terug  begin  verderprepost

§4. Woorden ontleend aan 't Hoogduitsch

Woorden aan 't Hoogduitsch ontleend.

Aapskilloeder, een gemeen scheldwoord, waarschijnlijk door Duitsche soldaten der Oost-Indische Compagnie ingevoerd (Mansv.).
Het tweede deel van het woord is het Duitsche scheldwoord schindluder = kreng.
Andag, huisgodsdienstoefening. Mogelijk door de
[p. 83]
Duitsche zendelingen [Hernhutters] ingevoerd (Mansv.). Het Ned. Wdb. vermeldt op Aandacht de beteekenis godvruchtige overpeinzing, vroom gebed (Hooft en Vondel), niet godsdienstoefening. Geheel zeker is 't niet dat het woord in Afrika een Germanisme is.
Crethi en Plethi, Jan Rap en zijn maat. De Crethi en de Plethi vormden Koning Davids lijfwacht (Mansv.). Ik geloof dat de uitdrukking aan het Duitsch is ontleend, daar in deze taal die Bijbelsche woorden in bovengenoemde beteekenis voorkomen. Zie Brockhaus, Conversations Lexicon en Grimm's Wörterbuch (in voc.). In 't Nederlandsch zocht ik, b.v. in 't Spreekwoordenboek van Harrebomée, de uitdrukking te vergeefs.
Dan en wan, nu en dan (Mansv.).
Jaarhonderd, soms voor eeuw gebruikt (Mansv.). Behoort dit woord in Afrika wel tot de spreektaal? In 't Nederlandsch komt het bij sommige schrijvers als Germanisme voor; zoo b.v. in Piet Paaltjens' Drie Studentjes, 26ste strofe.
Rappelkops, duizelig (Onze Volkstaal III, blz. 142). Het Duitsche rappelköpfisch heeft, ten minste in onzen tijd, een andere beteekenis, n.l. die van gek, grillig.
Stols, trotsch (Mansv.). Ik heb echter dit woord ook wel te Amsterdam hooren gebruiken.
[p. 84]
Swernoot, meestal als scheldwoord gebruikt in de uitdrukking: jou - 's kind (Mansv.).
Ter duiwel (een uitroeping) houd ik met Mansvelt voor het Duitsche der Teufel.
Uitwiks, slaan (Mansv.). Gewikst of gewiekst voor slim is bijna overal in Nederland bekend. Vgl. Onze Volkstaal I, blz. 234; II, blz. 86; III, blz. 43 en Ned. Wdb. op gewikst.

In een aankondiging van Mansvelt's werk door Schuchardt, geplaatst in het ‘Literaturblatt für germanische und romanische Philologie’ (1885, blz. 464), wordt beweerd dat het aantal aan het Duitsch ontleende woorden en uitdrukkingen veel grooter is dan Mansvelt gemeend heeft. De kritikus erkent dat het dikwijls moeielijk is uit te maken wat uitsluitend Duitsch is, doch er zijn volgens hem nog een menigte woorden en zinswendingen, ‘welche dem auch mit den Mundarten des Stammlandes bis zu einem gewissen Grade vertrauten Holländer fremdartig erscheinen, [den] Deutschen aber mehr oder weniger geläufig sind’ en welke ‘die Stärke des deutschen Einflusses ausser alle Frage stellen’. Ten bewijze volgen dan een 25-tal woorden of uitdrukkingen die Schuchardt met groote zekerheid voor Germanismen verklaart, doch waaraan, behoudens een paar uitzonderingen, geen Hollander dien naam zal geven. Het zijn zelfs voor 't

[p. 85]

meerendeel woorden die sedert eeuwen in de Nederlandsche spreektaal voorkomen. Het is begrijpelijk dat Schuchardt, die, hoe uitgebreid ook zijn kennis van onze taal moge wezen, haar toch blijkbaar alleen uit boeken kent, tot deze vergissing gekomen is; voor een deel is 't ook de schuld van Mansvelt, die nog al eens woorden vermeldt die volstrekt niet speciaal Afrikaansch zijn, dat de beroemde geleerde uit Graz op een dwaalspoor is geraakt. De uitroepen: verflaxte kind (verflixtes Kind), bij mij Seks (bei meiner Six1)), zullen inderdaad wel met Schuchardt als Germanismen te beschouwen zijn; evenzoo 't reeds hier bovengenoemde Crethi en Plethi, en schalten en walten, voor 't geval deze laatste uitdrukking, die Changuion2) vermeldt doch Mansvelt niet heeft opgenomen, werkelijk in Afrika bekend is. Daarentegen behoeft men niet aan het Duitsch te denken bij woorden en uitdrukkingen als: Musiekdoos (evenmin met Mansvelt voor een Anglicisme te houden), neerskrijw, boeglam (zie Ned. Wdb. in voce), hij lijk alsof hij van di galg gewaai is (zie Ned. Wdb. op galg), hij lijk of 'n vlooi

[p. 86]

oor sy lewer gekruip het (spreekwoord vermeld bij Harrebomée op lever, en in Onze Volkstaal I, blz. 126), hij is slimmer as di houtje van di galg, ek kan ni klaa ni ('t gaat me goed), ek kan die ni klein krij ni, jij le(g) heel dag op mij nek (zie Ned. Wdb. op hals), met toeë oo'e (gesloten oogen), die weet ik toch ni (= werkelijk niet, bij ons meest in den vragenden vorm), Maria se boek (Maria haar boek) enz. Bloedweinig en poedelnaakt zijn ook in Holland wel bekend, zij 't ook als Germanismen. Veels geluk is te vergelijken met het Afrikaansche liwers en meteens voor liever en meteen; veels te veel, als te veel zijn zeer gewoon in de Nederlandsche spreektaal. Ten onrechte zegt Schuchardt: ‘in rechte “sehr” zeigt schon die Form die Herkunft aus dem Deutschen’; het in de 17de eeuw zeer gebruikelijke en nu nog in Gelderland (Onze Volkstaal I, blz. 250), aan de Zaan en elders voorkomende ‘rechtevoort’ toont dat duidelijk. In loop haal is 't niet opmerkelijk dat loop voor ga staat, en Schuchardt behoefde hier niet te wijzen op 't Duitsche gebruik van laufen voor gehen, daar dit in Duitschland veel minder verbreid is dan in Nederland loopen voor gaan. Het Afrikaansche saam wordt ook geheel anders gebruikt dan het Duitsche zusammen. Poerbasledan (pour passer le temps)

[p. 87]

moge nog tegenwoordig in Midden-Duitschland bekend zijn en de mediae in het woord mogen pleiten voor ontleening aan het Duitsch, toch valt het mij moeielijk te gelooven dat die uitdrukking niet rechtstreeks uit Nederland aan de Kaap is gekomen. Immers ik lees bij Langendijk meer dan eens pour pas la tems (Gedichten, Haarlem 1721, II, blz. 119, 142) en er zijn meer voorbeelden dat in het Nederlandsch de p en de t van overgenomen woorden overgaat in b en d (vgl. Ned. Wdb. op B). De uitdrukking bij Langendijk met haar la voor le en pas voor passer, wijst uit dat die spreekwijze bij ons in 't begin der 18de eeuw deerlijk was verminkt, een bewijs van haar veelvuldig gebruik. Dr. A. Beets herinnert zich in vroeger jaren van een Utrechtschen tuinknecht gehoord te hebben bomledèr, volgens den spreker den Franschen naam van aardappel.

Vergange, door Mansvelt verklaard voor 't Duitsche vergangen, komt bij Van Riebeek herhaaldelijk voor en is nog thans in gebruik in de Zaanstreek (Boekenoogen, in voce).

 

1)Deze uitdrukking vind ik niet bij Mansvelt; wat zij beteekent is mij ook in het Duitsch niet recht duidelijk.
2)A.N.E. Changuion, De Nederduitsche Taal in Afrika hersteld (Kaapstad 1845, Glossarium).
prepostterug  begin  verder