terug  begin  verder
[p. 49]

III. [Algemene beschouwingen over het Negerhollands]

Het woord Kreools heeft verschillende betekenissen. De afleiding van het woord (Port. creoulo, Sp. criollo) is onbekend. Hoofdzaak in het begrip Kreools is dat de mensen die met die benaming worden aangeduid, geboren zijn in het land waar zij wonen; hetzelfde geldt in toepassing op de taal, door zulke Kreolen gesproken. Men zou dus het woord het best kunnen weergeven met ons inheems. De titel van de meeste der in Hoofdstuk II genoemde boeken is daarmee in overeenstemming; met de Creolse Tael of Creol Taal daarop vermeld, wordt bedoeld de taal die op de Deense Antillen inheems is.

Oorspronkelik werden Kreolen de blanken genoemd die in de kolonie geboren waren. Bij uitbreiding is dan ook gesproken van Kreoolse negers, ter onderscheiding van de Bussalen, de zoutwaternegers, die over zee waren aangevoerd.

Het karakter der inheemse taal die, ook aan de oppervlakkigste waarnemer, zich vertoonde als een idioom waarin woorden en zinswendingen van zeer verschillende herkomst voorkwamen, zal wel de aanleiding geweest zijn tot de dwaling dat Kreolen mensen van gemengd bloed zijn, een dwaling die zó algemeen verbreid is, dat men haar wel als een tweede betekenis van het woord Kreool mag beschouwen1).

In dit geschrift zal het woord alleen in de uitgebreidere eerste betekenis van inheems (van blanken en negers gezegd) worden gebruikt.

[p. 50]

Door de vertaling inheems is intussen de term Kreools zeer onvoldoende bepaald, vooral wanneer hij van een taal gebruikt wordt; slechts ter onderscheiding van de andere betekenissen van het woord kan die vertaling enig nut hebben. Kreoolse talen zijn dan, naar een minder vage definitie, de talen die in overzeese gewesten uit Europese talen in de mond van Afrikanen, Aziaten, Australiërs of Amerikanen zijn ontstaan, en dan later ook dikwels door Europeanen of hun afstammelingen zijn gesproken. Al die talen vertonen zekere trekken van gemeenschap, die men ook voor een deel terugvindt in het gebrekkige spreken van kinderen en 't geradbraak van iedereen die zich moet bedienen van een hem weinig bekende taal1).

Maar behalve aan de eigenaardigheden van algemener soort zijn de Kreoolse talen te herkennen aan onderscheidingstekens die een nauwere kring van bepaling vormen. Zo is een algemeen verschijnsel de voorkeur voor niet samengestelde klanken, voor sterksprekende, beeldende uitdrukkingen, voor termen aan 't zeemansleven ontleend en die in hun betekenis worden uitgebreid; afgetrokken begrippen worden moeilik, of in 't geheel niet, uitgedrukt; in de syntaxis vindt men grote strengheid.

[p. 51]

Bepaalt men zich tot de beschouwing van de Kreoolse talen die in de mond van Afrikanen zijn ontstaan - toch nog een gebied van grote omvang en bonte verscheidenheid! - dan kan men nog meer preciseren: men neemt waar dat de voorstelling van de aard der handeling bij 't werkwoord hoofdzaak is, en dat het aanduiden van de verschillende tijden in de tweede plaats komt, dat er voorliefde bestaat voor klinkers als eindklanken, dat de r vermeden wordt en labiale klinkers (vooral in de nabijheid van overeenkomstige medeklinkers) labiodentale vervangen enz.1).

Men heeft getracht die overeenkomst tussen talen van zo verschillende oorsprong, en op zo verschillende delen van de aarde gesproken, te verklaren door op faktoren te wijzen die zich overal voordoen waar een Kreools idioom ontstaat.

De vraag wat dan eigenlik het essentiële is waardoor in soortgelijke omstandigheden overeenkomstige gevolgen zich voordoen, is door de geleerden op verschillende wijzen beantwoord. Coelho heeft de stelling verdedigd dat alle Kreoolse talen de eerste graden van kennis vertegenwoordigen waartoe een volk dat een andere taal spreekt of sprak, komt bij 't aanleren van een nieuwe; al die talen zijn haar oorsprong verschuldigd aan de werking van overal identieke psychologiese en fysiologiese wetten, en niet aan de vroegere talen der volken bij wie men dat Kreools vindt. Deze mening was reeds vroeger in beknopte vorm uitgesproken door Tesa en andere geleerden die in 't zo straks te noemen werk worden geciteerd.

Coelho stelt zich de gang van zaken ongeveer aldus voor: 't Gehoor van 't volk dat de Europese taal door nood gedwongen moest leren, werd eerst getroffen door een warreling van geluidsgolven, waarin 't langzamerhand rythme bespeurde; daarna

[p. 52]

ontdekte het in die oceaan van klanken enkele vaste punten; 't waren de algemeenste en meest voorkomende vormen van de taal. Zij waren voorlopig voldoende; tijd en omstandigheden bepaalden in hoever de waarneming zich zó kon verscherpen dat getrouwe nabootsing mogelik werd. De Romaanse talen zijn langzamerhand uit het Latijn gekomen, waarbij fonetiese verandering, een verschijnsel van fysiologiese aard, ten grondslag lag; de formatie der Kreoolse dialekten is daarentegen in hoofdzaak een psychologies verschijnsel. De Kreolen hebben geen enkele klank van hun eigen taal overgebracht in de Europese klanken die zij gingen spreken; wel hebben zij Europese klanken die hun moeilik vielen gewijzigd. Er is dan ook geen andere invloed van de oorspronkelike talen te konstateren dan in 't vokabularium1).

Bijna het tegenovergestelde is de mening van Lucien Adam. Volgens hem hebben de negers die naar Amerika gebracht werden de woorden overgenomen van de Romaanse [en Germaanse] talen, maar hun eigen klankleer en spraakkunst behouden, zo dat hun Kreools te rangschikken is onder de Afrikaanse talen; op 't eiland Mauritius daarentegen is een idioom ontstaan met Maleise (Malgassiese) klankleer en spraakkunst. Voor Adam is dus 't ethnologies substraat alles, en eventuele gelijksoortigheid berust op ethnologiese overeenkomst, verwantschap of gelijkenis. Hij verklaart zonder aarzelen alle eigenaardigheden van de door hem behandelde talen uit de oorspronkelike talen der negers en der inboorlingen van Mauritius2). Ter bestrijding van de theorie van Coelho vraagt hij deze o.a. hoe hij bij zijn zienswijze kan verklaren: meer-

[p. 53]

voudsvorming door middel van 't voor- of achtervoegen van 't pers. voornw. van de 3de pers. meerv. en 't weergeven van de datief door middel van een tot participium ingekrompen werkwoord ‘geven’.1) Ik citeer hier de beide vragen die ook naar mijn mening ernstige bezwaren vormen tegen de verklaring van Coelho.

René de Poyen-Bellisle2) geeft de volgende omschrijving van het Kreools. ‘Le Créole est pour moi, getuigt hij, une langue produite par la nécessité de communication entre des hommes dans un état plus primitif, mis en contact aves (une) civilisation avancée.’ Hij legt dus 't gewicht op één bepaalde psychologiese faktor. Daarbij onderscheidt hij scherp tussen ‘le Créole pur’ en ‘les langues mélangées’, die er wel gewoonlik toegerekend worden, maar z.i. ten onrechte. Van 't Franse Kreools komt, naar zijn overtuiging, alleen aan de taal die op de Franse Antillen gesproken wordt de naam Kreools toe. In Guyana, Louisiana en op de eilanden ten Oosten van Afrika kwam het Frans in aanraking met talen van volken die een eigen beschaving hadden, met Engels, Spaans en Malgassies; die talen, hoewel soms door 't Frans verdrongen, bleven hun invloed oefenen, er mengde zich dus een derde element in 't assimilatieproces van 't idioom der beschaafde Fransen met dat van hnn onbeschaafde negerslaven. Op de Antillen was de toestand verschillend. De oorspronkelike Caraïbiese bevolking verhuisde grotendeels naar het vasteland, zonder invloed van enige betekenis op de nieuwe taal te hebben; hier bevonden de Fransen zich in een ongestoord linguisties tête à tête met de slavenbevolking, hier kon ontstaan 't geen het dichtst nadert tot wat Poyen-Bellisle ‘un pur dialecte Créole’ noemt, een idioom dus waarin, volgens hem, ‘on ne saurait trouver que ce qui provient de la Langue d'où le Dialecte est sorti.’ Wat 't verschil in klanken tussen 't Frans en zulk zuiver Kreools betreft, ‘il est inutile de chercher à les expliquer par d'autres raisons que les causes physiologiques’ (afwijkende vorm der spraakwerktuigen).

[p. 54]

In zijn besprekingen der boeken van Coelho en Adam heeft Schuchardt, zonder twijfel de beste kenner van het Kreools, op de eenzijdigheid van zulke uitspraken gewezen. Hij, die de mengeltalen van 't verre Oosten zogoed als die van Amerika bestudeerd heeft, komt er tegen op dat de oorspronkelike taal der gekleurde bevolking geen invloed zou gehad hebben: het Pidginengels, zegt hij, is geheel van de Chinese ‘Sprachgeist’ doortrokken, en op de Antillen tonen de verschillende soorten Kreools zeer duidelik speciaal Afrikaanse eigenaardigheden1). Naast een dergelijke ethnologiese invloed moet men echter ook de algemene oorzaken in 't oog houden die volgens Coelho de enige zijn. 't Werk van de linguist moet juist wezen de waarde der verschillende faktoren te bepalen en hun werking aan te wijzen in elk biezonder geval2).

Ook de definitie van Poyen-Bellisle zal Schuchardt stellig niet bevallen. Reeds, in 1883 uitte deze de mening ‘dass der culturelle Unterschied zwischen dem niedriger und dem höher stehenden Volke, dessen Sprache jenes erlernt, bei der Entwicklung der kreolischen Idiome überhaupt keine so wichtige Rolle spielt, wie man gemeint hat.’3) En inderdaad, wanneer men in 't oog houdt dat juist zeer weinig ontwikkelde volken dikwels een zeer ingewikkelde spraakkunst bezitten, kan men de lage trap van beschaving van een der beide volken niet als oorzaak opgeven van 't simpele karakter der Kreoolse talen; alleen de armoede aan woorden voor abstrakte begrippen kan op die wijze verklaard worden. Poyen-Bellisle heeft zijn definitie nog toegelicht door een voorstelling van de wijze waarop de twee talen met elkaar in aanraking komen. Hij neemt daarbij twee omstandigheden aan die z.i. tot vereenvoudiging leiden, n.l. ‘le maître (de vertegenwoordiger van de hogere beschaving) simplifiant autant qu'il le peut’ en ‘l'esclave imitant avec tout le soin dont il est capable.’ Ik voor mij zou weinig rekening houden met die hun taal vereenvoudigende blanken. Ieder die niet aan taalstudie doet, vindt zijn eigen taal eenvoudig en duidelik; en mocht hij door een ander niet begrepen

[p. 55]

worden, dan zal hij zijn woorden met luider stem herhalen, gebaren en - als hij slaven heeft - desnoods de zweep te baat nemen, maar nooit op 't idee komen dat b.v. een genormaliseerd verbum substantivum of 't gelijkvloeiend maken van alle werkwoorden zijn taal voor vreemdelingen gemakkeliker kan maken.

De onderscheiding die Poyen-Bellisle maakt tussen hetgeen hij ‘langues mélangées’ en ‘pur Créole’ noemt, laat zich niet verdedigen. Hij behandelt de slavetaal als een eenheid, terwijl ze toch een mengelmoes was van velerlei Afrikaanse talen en bij 't bezinken tot een κοινή, een gemeenschappelike taal, veel heeft opgenomen van de Europese taal waarmee de slaven in Afrika 't eerst en 't meest in aanraking kwamen, dus in de regel van het Portugees. Ook de blanken spraken niet allen dezelfde taal; in alle kolonies, en vooral in de Amerikaanse volkplantingen der 17de eeuw, vond men Europeanen van verschillende landaard. De voorstelling van de taalvorming op de Franse Antillen die Poyen-Bellisle geeft, is dus m.i. geheel verkeerd.

Meer aandacht verdient zijn, ter loops gemaakte, opmerking dat rekening moet worden gehouden met de verschillende lichamelike eigenaardigheden van blanken en slaven. Schuchardt was hem ook hierin reeds voorgegaan; hij verklaarde het vermijden van de r in 't Negerkreools uit het prognathisme, en de voorliefde voor labialen uit de dikke lippen der negers1). Allerlei eigenaardigheden van taalvorming en taaldifferentiëring kunnen in dergelijke, stoffelike oorzaken hun grond hebben, en dat niet alleen in de natuurlike, voor zover de geschiedenis van 't mensdom reikt steeds bestaan hebbende, verscheidenheid der rassen, maar ook in willekeurige, naar tijd en plaats wisselende, vervormingen die bijgeloof of mode voorschrijven. In de Bantu-talen, die over een taalgebied dat groter is dan Europa een inderdaad verbazingwekkende gelijkvormigheid vertonen, zijn de fonetiese verschillen tussen de klinkers der onderscheiden talen kleiner dan tussen de medeklinkers; deze, ons zonderling klinkende eigenaardigheid, verklaart Torrend door te herinneren aan de van stam tot stam wisselende gewoonten om neus of lippen met ringen te versieren, de snijtanden van

[p. 56]

bovenkaak of onderkaak uittebreken of tot wiggen te slijpen, enz., enz.1) Wanneer de proefondervindelike klankleer op de ethnografie zal zijn toegepast, kan men wellicht meer pogingen tot verklaring in die richting beproeven. Vóór men zich waagt aan gevolgtrekkingen omtrent talen die ontstaan zijn in voor-historiese of te minste pro-ethniese tijden, zal men goed doen deze methode toe te passen op verschijnselen die binnen de kring van ons geschiedkundig onderzoek vallen. De Kreoolse talen zullen dan stellig het eerst in aanmerking komen, en wellicht zal dan nog menig punt opgehelderd kunnen worden door waarneming van de lichamelike en geestelike eigenschappen der gekleurde volken.

Ik kan mij echter niet denken dat ooit de eenzijdige theorie van Adam door zulk een onderzoek bevestigd zal worden. Indien men niet de waarheid op een punt tussen de beide uitersten mocht zoeken, indien men niet aan samenwerking van verschillende oorzaken mocht geloven, zou ik nog eerder de zienswijze van Coelho dan die van zijn Franse kollega willen delen. Hoe Adam overdreven heeft, blijkt het best indien men let op de syntaxis der Kreoolse talen, waarin dan toch het zuiverst het niet Europese karakter van die talen moest uitkomen. Bij alle strengheid in de plaatsing der woorden - een gevolg van 't gemis aan buigings- en vervoegingsvormen - bij alle verwantschap met sommige eigenaardigheden van negertalen, wijkt die toch in hoofdtrekken af van het zinverband in de talen der Afrikaanse of Aziatiese inboorlingen. Reeds een blik op de interlineaire woordelike vertalingen in werken als Fr. Müller's Grundriss der Sprachwissenschaft is voldoende om dat te bewijzen. Beschouwt men enkele dezer talen wat nauwkeuriger, dan wordt het verschil nog groter: in welke taal die in aanraking is geweest met Bantu-talen heeft men sporen ontdekt van de z.g. ‘classifiers’, prefixen die 't verband der woorden aangeven door dat het woordje dat het substantief karakteriseert herhaald wordt vóór elke uitdrukking die geacht wordt met dat substantief samen te gaan?2) Vindt men in het Neger-

[p. 57]

kreools de eigenaardigheid der talen van de Slavekust terug om de verhoudingen die wij weergeven door voorzetsels, uittedrukken door werkwoorden en zelfstandige naamwoorden, waardoor b.v. een zin van de Ephetaal op ons de indruk maakt van een kwalik te begrijpen aaneenschakeling van werkwoorden?1) Voor men een taal in zijn wezen Afrikaans mag noemen, behoort men dergelijke, essentiële punten van overeenkomst als zulke ‘classifiers’ of zulke opeenhopingen van werkwoorden2) aan te tonen; enkele trekken van verwantschap, die inderdaad op Afrikaanse invloed kunnen wijzen, zijn daartoe niet voldoende.

Ook moet men niet te spoedig invloed van de oorspronkelike taal der slaven aannemen, wanneer men slechts de beschaafde spreektaal, dikwels slechts de geschreven taal, der blanken bestudeerd heeft. Men behoort met tweeërlei rekening te houden: met de dialektiese eigenaardigheden der eerste kolonisten - voor zover men die te weten kan komen - en met de zeer gemeenzame of zelfs platte spreektaal der Europeanen, die als zodanig internationale karaktertrekken vertoont. De eerste opmerking spreekt bijna van zelf; ter toelichting van de tweede acht ik een voorbeeld niet overbodig.

In velerlei Kreools komt herhaling van het onderwerp door een voornaamwoord geregeld voor. Die woordvoeging is in een menigte Afrikaanse talen zeer gebruikelik, in vele (in de Bantu-talen3)) de enig mogelike. Mag men hier nu aan invloed van die Afrikaanse talen denken? Voor men daartoe besluit leze men de voorbeelden door dr. J.J. Salverda de Grave bijeengebracht van hetzelfde verschijnsel in 't Frans, 't Afrikaans, 't Nederlands en 't Duits4). Men zal er uit zien dat hier een bijna

[p. 58]

internationaal gebruik bestaat, in de spraakkunst der ‘beschaafde’ talen niet vermeld, maar niettemin bestaand. De negertalen hebben geen literatuur; daardoor zijn de mensen die zulke talen uit de bronnen bestuderen, dat is ze van de negers zelf horen, gedwongen in de eerste plaats goed te luisteren, waardoor hun werk alle kans krijgt om in één opzicht boven het werk van vele, misschien geleerder, mannen uittemunten.

Op één zeer essentiële faktor bij het tot stand komen van een Kreoolse taal dient nog gewezen, ik bedoel op 't plotselinge van de aanraking der talen die aanleiding zijn tot 't nieuwe idioom. Bij andere mengeltalen, ontstaan op de grenzen van tweeërlei taalgebied, is geleidelike aansluiting mogelik; ook waar veroveraars een land binnendringen en er zich vestigen, pleegt de onderworpen bevolking zich nog lang van de indringers afgezonderd te houden en de invloed van hun taal doet zich dikwels eerst geruime tijd na de verovering gevoelen. Slaviese, Romaanse en Turkse woorden vindt men in het Grieks eerst lang na de invallen der vreemdelingen1); in Engeland bleven na de komst der Normandiërs Frans en Engels nog langer dan een eeuw zogoedals gescheiden2). Geheel anders is 't wanneer een scheepslading slaven naar andere streken wordt overgebracht. Reeds op 't schip vangt het proces der vereenvoudiging aan. De veelheid der talen die vertegenwoordigd zijn3), doet afbreuk

[p. 59]

aan de macht van het Afrikaanse element; voor een deel heffen de verschillende eigenaardigheden elkander op in de gemeenlandse negertaal die zich vormt1), 't krachtigst blijft wat de grootste gemene deler van de talen der inboorlingen vormt. Na de reis komen de negers in onmiddellike aanraking, dikwels in huiselik verkeer, met hun meesters; van de eerste dag af moeten ze dezen begrijpen en zo goed mogelik zich verstaanbaar maken. De direkte methode wordt er in letterlike zin ingeranseld; maar de leerlingen zijn meestal de leeftijd te boven waarop de spraakorganen nog gemakkelik de ‘Articulationsbasis’ kunnen verschuiven; woorden leren ze snel en in overvloed, maar in hun klanken blijft de oude taal haar rechten voor een groot deel handhaven, en daar de denkwijs der negers zich weinig wijzigt, nemen zij maar weinig over van de grammatikale kategorieën der blanken. Groot is dus 't verschil met de wijze waarop in andere omstandigheden een gemeenlandse taal tot stand komt; van langzame overheersing van een dialekt kan geen sprake zijn, en de wisselwerking die plaats heeft bij 't samenwonen aan de grenzen moet hier voltooid zijn in één menseleeftijd.

Het proces zal 't snelst en geweldadigst verlopen waar de omstandigheden zich voordoen die ik hier schetste; in 't algemeen kan men het meest typiese Kreools verwachten waar slaven of bedienden tot de taalvermenging aanleiding gaven. Hieruit volgt reeds dat er onderscheiden soorten Kreools, of liever Kreools in allerlei graden, bestaan. Behalve de onmiddellikheid van de aanraking beslist het relatieve aantal van kleurlingen en blanken, en de aard van de Europese taal. ‘There seems to have been a difference, zegt Van Name, in the readiness with which the several languages have taken on

[p. 60]

the Creole character... The greater number and fullness of the vowels in Spanish, as compared with the French, which give the syllables a structure more nearly resembling that of the African languages, by making the Spanish easier to acquire, may have been less favorable to the Creole tendency, just as the fact that the English is already so thoroughly creolized in its grammar has undoubtedly been an obstacle to further progress in that direction1)’. Of deze verklaring van Van Name juist is, betwijfel ik; zijn opmerking omtrent de meerdere of mindere vatbaarheid der talen om Kreools te worden, is dat echter wel. 't Negerhollands - ook dat der spreekwoorden en zegswijzen - heeft veel minder niet-Europese eigenaardigheden dan b.v. 't Frans van Mauritius, dat op zijn beurt weer minder Kreools is dan 't Frans der Antillen. Daarentegen zie ik niet in dat het Spaans zo veel minder gunstig is voor ‘the Creole tendency’, getuige het Papiements. De betrekkelike weerbarstigheid van onze taal kan niet, gelijk met het Engels het geval is, door een reeds zeer vereenvoudigde vormleer verklaard worden.

De verschillende graden van ‘kreolisering’ kan men dikwels in hetzelfde land waarnemen, al naar de slaven - en de slavinnen! - in verschillende graad van intimiteit met de blanke bevolking verkeren, en deze meer of minder in schriftelik en kerkelik gebruik der Europese taal een korrektief heeft voor kreolisering; want de blanken nemen al heel spoedig de Kreoolse eigenaardigheden der kleurlingen over. Oldendorps onderscheiding van het Kreools der negers en het ‘feiner’ gesproken Kreools der blanke bewoners heeft dus niets verras-

[p. 61]

sends1). Men zou dan ook zeer verkeerd handelen met alles wat de bijbelvertalers hebben laten drukken voor ‘kunsttaal’ of ‘eigen maaksel’ te houden. Over de vraag of die taal wel de naam Kreools verdient, kan men twisten, maar dat ze voor een groot deel even goed als de taalproeven van Pontoppidan ‘afgeluisterd’ was, dat ze gesproken werd, daaraan valt niet te twijfelen. We hebben hier de direkte getuigenis van Magens in zijn gesprekken en we kunnen verwijzen naar de overeenkomst tussen de Deense en Duitse vertalers, die geheel onafhankelik van elkander gewerkt hebben. Wat deze drie autoriteiten gemeen hebben, mag men als Kreools, zij 't ook als Hoogkreools, beschouwen; bij de Herrnhutters blijft dan nog heel wat over dat waarschijnlik alleen op 't papier heeft bestaan. Het is stellig een groot geluk voor de studie van het zo goed als onbekende en bijna uitgestorven Negerhollands dat we teksten hebben van zo verschillende herkomst!

Na deze algemene beschouwingen over het Kreools zullen wij trachten de talen op te sporen die in het Kreools der Deense Antillen zijn vertegenwoordigd.

Het is bij de eerste blik in een der hierachter gedrukte teksten duidelik dat het Kreools der Deense Antillen het Nederlands tot basis heeft. Maar wij kunnen bij nader onderzoek nauwkeuriger die grondslag omschrijven, en aanwijzen uit welke streek van ons vaderland de mannen afkomstig waren van wie de negers onze moedertaal leerden. Die mannen moeten Zeeuwen geweest zijn. De term Neger hollands zou dan ook misleidend genoemd kunnen worden, indien hij niet door vele analoga gerechtvaardigd werd, en het woord Negernederlands of Negerzeeuws niet al te gezocht was, en niet al te absoluut (want er is ook zeer veel niet-Zeeuws in onze teksten) zou klinken. Uit woorden en vormen blijkt de overheersing van het Zeeuwse element in het Kreools van St. Thomas. De geschiedenis van onze kolonisatie verklaart die overheersing en maakt tevens duidelik waarom ook in onze West het Zeeuws zijn aanwezigheid in het aldaar gesproken Kreools verraadt.

[p. 62]

Wij hebben gezien dat we van de eerste kolonisten op St. Thomas te weinig weten om hun herkomst nader te bepalen, maar ten opzichte van het Vaste Land (de z.g. Wilde Kust) en de Nederlandse Eilanden van West-Indië zijn wij beter ingelicht; daarom zal ik daarover het een en ander in herinnering brengen waaruit men kan nagaan uit welk gewest de eerste Nederlandse zeevaarders en volkplanters in de West-Indiese Archipel afkomstig waren.

Reeds in 't laatst der 16de eeuw werd door Hollandse en Zeeuwse schippers druk handel gedreven op de Wilde Kust, maar van de Zeeuwen weten wij dat zij er 't eerst vaste voet kregen1). De Middelburgse en Vlissingse kooplieden Jan van Pere, van Rhee, de Moor, Lampsins, de Vries en van Hoorn lieten deze streken bevaren en beproefden met afwisselende uitslag er volkplantingen te stichten. De naam Nova Zelandia komt telkens voor, en van de eerste vestiging aan de Pomeroon is bekend dat zij uitgezonden was door Veere, Vlissingen en Middelburg. Abraham van Pere uit Vlissingen vroeg en verkreeg in 1627 vergunning om een 60-tal kolonisten naar Berbice over te voeren. Essequebo en Demerary waren insgelijks door 't initiatief der Zeeuwen gegrondvest, en de Kamer van Zeeland meende zelfs het recht te hebben tot de vaart op de Wilde Kust met uitsluiting van alle anderen. Dit vermeende recht, 't eerst in 1634 verdedigd, heeft in 1750 aanleiding gegeven tot hevige en langdurige geschillen tussen de Kamer van Zeeland en de Vergadering der Tienen; in 1772 zijn de onenigheden herhaald, en al was ook noch het wettelike noch het morele recht aan Zeeuwse zijde, de aanspraken konden aannemelik klinken op grond van de feiten2). Immers de steden Middelburg, Vlissingen en Veere hadden, onder patronaat der staten van Zeeland, een tijd lang de kolonie Essequebo van de Westindiese Compagnie in bestuur overgenomen; de

[p. 63]

expeditie die in 1667 Suriname veroverde werd door de Zeeuwse admiraal Crijnssen geleid en had haar ontstaan geheel te danken aan de ijver waarmee men in Zeeland, na de verliezen die wij in 1665 in de West door de Engelsen geleden hadden, voor de belangen van Essequebo en aangrenzende landen opkwam.

Van Curaçao en bijbehorende eilanden weten wij dat zij in 1623 en volgende jaren herhaaldelik door Zeeuwse schepen werden bezocht1), doch na de verovering van 't voornaamste eiland, in 1634, schijnt hier de kolonisatie voornamelik van de Kamer van Amsterdam te zijn uitgegaan. De provincie Holland trok zich vooral Nieuw-Nederland en het eiland Curaçao aan, die onder één hoofd gerekend werden2); daarentegen weten we dat de Bovenwindse Eilanden door Zeeuwen zijn gekoloniseerd3); het waren volkplantingen door partikulieren met machtiging der Westindiese Compagnie gesticht, terwijl de eilanden Beneden de Wind bezittingen waren der Compagnie. St. Eustatius kreeg in 1636 de naam Nieuw-Zeeland, de kolonisten brachten hun tabak in Zeeland aan de markt en het eiland werd reeds vóór 1639 ‘gepopuleerd’ door de Vlissingse koopman Pieter van Rhee, die met zijn kompagnon Abraham van Pere, lange jaren ‘patroon’ van het eiland is geweest4). Van St. Eustatius uit werd het eiland Saba bevolkt, dat onder dezelfde patroons stond. Op St. Martin werd het ons toebehorend Zuidelik gedeelte het eerst blijvend bevolkt door een kleine kolonie Zeeuwen onder Adriaensen; hun aantal werd het eerst vermeerderd in 1649 door kolonisten die uitgezonden waren door de Vlissingers Adriaan en Cornelis Lampsins5). Deze gebroeders, als reders van de Ruyter gedurende de tijd dat hij ter koopvaardij voer welbekend, behielden lang hun oktrooi en bezaten een dergelijke

[p. 64]

vergunning voor het eiland Tobago of Nieuw-Walcheren1). Ook op St. Christoffel en Barbados waren, volgens Swalue, Zeeuwen gevestigd2).

Al deze geschiedkundige berichten, hoewel door officiële bescheiden gestaafd, zijn minder betrouwbare bewijzen voor 't aandeel der Zeeuwen in de kolonisatie dan de getuigenis der taal. Men zou immers kunnen zeggen dat die verschillende volkplantingen wel op Zeeuwse schepen, voor Zeeuwse rekening en onder leiding van Zeeuwen werden aangelegd, maar dat de meerderheid der kolonisten wel kan bestaan hebben uit mensen van andere landaard. Op Tobago waren een menigte Fransen3); ook van Saba leest men dat de Fransen er met de Nederlanders vereenigd waren4), en iedereen weet dat onder de bemanning van onze schepen alle gewesten van ons land en tal van vreemde nationaliteiten vertegenwoordigd waren.

Maar de twijfel door deze overwegingen gewekt, moet verdwijnen wanneer men in 't Negerhollands woorden aantreft als kachel voor veulen, kot (hoenderhok enz.) voor hok, hoffie voor tuintje, schuif voor lade, Dissendag voor Dinsdag, wachten voor hoeden (van vee) enz., en vooral wanneer men ziet dat klank en vormleer overeenkomstige bewijzen geven van 't Zeeuwse karakter der eerste kolonisten. Ondanks alle schakeringen, door vermenging met andere talen en dialekten ontstaan, heeft de taal een beslist Zeeuwse tint behouden5).

[p. 65]

Niet zo duidelik is 't kontingent dat de Duitse taal aan de woordenschat van het Negerhollands heeft geleverd. De spraakkunst der Herrnhutters (G.H.), niet die der Denen (G.D.), spreekt wel van 't aandeel dat het ‘niedersächsisch’ of ‘plattdeutsch’ bij het tot stand komen der taal heeft gehad, maar voorbeelden of bewijzen worden niet aangehaald. Het is zeer de vraag of de Herrnhutters behoorlik onderscheid konden maken tussen onze taal en het Platduits. Wel komen er woorden met een onmiskenbaar Duits uiterlik in de teksten voor, maar men kan niet uitmaken welke als vergissingen van de vertalers zijn aan te merken en welke werkelik door de Kreolen gebruikt werden, 't Zelfde geldt van de Deense, of verdeenste, woorden in de tekst. De meeste van die woorden komen niet bij beide groepen voor en dit wettigt het vermoeden dat de grote meerderheid inderdaad toevallige Germanismen en Danismen zijn. Voorbeelden zijn in de Duitse teksten: bedung (bemesten, N.T.H. Luc. 13, 8; N.T.D: mest), hoopning (hoop, N.T.H. Handl. 2, 26; N.T.D: hoop), ordning N.T.H. Mrcs. 6, 40, Denen: plaes bie plaes), pestilenz (pest, N.T.H. Mth. 24, 7; Denen: pest), thoor (poort, Ps.2, blz. 141), straat (weg, N.T.H. Mth. 3, 3; Denen: weg), swam (spons, N.T.H. Mrcs. 15, 36; Denen: sponsje) enz. Uit de Deense teksten haal ik aan: legtsindig (lichtzinnig, Luth. Katech. blz. 4), onderkoop (omkopen, N.T.D. inhoudsopgave van Mth. 28, Deens underkiöbe), skaem yt (verwijten N.T.D. Mth. 11,20: Herrnhutters verwit), tit aster tid (van lieverlede, Voorber. N.T.D. vgl. Deens tid efter tid) enz. enz.

In 't oog vallend groot is 't aantal bastaardwoorden van Franse oorsprong die zo wel bij Duitsers als Denen voorkomen; hun aantal is met honderd niet te hoog geraamd. Men kan vragen in hoeverre die woorden binnengedrongen zijn door 't samenwonen met Fransen, met Hugenoten vooral, en in

[p. 66]

hoeverre zij behoorden tot de taal die door de uit Nederland afkomstige kolonisten gesproken werd. Ik aarzel niet te antwoorden dat de overgrote meerderheid van die Franse woorden door Nederlanders naar de West is gebracht. Indien toch de onmiddellike omgang met Fransen, 't geregeld aanhoren van hun taal1), de aanleiding tot het invoeren was geweest, dan zouden er stellig veel woorden op de Deense Antillen voorkomen die niet in Nederland als Franse bastaardwoorden bekend zijn. Dit nu is niet het geval. De Franse woorden van het Negerhollands zijn ongeveer allen ook bij ons bekend, wel niet als nog tegenwoordig in gebruik bij 't gehele volk, maar te vinden in de aan ‘brabandse’ woorden zo rijke taal der schrijvers uit de 16de en 17de eeuw, uit de tijd toen nog geen Hooft en Vondel het Noordnederlands van ‘bastertwoorden en onduitsch’ hadden ‘geschuimt’. Die bastaardwoorden behoorden wel grotendeels tot de geschreven taal - anders had men ze niet zo kunnen uitbannen -, maar dat geldt alleen voor de Noordelike gewesten. In 't Zuiden waren zij wél in gebruik bij het gehele volk, hoofdzakelik in Vlaanderen en Braband, maar toch ook in Zeeland. Nog in onze tijd komen in het dialekt van die provincie, vooral op 't vasteland van Zeeland, heel wat woorden van Franse herkomst voor die men in Holland niet gebruikt. In Uit het Zeeuwsche Volksleven2) leest men: labeuren (bewerken, blz. 52), maljeniers (ijzerverkopers, blz. 143), patiencie (geduld, blz. 55) enz. Vorsterman van Oyen vermeldt in zijn woordelijst van 't dialekt van Aardenburg3): batteren

[p. 67]

(snel lopen, battre), commeer (commère), compassie (medelijden), crieeren (omroepen), frinse (aardbei, fraise), herridon (teestoof, guéridon), kavaone (verplaatsbare woning van een schaapherder, cabane), konte (grap, leugen, conte), van de lanteeren (ventre à terre), pertant (toch, pourtant) enz.

Ik zie dus in de talrijke Franse woorden een krachtig argument voor de stelling dat de eerste kolonisten uit het Zuidwestelik deel der Nederlanden afkomstig waren. Zie hier enige der bastaardwoorden: absenteer, absoluut, accordeer, appelleer, armee, asserant (astrant), blameer, confereer, condisje, confusie, consenteer, continueer, contribueer, cousin, curagie, defendeer, delibereer, divers, dispuut, edukasje, escapeer, estimeer, excellent, except, expedieer, flatteer, inviteer, negeer, obligasje, offereer, ordineer, pardoneer, permisje, menteneer, miserabel, satisfacsje, passeer, pretendeer, regardeer, reguleer, resolveer, respecteer, revangeer, salveer enz. enz.

In alle teksten komen deze Franse woorden voor, doch in die der Herrnhutters nog veelvuldiger dan bij de Denen. De Herrnhutters volgden de Nederlandse spreekwijs getrouwer dan de Denen; waren de Franse woorden eerst op de Antillen, door direkte aanraking met Fransen of Franskreools sprekende negers, in 't Negerhollands gekomen, dan zou men die termen 't meest in de Deense teksten aantreffen, 't Franskreoolse sjansee vindt men inderdaad bij Magens, niet bij de Herrnhutters.

Engelse woorden zijn in de Taalproeven van Pontoppidan natuurlik schering en inslag1), maar ook reeds in veel vroeger tijd, toen er nog geen sprake was van gehele verengelsing, deed het Engels zijn invloed gelden. Reeds onder de eerste kolonisten zullen Engelsen geweest zijn. In de teksten uit de achttiende eeuw vindt men de volgende woorden: dig(graven), gie(geven), jump en tjomp (springen), krop (oogst, crop), market (markt), onprofitabel (onvoordelig), tingel (verstrikken, to tangle), tjook (verstikken, to choke), trubel (lastig vallen, to trouble), vens (afscheiding, wal, fence) enz.

[p. 68]

Veel talrijker dan de Engelse zijn de Spaanse woorden in 't Negerhollands. De nabijheid der Spaanse kolonies is m.i. in veel geringer mate oorzaak van 't voorkomen van Spaanse woorden, dan de verbreiding van het Negerspaans, het Papiements (zie hierboven, blz. 32). Vóór de stoomvaart bekend was, werd de afstand van twee plaatsen veel minder bepaald door de lijn die de passer op de kaart kan uitmeten dan door de route der zeilschepen, die afhankelik is van stroom- en windrichting. Zo kan 't Negerspaans van Curaçao meer invloed gehad hebben dan de minder sterk verhaspelde taal der Spaanse bezittingen. De nauwe betrekking tussen Papiements en Negerhollands blijkt ook uit een paar woorden die aan beide talen gemeen zijn, doch, voor zover ik heb kunnen nagaan, in geen ander Kreools, en evenmin in 't Spaans, voorkomen; het zijn papoessie en makoet (korenaar en mand). Spaanse woorden in 't Negerhollands zijn o.a.: adios, bambaj, boerrik, cabrita, cabé, haschee, kaba, kamina, kawai, koerri, knuk, mattaen, moeschi, no, parae, pat-pat, parri, pobre, savan, torka enz.

Gering is 't aantal woorden van onbetwijfelbaar Portugese oorsprong. Dit is enigszins verwonderlik. Ten eerste toch weten we dat uit Brazilië verdreven Joden zich op St. Thomas gevestigd hebben en deze Joden zullen, evenals hun geloofsgenoten in Suriname1), lang trouw zijn gebleven aan hun moedertaal. Verder kan men in elk Kreools dialekt Portugese woorden verwachten uit de zeemans- en slavetaal die op de Goud- en Slavekust veel verbreid was2). De paar Portugese woorden die in 't Negerhollands voorkomen, als maski, na, bussaal, traval, zijn vermoedelijk langs die weg in 't Kreools der Antillen gekomen; men vindt ze in Oost en West3). De

[p. 69]

Israëlieten schijnen op St. Thomas en omliggende eilanden hun Portugees te hebben opgegeven, waarschijnlik onder de invloed van hun Spaans sprekende geloofsgenoten uit Curaçao.

De verschillende negertalen die de zwarten spraken voor zij uit Afrika werden weggevoerd, hadden bij dit overzicht 't eerst genoemd moeten worden, indien op de belangrijkheid werd gelet van de faktoren die 't Negerhollands deden ontstaan; doch als men nagaat 't aantal woorden die met zekerheid als van oorsprong Afrikaans kunnen worden aangemerkt, dan komen de negertalen terecht hier eerst aan 't einde van het overzicht te staan. Onder elkander zullen de negers, vooral de ‘zoutwaternegers’, stellig heel wat meer Afrikaanse woorden gebruikt hebben1). 't Was echter hun belang zo spoedig mogelik de taal over te nemen der blanken en der inheemse zwarten; daarin slaagden zij 't eerst en 't best ten opzichte van het deel der taal waarvan zij zich bewust waren dat het verschilde van dat der Europeanen, dus ten opzichte van het vokabularium. En dat was niet alleen hun belang, maar ook hun eerzucht. Gelijk elders2) plachten ook op de Antillen de in de West geboren negers met verachting neer te zien op hun pas aangevoerde medeslaven. Dat waren domme, verachtelike schepsels! Een oude negerin, die Kristin was geworden, drukt de staat van verblinding waarin ze vóór haar bekering was geweest uit door te zeggen dat zij een ‘aerm pover, een soutkop, een swart heide’ was geweest3).

De woorden die niet aan Europese talen zijn ontleend bepalen zich in hoofdzaak tot de benamingen van produkten uit het plante- en diererijk. 't Is mij niet mogelik geweest een juiste

[p. 70]

onderscheiding te maken tussen de termen die aan de Afrikaanse talen zijn ontleend en de woorden die, met de Amerikaanse produkten, door middel van de Caraïben aan de blanken in West-Indië bekend zijn geworden. Ik noem hier enige van die niet-Europese woorden: geambo, jekké, cassave, karang, kingamboe, kukkaba, makaku, mapua, tschikki enz. Men zie verder het glossarium.

1)Pfyffer von Neueck, Skizzen von der Insel Java, Schaffhausen, 1829, geeft zelfs deze betekenis van het woord als de algemene aan (blz. 66). Ik ken zijn boek alleen uit een citaat bij Schuchardt, Kreol. Stud. IX, blz. 9. In de literatuur is die opvatting echter zeldzaam, niet in 't dageliks leven.
1)Voor die algemene karaktertrekken verwijs ik naar Het Afrikaansch, blz. 142-145. Niet Kreools, maar geradbraakt, inkorrekt Hollands zijn de briefjes van negers uit Berbice die in de Inleiding (zie blz. 3 vlg.) vermeld zijn. Andere dergelijke briefjes, afkomstig van de Goudkust, vindt men bij Gramsberg, Schetsen van Afrika's Westkust, Amsterdam, 1861, blz. 298. en Cruickshank, Achttien jaren aan de Goudkust, vertaald door D.P, H.J. Weytingh, Amsterdam, 1855, I, blz. 15 en 16. Ik haal de volgende volzin, die vrij wel onzin is, er uit aan: ‘want ieder mensch moet zijn verpligt doen om het brood te verdienen, en men moet niet sonder zitten eer dat het levensmiddelen te kunnen krijgen, maar men moet werken doen voor dat zulks te ontvangen hebben; want met UE. verzoek voor dit gezegde, en denkt UE. niets anders in uwe hoofd of dat ik UE. nigotiëren willen te doen maken, en zal UE. verzuimd worden voor den voldoener, maar ik zal mijn best doen dat ik UE. te kunnen voldoen worden, en zoo maken alle de menschen op hier in de wereld te zijn.’ Hier is individueel geradbraak, waaruit men wel enkele dingen omtrent de taal van de schrijver kan opmaken (geen passief, geen vervoeging, geen inversie enz.) maar een aparte taal is 't niet: die ontstaat wanneer het individueel geradbraak heeft plaats gemaakt voor een komplex van door alle sprekers gevolgde, natuurlik onbewust gevolgde, regels. Deze briefjes vormen in 't geheel geen eenheid.
1)Zie o.a. Schuchardt Kreol. Stud. III, blz. 17; IV, blz. 19, 35, 37; Literaturbl. f. germ. u. rom. Phil. 1887, kol. 137; Das Ausland 1882, blz. 867. Voorbeelden in het Negerhollands van deze grammatikale eigenaardigheden van 't Kreools vindt men in de volgende hoofdstukken; hier wil ik enige uitdrukkingen citeren die de voorliefde voor nadruk en schelle kleuren doen uitkomen: mi hab goe honger vor kik joe, vor kom na kerk; mi hab joe jaag na mi hert; mi raas goe vor em, alles om verlangen naar iets uittedrukken. Mi hert lo bran betekent ik ben boos. Deze voorbeelden zijn ontleend aan de G.H., blz. 100.
1)F.A. Coelho, Os dialectos romanicos o neolatinos na Africa, Asia e America Lissabon, 1878 (in Boletim da Sociedade de Geografia de Lisboa, blz. 129-196; de ‘algemene beschouwingen’ die ik resumeerde, vullen de laatste tien bladzijden.
2)L. Adam, Les Idiomes Négro-Aryen et Maléo-Aryen, Parijs, 1883. In zijn Inleiding wijst de schrijver op de gevolgtrekkingen waartoe zijn beschouwing van taalvorming ten aanzien van de Indo-Europese talen het recht geven. Jules Vinson, door hem geciteerd (blz. 13), drukt zich gematigder en juister uit wanneer hij zegt: ‘le créole est l' adaptation du français, de l'anglais, de l'espagnol an génie pour ainsi dire phonétique et grammatical d'une race linguistiquement inférieure’. De laatste woorden zijn echter maar half te begrijpen.
1)'t Eerste komt o.a. in 't Papiements, 't tweede in 't Negerengels voor; beide formaties vindt men terug in verschillende Afrikaanse negertalen.
2)R. de Poyen-Bellisle, Les sons et les formes du Créole dans les Antilles (Diss. der Universiteit van Chicago), Baltimore 1894, blz. 13, 15.
1)Zeitschr. f. rom. Philologie 1831 (V), blz. 581 vlg.
2)Literaturblatt f. germ. u. rom. Philologie 1883, kol. 236 vlg.
3)Kreol. Studien IV, blz. 16.
1)Literaturblatt f. germ. u. rom. Phil. 1887, kol. 137.
1)J. Torrend, S.J., A Comparative Grammar of the South-African Bantu Languages, London, 1891, blz. 9.
2)Torrend (blz. 217) noemt ze de ‘basis of the whole mechanism of Bantu with respect to nouns and pronouns’.
1)Henrici, blz. 38; voorbeelden geven blz. 43-61.
2)Iets dat er aan doet denken vindt men in 't gebroken Hollands dat hierboven, blz., 50, is aangehaald. Deze zin kan men ‘Afrikaans’ noemen; doch hier heeft geen vermenging van de twee talen plaats gehad, maar ziet men alleen toepassing van de uiterlike vormen der Europese taal door een inboorling. Dit is evenmin Kreools als de Griekse thema van een zeer onwetende gymnasiast zo genoemd kan worden.
3)Torrend, §637.
4)Taal en Letteren XIV (1904), blz. 8. Een type van deze konstruktie is: pater tuus is erat frater patruelis meus. Voor 't Engels zijn in dezelfde jaargang van Taal en Letteren (blz. 370) de voorbeelden aangevuld door de heer F.P.H. Prick. Ook in andere talen zou men niet te vergeefs naar dergelijke wendingen zoeken; nauwkeurige waarneming van eigen spraakgebruik kan voor 't Nederlands de lijst tot in 't oneindige vergroten.
1)Men behoeft zich hierbij niet te verlaten op geschreven dokumenten waarin 't niet voorkomen van vreemde woorden geen afdoend bewijs is voor 't ongebruikelik zijn in de gesproken taal. Op de Griekse dialekten van Zuid-Italië kan men zich beroepen, die in de 9de en 10de eeuw ontstonden; we weten dat onder Leo VI 3000 kolonisten uit de omstreken van Patras naar Zuid-Italië togen, en toch komt in die dialekten geen enkel Slavies woord voor. De invallen der Slaven in de Peloponnesus begonnen reeds in de zesde eeuw; al bleven de steden steeds Grieks, op 't platteland vestigden zich overal Slaven. In 807 werd Patras met moeite tegen hen verdedigd.
2)For a long time the two languages, French and English, kept almost entirely apart. The English of 1200 is almost as free from French words as the English of 1050; and it was not till after 1300 that French words began to be adopted wholesale into English (Sweet, A Primer of Historical English Grammar, 1902, § 21).
3)Oldendorp (blz. 346) deelt woorden mee uit 26 verschillende negertalen, waarvan hij vertegenwoordigers vond onder de slavenbevolking van St. Thomas. De slaven werden dikwels diep uit het binnenland aangevoerd. De uitvoerhaven was in later tijd voornamelik Loanda. Bij 't raadplegen van Afrikaanse talen heb ik de meeste punten van overeenkomst gevonden in de talen der Slavekust; bij een dergelik onderzoek is men echter zeer beperkt door de spraakkunsten waarover men kan beschikken. Zeer veel nut heb ik gehad van het duidelike werk van Dr. Henrici; met de door hem behandelde Ephetaal trachtte ik iets meer dan zeer oppervlakkig bekend te geraken.
1)Vgl. Schuchardt, Literaturblatt. f. germ. u. rom. Philol. 1887, kol. 139. Ook hierin ligt een argument tegen Adam's theorie.
1)Van Name, blz. 125. Het Negerengels van Suriname schijnt hem tegen te spreken, doch hier heeft men blijkbaar met een biezonder, nog niet opgehelderd geval te doen. Schuchardt (Kreol. Stud. I, blz. 15) neemt aan dat het Negerengels op een voorafgaand Negerportugees ‘gepropft ist, so das zunächts ein anbequemen an portugiesische Lautsitte stattfand’. Henrici (blz. VIII) geeft een paar proefjes van 't Negerengels der Slavenkust die beter in overeenstemming zijn met de opvatting van Van Name: Them massa no be fit for go bush (deze heer is niet geschikt om in 't binnenland te reizen) en He live for find him, but no look him (hij is bezig het te zoeken, maar kan het niet vinden). Een geheel verhaal in een dergelijk Engels, gesproken op St. Kitts, vindt men bij W.A. Paton, Down the islands, a voyage to the Caribbees, London, 1888, blz. 396.
1)Oldendorp, blz. 263. Ook Pontoppidan en de schrijver van de Deense spraakkunst wijzen uitdrukkelik op dit verschil.
1)Het volgende is, waar geen andere bronnen zijn genoemd, ontleend aan Netscher, biz. 32, 38, 40, 41, 53, 78, 120 vlg., 139 vlg.
2)Hartsinck, Beschrijving van Guiana of de Wilde Kust in Zuid-Amerika, Amsterdam, 1770, I, blz. 212-256, spreekt uitvoerig van het gehaspel tussen de Kamer van Zeeland en de West-Indiese Compagnie en gaat na welk aandeel Zeeland in de plantages en andere bezittingen had.
1)Hamelberg, De Nederl. op de West-Ind. Eil. I, blz. 19.
2)Hamelberg, De Nederl. op de West-Ind. Eil. I, blz. 21 vlg., 36, 37. Dokumenten I, blz. 58, 67. Zie ook Swalue, De daden der Zeeuwen gedurende den opstand tegen Spanje, Amsterdam, 1846, blz. 331 vlg.
3)Hamelberg, Verslag Gesch. Gen. II, blz. 109.
4)Hamelberg, De Nederl. op de West-Ind. Eil. II, blz. 10 vlg. Dokumenten II, blz. 13, 17-19. In de Histoire naturelle et morale, blz. 41, leest men dat van Ree en van Pere ‘y ont établi une colonie, composée d'environ seize cens hommes.’
5)Hamelberg, De Nederl. op de West-Ind. Eil. II, blz. 17 en 18.
1)Deze vergunning vindt men afgedrukt bij Hamelberg, Dokumenten II, blz. 14 vlg. Voor St. Martin schijnt het oktrooi gelijkluidend te zijn geweest, volgens een opmerking van de heer Hamelberg in fine. Een uitvoerige, en voor de patroons zeer vleiende, beschrijving van 't eiland is Rocbefort's Le Tableau de l'isle de Tobago ou de la Nouvelle Oualchre, Leyde, 1665.
2)Swalue, De daden der Zeeuwen enz., Amsterdam, 1846, blz. 332.
3)Rochefort, Le Tableau de l' isle de Tobago, blz. 80.
4)Hamelberg, De Nederl. op de West. Ind. Eil. II, blz. 18.
5)Men kan terecht opmerken dat ‘Zeeuws’ een vage term is; dat het Zeeuws van eiland tot eiland verschilt, en dat verschillende eigenaardigheden die 't Zeeuws van 't algemeen Nederlands onderscheidt ook in Vlaanderen worden gevonden. Toch heb ik gemeend mij van die vage term te mogen bedienen hij de behandeling van taalvormen die, reeds door de omstandigheid dat zij alleen door schriftelike overlevering mij bekend zijn, geen in de kleinste hiezonderheden afdalende bestudering mogelik maken. Van slechts één Zeeuws dialekt, dat van Noord-Beveland, is een onderdeel, de klankleer, op streng wetenschappelike wijze behandeld en wel in de voortreffelike dissertatie van de heer A. Verschuur; op zijn mededelingen ben ik voornamelik afgegaan. Voor 't Westvlaams heb ik natuurlik in de eerste plaats het Idioticon van de Bo geraadpleegd. De kolonisten van de heren Lampsins c.s. kwamen ongetwijfeld niet slechts uit Walcheren, maar voor een groot deel ook uit het z.g. IVde Distrikt van Zeeland en uit Vlaanderen.
1)Van Name (blz. 126) deelt mee dat ‘in a considerable portion of the city population of St. Thomas’ 't Franse Kreools der Antillen gesproken wordt, maar aan de invloed van dit idioom kan men de Franse woorden niet toeschrijven, daar in de tijd waarin onze gedrukte teksten ontstaan zijn er nog zo goed als geen ‘city population’ van St. Thomas bestond. Ook hebben de Franse bastaardwoorden niet de Kreoolse, maar de Franse vorm en betekenis, met één enkele uitzondering (zie glossarium op sjansee). 't Franse Kreools zal wel op St. Thomas in de 19de eeuw zijn ingevoerd; geen schrijver vóór Van Name maakt er melding van.
Hoofdbezwaar tegen 't aannemen van rechtstreekse ontlening is echter de overweging dat het al te toevallig zou zijn, indien de Nederlanders in Europa en in de West onafhankelik van elkaar precies dezelfde woorden hadden overgenomen.
2)Door F. Nagtglas (Middelburg, 1885).
3)In Onze Volkstaal I, blz. 137 vlg.
1)addu (liever, rather), joe aght to (behoorde, you aught to), be (verb. substant.), better (beter), destroi (vernielen), dinner (middagmaal), doctor (dokter), him (hem), long (lang), pech (plukken, to pick), wen (wanneer, wen), wander (rondlopen) enz.
1)In de voorrede van het Geschied- en Handelkundig Tafereel van de Bataafsche West-Indische Colonieën, geschreven door eenige Joodsche geleerden (Nieuwe Uitgave, Amsterdam 1802), verontschuldigen de schrijvers zich over de vorm van hun boek, daar zij genoodzaakt zijn te schrijven in een taal die de hunne niet is, waarbij een noot: ‘Hunne gewoone taal is de Portugeesche en Spaansche.’
2)Door die zeemanstaal heeft het Portugees ‘fast in jeder Kreolischen Mundart.... Spuren hinterlassen’ (Schuchardt, Kreol. Stud. IV, blz. 38).
3)‘Die Aufnahme dieser Formen reicht gewiss in die erste Hälfte des 16. Jahrhunderts zurück, als die Spanier um ihre neuen Entdeckungen sich noch wenig kümmerten und die Portugiesen im Handels- und Religionsinteresse hier festen Fuss zu fassen suchten.’ Deze woorden zegt Schuchardt (Kreol. Stud. IV, hlz. 38) naar aanleiding van 't Kreools der Philippijnse eilanden, doch zij slaan, met wijziging van datum, ook op andere streken. Dikwels is een Portugees woord dan later via een andere taal verder verbreid.
1)Oldendorp, blz. 433.
2)Men vergelijke uit het in de Inleiding afgedrukte briefje uit Berbice de zinsnee: ‘moet niet denken dat de Neeger wel slaven wil zijn, maar de Neeger dat UEd. heb op de seepe [op de schepen die slaven aanvoerden] die kan zijn UEd. slaaven.’ Van solidariteit is nergens sprake, wel van dwaze verheffing op hun geboorte onder blanken.
3)G.H. blz. 111.
terug  begin  verder