kamaste, knoop-, over-, slobkousen, van 't Fransche camaches (Mansv.). 't Woord kan echter ook door Duitsche, ‘Gamaschen’ dragende soldaten in Afrika zijn ingevoerd.
Pawie-perski, een witte perzik, welker vleesch vast aan de pit groeit (Mansv.). Vgl. Larousse: pavie, sorte de pêche dont la chair adhère au noyau.

Mansvelt meent dat het woord fiets, beteekenend gauw, doch ook opgeschikt, opgedirkt, waarschijnlijk komt van 't Fransche vite, snel. Hij vergelijkt rats, vlug, uit ras. De beteekenis opgedirkt is echter daarmee slecht te rijmen. In Onze Volkstaal I, blz. 28, wordt een woord fiete vermeld, dat op 't eiland Schouwen in gebruik is en nuf beteekent. In Noord-Holland (Boekenoogen, in voce) kent men fieter in den zin van vlug, netjes. Non liquet. Makrol(letje), soort van koek. Van 't Fransche macaron of 't Duitsche makrone. (Mansv.).

 

prepostterug  begin  verder