Loading the player ...

Tsjêbbe Hettinga en Tsead Bruinja lezen Friese dichters (De Langste Dag, 10 december 2010)


auteur: Tsjêbbe Hettinga en Tsead Bruinja


vertaler: Jabik Veenbaas


bron: Tsjêbbe Hettinga en Tsead Bruinja, Tsjêbbe Hettinga en Tsead Bruinja lezen Friese dichters (De Langste Dag, 10 december 2010). 2011


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

Tsjêbbe Hettinga en Tsead Bruinja lezen Friese dichters

Tsjêbbe Hettinga leest Obe Postma's Ôfskie

 

Tsead Bruinja leest Obe Postma's Afscheid

 

Tsjêbbe Hettinga leest Obe Postma's Te Harns

 

Tsead Bruinja leest Obe Postma's Te Harlingen

 

Tsjêbbe Hettinga leest Obe Postma's Wat de dichter witte moat

 

Tsead Bruinja leest Obe Postma's Wat de dichter moet weten

 

Tsead Bruinja leest Sjoerd Spanninga's Indian Summer

 

Tsead Bruinja leest Paul van Ostaijens Melopee

Voor Gaston Burssens
 
Onder de maan schuift de lange rivier
 
Over de lange rivier schuift moede de maan
 
Onder de maan op de lange rivier schuift de kano naar zee
 
 
 
Langs het hoogriet
 
langs de laagwei
 
schuift de kano naar zee
 
schuift met de schuivende maan de kano naar zee
 
Zo zijn ze gezellen naar zee de kano de maan en de man
 
Waarom schuiven de maan en de man getweeën gedwee naar de zee

Bron: Paul van Ostaijen, Verzamelde gedichten. (Verzameld werk deel 1 + 2) (ed. Gerrit Borgers). Prometheus / Bert Bakker, Amsterdam 1996 (dertiende druk)

Tsead Bruinja leest Sjoerd Spanninga's Het grote zwijgen

 

Tsead Bruinja leest Douwe Tamminga's In memoriam twee

 

Tsjêbbe Hettinga leest J.J. Slauerhoffs Het boegbeeld de ziel

 
Dit is mijn lot: gebeeldhouwd voor den boeg,
 
Den scheepsromp achter mij te moeten volgen;
 
Mijn zegetocht over knielende golven
 
Aan 't schip te moeten danken dat mij droeg.
 
 
 
Wel leef ik 't zwerven liever dan het vaster
 
Landlijk geluk, dat wortelt als een boom
 
In één trouw, voor één einder; mijn driemaster
 
Draagt me in de drift van iedren wereldstroom.
 
 
 
Liefkoozingen van alle golven schuimen
 
Over mijn borst en bevlekken mij niet.
 
Volgende reinigen van voorge, zij ontruimen
 
Mij snel, mijn vreugd blijft vrij van hun verdriet.
 
 
 
Ik zal nooit van een houden, zij zijn alle
 
Even witwoedend, even snel weer grijs.
 
Ik lok, zij streelen, laat ze los, zij vallen
 
In met het koor, dat sterft achter mijn reis.
 
 
 
Geen vrouw leed liefde zoo gelijk bewogen
 
In drift, als ik de zee: zijn ademtocht
 
Houdt mij beurtlings bukkend en opgetogen,
 
Geen man heeft machtiger zijn bruid bezocht.
[p. 39]
 
Uit zoo groot omhelzen zoo zuiver zelf
 
Behield geen vrouw; over zijn diepte zwevend
 
Bleef mijn beeld in zijn borst begrensd en bevend.
 
Ik overleefde hem - tot des einders gewelf.
 
 
 
Geen bruid huwt met haar vorst gebied als ik
 
Met 't schip, dat mij meetroont, vorstlijk vrijgevig...
 
Máár 'k leef ook zeer bekrompen, onderhevig
 
Aan koers en vrachtvaart van de onvrije brik.
 
 
 
'k Lig met mijn romp in 't vuile dok verankerd
 
En duld de lading van smaadlijke vracht;
 
't Gelaat vertrokken, 't verre lijf verkracht
 
Voelt gevangen vrouw zich weerloos bezwangerd.
 
 
 
En houd ik mij hardnekkig in extase
 
Bóven gesternten, diep in zee gezonken,
 
Dan hoor 'k 't aanklevend schuim der aarde razen:
 
Vlak achter mij liggen matrozen dronken.
 
 
 
Zoo dronk ik schoon en schande in één teug.
 
Stijgt mij de roes der reine hemeldriften,
 
Dan werkt besef van laag bestaan als gift en
 
Proef ik zoo wrang dat 'k niet voor engel deug.
[p. 40]
 
Dit zal het eind zijn: op een slordige helling
 
Van 't schurftig schip te worden afgesloopt.
 
Ik zal stom smeeken om een nieuwe stelling,
 
Laf, als een hoer die zich voor 't laatst verkoopt.
 
 
 
Men nagelt mij misschien als laatste gunst
 
Nog op de stompheid van een oude kof.
 
Wij passen bij elkaar: zijn molmge vunst'
 
En mijn geschonden schoon, verfloos en dof!
 
 
 
Dan weer berouw 'k, naakt in mijn schaamle schaamte,
 
Dat ik niet eer, als waardloos wrakhout stierf:
 
Liever nog lang met een roestig geraamte
 
Over 't geluksgebied van vroeger zwierf.
 
 
 
Bespottingen van alle golven botsen
 
Tegen mij op. Mijn leed wordt staag verbrijzeld.
 
Zij schenden mij, als de scherpkantige schotsen
 
Van vroegre liefde het onmeetlijk ijsveld.
 
 
 
Wie leed zoo fel, zoo laf, voordat hij stierf;
 
Met zooveel smaad gekroond, zoo laag gekruisigd
 
Over 't weleer bekoord gebied? Wie zwierf
 
Zoo lang rampzalig, voor hoogst Heil 't vooruitzicht
[p. 41]
 
Van mijn wanhoop: dat na dit overwintren
 
Voorbij mijn dood eenmaal een storm, een hoos
 
Mij zal vernietigen, zoo vormeloos,
 
Dat 'k mij niet meer herinner in mijn splintren?

Bron: J.J. Slauerhoff, Verzamelde gedichten. Deel 1. A.A.M. Stols, Den Haag 1947 (tweede druk)