terug  begin  verderprepost

+Vander Letteren
Begin11), gebruic, waerdicheit, en misbruic.

Deze tegenwoordige letteren die wij Nederlanders / als meest mede geheel+ Kersten Europa gebruict / zijn gekomen vande Latinen: Die Latijnse vande Grieken: Die Griecse zijn door Cadmus uit Phoenicien gebraht: Die Phoeniciennen / Assyriennen / Aegyptenaren ende die Hebreuën / zeitmen datse ontfaen hebben vande Caldeën / als outste natie / daer die Hebreuën en Joden uitgesproten zijn. Of die Caldeën haer letteren van imant12) ontfaen hebben / ofte zelve eerst gevonden / zoudemen haerlij qualic konen verzekeren die des Bibels getuigenisse / niet gaerne alleen ontfaen. Maer der voorseide

[p. 10]

Natien letteren / name / ende der zommigen maecsel / thoont klaerlic waer +te wezen / datse deen van dander ontfaen / ende tot gemeen / ia verholen zaken bewarijnge genomen / ende te werc gestelt heeft tot dat dAegyptenaren ziende door haer letteren die verholentheden1) te gemeen warden / tgemeen volc tgebruic der letteren latende hebben haer Vrikonsten2) en Geleertheit beschreven3) door tekenen van alrehande Dieren / bomen / kruiden / en ander geschapen zaken / dwelc hun Gemeente ziende / ende hou scharpzinnih +die was / nohtans niet verstaen*de / bemerkende dat haer geleerden / uit die zelve tekenen wonderlicke zaken wisten te voorzeggen / hildenze in zulke ere / dat over hun Konijngen gebot krigende / alle geestelicke en waerlicke4) saken / door hunlij handen bestiert warden. Die Grieken nommen dit Aegijpse schrift: ἱερογλυφικὴ γραφὴ, Hieroglijphike graphe, dats te zeggen: Heilih gesneden schrift. Deze verborgen maniere van schriven / zaken den gemeen man onnut om weten / hebben dAegypse geleerde ontfaen (als mede die Hebreuën) vande Caldeën. Want alzo alle geleerden bekent is / hebben die Caldeën ende Hebreuën altoos twe Talen in gebruic gehat: Dene / die den gemeen man in steden en dorpen sprac: Dander die de Geleerden onder melkander alleen ufenden / geestelicke en waerlicke treffelicke5) zaken in verborgen hilden / alzo nu ter tijt onder die Kristenen in tgeestelic en waerlic / tGriex6) / en Latijn dout / bide Turcken dArabisch / dwelc onder die Joden van Moyses tiden7) / tot na Christus doot / zonder oit geheel in gebroken te warden8) / bina twe duizent jaren aen een / naerstih onderhouden is geweest / zulx dat den hoohgeleerden Esdras / merkende (nademael die Joden van Nabuchodonozor in Babilonien vervourt van Konijnc Cyrus / weder verlost warden)9) dat die zelve Joden geduirende hun tzeventih10) jaren gevaingenisse der geleerden Tale te bekent hadden gemaect / waer door den gemeen man +hem meer dant behoorde / * met des wets uitleggijngen mouiënde / geen deuht onder dander simpel gemeente dede / om zulx geheel beletten / von en verzierde11) nieuwe Caldeuse letteren / die sedert Hebreuse genomt zijn geweest / welke d'oude Hebreuse / en Caldeuse zo verdruct hebben / dat niemant (hou wel inde zelve Talen geleert) tot dezen dage heeft konen weten wat ge-

[p. 11]

daente / of maecsel / Aleph / Beth / Gimel / en dander Hebreuse en Caldeuse letteren gehat hebben / zo wel behaehden die geleerde Joden / in / ende na Esdras tijt / dees nieuwe letteren / door welke Esdras die Joden in Hierusalem1) die wet / ende haer uitleggijngen beschreef / tot dat deze mede te gemeen wardende die navolgende geleerde Joden / die hooft stucken2) hunder geleertheit geen geschrift meer betrouwende / die verstandihste onder hunlij tot zekere jaren haers ouderdoms van hant tot hant / dat is van mensche tot mensche zonder enih geschrift / mondelic overleverden met vermaen en bevel haerlij nakomers desgelijcx te doun / dwelc tot den dage van heden noh onder die geleerde Joden geüfent wart / als mede die ceremonien hun religie aengaende / ende deze kennisse genomt: Kabali, of: ars Kabalistica: dats te zeggen: een konste / of wetenheit die zonder schrift van hant tot hant die menschen mondelic overgelevert wart. Deze wijsheit der Caldeen en Hebreuën die Griecse geleerden merkende / en ziende dat onder alle die verscheiden-+heit van hun Talen / geen tot bewarijnge * van verholen zaken mohte dienen / hebben die zelven beschreven met hun gemeen Talen en letteren / maer zo wonderlic haer menijnge3) deckende / dat die Gemeente daer hooft noh staert aen konde vinden / nohtans niet darrende4) beschimpen / ziende dat die schrivers zelve hun werken / ποίησις / dat is: een simpel werc / als die Latinen fabula / dat is verzierijnge5) / nomden / oft andere wonderlicke verholen Titels gaven / daeromme ahterdeincken6) hebbende / dat haer menijnge anders was dan die woorden spraken / maer tzelve niet konende begripen / hilden die schrivers / en haer boucken in zulker waerden datmen die zelve tot dezen dage noh leest / hou wel die schrivers zom drij / dander bide vijr duizent jaren doot zijn geweest. Die Latinen vande Grieken letteren met de Vrikonsten7) ontfaende / volhden hunlij wijsheit in verholen zaken bedeckijnge / maer noit met zulker konst nohte bedectheit / als die Grieken hadden gedaen. Want ziende dat zij in veel plaetsen Orpheus en Plato, met meer ander Poëten / Philosophen / en Oratoren niet konden verstaen om beter decken haer verstants gebrec / schimpten onder die gemeenten met haerlij boucken en arbeit / daer tegens bitterlicke spitih8) sprekende en schrivende. Maer hun schimpboucken zijn gestorven / ende dander (niet tegenstaende die wonderlicke groote veranderijngen des werelts) door vijr9) / water / spiesen / en swaerden +tot dezer ure gezont int leven ge*bleven / dwelc nohtans Godt niet heeft gelieft dat int gehele onze heilige schrift is gebeurt. Die onder die Latinen die keest en karne10) / der Griecse geleerden gesmaect hebben wilden niet dieper vande

[p. 12]

zelve zaken schrivende / handelen / dan haer docht een gemeen verstants begrijp / nut en batelic mogen wezen / dwelc die navolgende geleerden tot dezen dage voorzihtih1) / eensdeels onderhoudende / qualic2) iet uit haer mont laten gaen / tgeen zij voorzien dat geen oirbaer / noh bate zoude tgemeen welvaren en ruste mogen inbreingen / mits onufenheit of gebrec des verstants van diet horen: eensdeels hebbent zij niet onderhouden / openbarende hem3) mede in dezer harten d'overhant4) der hartziecten5) die geen verstandige menschen ongequelt laten / te weten: Eergiericheit, Geltgiericheyt, +Nidicheit6), Wellust. Ziet wat bate t'alder tiden die werelt is geschiet en noh geschiet / door tgebruic van dees klene7) tekenen diemen na t'Latijn nomt letters8), mogende daerom wel met reht genomt warden onsterflicke bewaerders van t'gene dat vanden beginne des werelts door alle haer palen9) / waert om weten geschiet is / dagelix geschiet / ende noh geschien zal: leraers van goods wille: open betoonsters van d'onbegripelicke rijcdom / gestort in verscheiden menschen zielen: Zij helpen der vijf zinnen10) plompheit / tgedinx11) kraincheit / doordels ongestadicheit / fantazijs blintheit / straffen en +berispen gemeen be*grijps goutduinckenheit12): maken dat wij spreken die over13) vijf duizent jaren / en daer en tuschen14) gestorven zijn / desgelijx15) ons levende vrienden veel hondert milen van ons wonende / zijnde onze dagelixe getrouwe boden16) alle die werelt door. Zij bewaren der konijngen schat: Der wizen verholentheyt17) / ia maken die zelve die menschen bekent / meer dan die bedrigelicke mont: Zij bewaren landen en steden vriheden18): Des19) koopmans rijcdom: s'Vaders des huisgezins ruste: Twe gelieven harte: Des Lantmans Almanah20): Des Stemans Prognosticatie21). Zij maken wize en zotte menschen / Doctoren / Licentiaten / Baceliers22) / Meesters / Leraers / Predicanten / Presidenten / Raetslij / Procureurs / Advocaten / Burgemeesters / Schepenen / Griffiers / Pensionarissen / Secretarissen / Schouten / Ballijfs23) / Ammans / Drossarts / Paeussen / Cardinalen / met alle Geestelicke overheyt / ontfaingers / uitgevers / goude en zilvere munte: Zij bedrouwen24) en maken blij / dreigen en troosten: Geloven25) en ontseggen26): Doun hopen en wanhopen: Doden / en geven weder leven: Door

[p. 13]

haer spreken vrouwen en kinders / als mans mouten swigen / onedelen als edelen: Den bedelaer wart verheven / als die rijcken stil staen: Zij schinen van quaet gout / en van gout weder quaet maken: Door haer blijft leven al dat inden Hemel / opder airden1) / inder zee / en onder beiden wij meinen +te kennen. Summa geen lant / state / noh * vergaderijnge2) der menschen mah letteren derven / dan die ais wilde dieren in alle verwoustheit3) zouken te leven / maer igelic mout touzien die wel te gebruicken. want zij zijn gelijc al dat inde werelt is / dounde deuht / dieze tot deunt gebruict / quaet dieze misbruict / zijnde geen zaken ter werelt tquaet te witen / dan quade willen / genuiht4) in misbruic nemende5). Die Latijnse schrivers6) gelezen hebben / weten dat dezer Tale letteren / gedaente / name / getal / en gebruic / wonder-+licke veranderijngen hebben geleden / zulx dat die gheleerden noh tot dezen dage kiven en knorren / om der letteren oprehte uitspraec / kraht der vocalen / consonanten en diphthongen7) / ten lesten om d'oprehte spellijnge en schrivijnge der Hebreuse / Griecse en Latijnse Tale8). Dit merkende / verwonderde mij niet meddallen vande gevalste namijnge / lezijnge / en schrivijnge onzer Nederduitser letteren en Tale / maer mij verwonderde zere / dat onder zo grote menihte van geleerde mannen9) in Nederlant geboren en gestorven / nimant tot dezer uren heeft gelieft t'anvaerden de mouiten om t'onzer behouf en bate / beschriven die nature / kraht en deilijnge der Latijnse letteren / die wij met veel meer grote landen over duizent jaren anvaert hebben / die Romeinen onzer / ende der voorseide landen Princen10) zijnde gewarden / ende dat te meer bemerkende die grote ongeschicte11) verscheidenheit in +tsamen vougen der letteren / dwelc men spellen nomt * nergens dan uit dezer zaken onwetenheit spruitende / alzo12) den meesten deele die onze ioincheit leren / mans en vrouwen zijn der letteren natuir niet kennende. Onder die Grieken en Latinen hebben die hoohgeleerste en kloucste geesten deze mouite wel willen annemen13) / geen kleinheit ahtende14) om kleinen en ioingen te helpen / weder klein en joinc warden / mits dat deze zake vanden beginne niet wel geleert en verstaen / onmogelic is geraken tot gebruic van een zuvere tale / welke niet alleen gelegen is in onzer zinnen voorneme15) met maticheit van woorden weten uit te spreken / maer mede met zuvere / klaere / onbe-

[p. 14]

haingen1) / eigen2) woorden in betamelicke orde gestelt te schriven3) / dat onmogelic zal zijn om doun die deerste fondament (gelegen inder letteren natuir te kennen) niet behoorlic verstaat. Ic gelove dat ons lants Geleerden stil gezeten hebben / niet die swaricheit des werx hun vervarende (alzo vande Grieken en Latinen / ons dit te voren is bezuirt4)) maer meer door versmaetheit5) en verahtijnge hun smouders tale / die zelve arm / hart / ongeschaeft / ende in een klein houcke des werelts bepaelt ziende. Dit tsamen met redens6) te neerleggen / eist deze tijt / noh dit bouc niet. wel kenne7) ic datse in kleine landouwe bepaelt woont / maer welke op deze tijt meerder is dan daer die Roomse8) Tale gesproken wart / uit Italien haer oorlohs fortuin / noh niet +bezoht hebbende9). Datse ongeschaeft is / laet onze onahtzaemheit10) * witen. Van hartheit mah t'Latijn wel swigen / anziende zijn begin / voortgainc / en traeh aenkomen tot deze grote zoutheyt diemen in weinih oude schrivers bouken vinnende met paerts arbeit grote verstanden / noh qualic ziet konen volgen. Desgelijx mogen die Latinen wel swigen van onze armoude / angezien wij meerder vriheit hebben om nieuwe woorden te vinnen / annemen / of van twe ouden een nieu te maken11) / dan zij hun eigen kloucste voorvehters openlic klagende / van armoude en hartheit. Dus laet iegelic wat dounde ons Neerlantse Tale helpen / schavende d'oneffenheit / uitwiende d'onkruit / verzoutende dat hart is / en d'ongeschict schickende / zo alle Talen des werelts maer lainge jaren t'Latijn / met grote hulpe en arbeit door kloucke geesten is geschiet / ende in onse tijt t'Francois noh met gouder voorspout gedooht12). Ic hebbe hier omme wel willen den a / b / c / t'mijnder veertihste jare inde hant weder nemen13) / om tgene ic geleert hadde onse Taels Schoolmeesters / en andere geesten door dit kort geschrift mede te deilen / niet al datter die Latinen af geschreven hebben (angemerct tzom hunlij14) dient / tzom alleen die geleerden) maer tgene ons Tael beminders mij notelic heeft

[p. 15]

geduinct om weten / volgen en onderhouden. Meester Anthonis Tzestih1) Advocaet inden hogen raet tot Mechelen heeft over aht jaren2) int Latijn +van deze zake zeer kort geschreven: maer want zijn voorneme alleen is * te leren plat3) Brabants4): t'mijn opreht Nederlants / of elc lant5) zijn uitsprake / zult u niet verwonderen dat wij altemet6) verscheiden spreken en oordelen / angezien van ouden tiden vriheit gebleven7) is / tot den dage van heden / onder alle die haer oit gemouit hebben met die Vrikonsten8) / verscheide gevoulen9) te mogen hebben / zonder tegens vrienschaps wetten en geboden / enihzins te zondigen / want den lezer van als lezende / mah volgen in dusdanigen twist / zonder noot van zielverlies / of te quetsen die gemeen ruste / dat hem gelieft en best behaeht. Desgelijcx heeft noh korter deze zake gehandelt Adriaen vander Gucht schoolmeester tot Brugge10) / zoukende plat Brux die zinen te leren schriven / dwelc mede mijn voornemen contrarij / zult u ijnsgelijx11) niet verwonderen van onse verscheidenheit. Ic wilde wel dat hem geliefde int liht laten te komen zijn grote Orthographie / daer hij af vermaent in zijn korte abusiue Orthographie (zo hij den Titel geeft) zo zoudemen hem beter in veel zaken verstaen / dat nu mits kortheit een weinih te doincker beschreven staat.

[p. 17]
+Alle letteren van wat Tale die mogen zijn, voor d'eerste inzien toukomen drij zaken: Gedaente / Name ende Kraht1). Laet ons elx int bizonder doorzien, om beter te begripen datter uitspruit.
[p. 18]

+Der letteren in [tgroot ende klein.]

Name in

Hebreus. Griex. Latijn. Nederlants.
Aleph. consonant. {Alpha. {A. {A.
Beth. {Beta. {Be. {Be.
  { {Ce. {Ce.
Deleth. {Delta. {De. {De.
  {E-psilon. {E. {E.
Pe. {Phj. {eF. {eF.
Gimel. {Gamma. {Ge. {Ge.
He. Heth. {.c. {Ha. {Ha.
Iod. consonant. {Iota. {I vocael en consonant. {J.
Caph. {Kappa. { {Ka.
Lamed. {Lambda {eL. {eL.
Mem. {Mu. {eM. {eM.
Nun. {Nu. {eN. {eN.
  {O-mikron. {O. {O.
Pe. {Pi. {Pe. {Pe.
Coph. { {Qu. {Qu.
Res. {Rho. {eR. {eR.
Samech. Sin. {Sigma. {eS. {eS.
Teth. Tau of Taf1). {Tau. {Te. {Te.
  {V-psilon. {V vocael en consonant. {V2).
Tsade. {Xi. {iX. {iX.
Vau. of Vaf. consonant. { { {Va.
  { { {Wa.
Zain. {Zeta. {Zeta. {Ze.

Becanus neemt anders dan jmant voor hem heeft gedaen / zommige Hebreuse letteren. Diet lust te weten leze zijn Hieroglijphica en Vertumnus3).

[p. 19]

[Der letteren in] +tgroot ende klein.

Gedaente in

Tgriex. Nederlants. Latijn.
Α. α. {A. a. aa. {A. a.
Β. β. b. {B. b. {B. b.
  {C. c. {C. c.
Δ. δ. {D. d. {D. d.
Ε. ε. {E. e. ee. {E. e.
Φ. φ. {F. f.1) {F. f.
Γ. γ. Γ. {G. g. {G. g.
  {H. h. {H. h.
Ι. ι. {I. i. ij. {I. i.
Κ. κ. {K. k.2) {
Λ. λ. {L. l.3) {L. l.
Μ. μ. {M. m. {M. m.
Ν. ν. {N. n.4) {N. n.
Ο. ο. ω. {O. o. oo. {O. o.
Π. π.5). {P. p. {P. p.
  {Q. q. {Q. q.
Ρ. ρ. {R. r. {R. r.
Σ. σ. {S. ʃ. ʃʃ. s.6) {S. s.
Τ. τ. {T. t.7). {T. t.
Υ. υ. {U. u. uu.8) {V. u.
Ξ. ξ. {X. x. {X. x.
  {V. v.9) {
  {W. w.10) {
Ζ. ζ. {Z. z.11) {Z. z.

Zeta is geen Latijnse letter / maer Griecse diet Latijn in Griecse woorden beziht12) / als mede K13).

[p. 20]

+C. * ende K. zijn uit der natuiren een letter anders allebeiden niet behorende te luiden dan die Nederlantse k.1) angezien c. alzo bide oude Latinen geluit heeft / ende daerom die Grieken geen c. noh die Latinen geen k. kennende2). Ha. is bide Grieken geen letter3) / maer daer zij geblaes tot een letter van doun hebben / tekenen zij die zelven boven aldus: ῾: ἁμα hama terstont4). Voor q. gebruict t'Griex k. Der Hebreuser letteren gedaente heb ic niet gestelt / mits dat zij doorde veranderijngen van Esdras5) met die Griecse en Latijnse zeer kleine gelikenisse hebben. Ende alzo haer twe en twintih letteren al consonanten zijn (zo inde lettertafel blijct) ende nimant die zonder vocalen gebruiken kan / hebben zij inder vocalen plaetse thien punten6) verziert7) / die zij onder / in / ende ter zide haer consonanten stellende / voor korte en lainge vocalen bezigen / nommende die zelven geen vocalen / dat is / klainkers / maer motores / dat is rourders8) / om dat haer consonanten daer door gerourt warden / hou wel die geleerste Hebreuën zonder puntvocalen / wel weten te lezen dat een ander inzien9) heeft10). Die punten zijn dees voor die weetlustige / ahterlatende11) haer namen als onnotelic.

 

Korte vocael punten: lainge vocael punten.



illustratie

+Boven die negentien Griecse letteren hier gestelt / hebben die zelve noh vijf ander die de Latinen / noh ooc zom die Hebreuën kennen noh gebruiken / en zijn deze.

[p. 21]

Name. Gedaente: groot en klein. Kraht.
Eta. H, N. uit t'Hebreus Heth. E. lainc luidende bina als onze ee1).
Theta. Θ. ϑ. uit t'Hebreus Teth. Th.
Chi. Χ. χ. Ch.
Psi. Ψ. ψ. Ps.
O-mega. Ω. ω. O. lainc luidende als onze oo2).

Hier / ende uit tvoorgaende mah igelic mercken hou onze letteren uit t'Latijn / die Latijnse uit t'Griex / die Griecse uit t'Hebreus en Caldeus zomen hout gesproten zijn / en welke landen nu ter tijt minst of meest / int schriven3) vande Latijnse fonteine4) / haer waerahtigen oorsproinc wiken. Angaende die Nederlanden om onze mouder niet ondaincbaerlic te verzaken gebruiken die Latijnse letteren / met die zelve name en Gedaente als die Latinen / uitgesteken zeer lettel veranderijngen / zomen eensdeels voor mah bemercken: eensdeels ist hier niet van node te stellen / angezien igelic die grote en kleine letteren om tfraiste / na zijns zins geeste men ziet ver-+anderen. Dus want5) wij der Latinen letteren / name / en gedaente * behouden / waeromme zullen wij der zelver letteren natuirlicke kraht / niet mede volgen? en onderhouden? om als zij tvoorneme6) onzer harten ongevalst bij geschrift te mogen7) stellen?

 

Van verscheide letters / maectmen syllaben: Van syllaben / woorden: Van woorden / volmaecte en onvolmaecte redens8). Syllabe is een Griex woort / dwelc die Latinen van hun (als meer ander woorden) ontlenen wij van alle beiden / ende is zo veel te zeggen / als iet dat tsamen genomen wart / wij zouden mogen zeggen: vougijnge en vougers / want verscheide letters bij een gevouht sijllaben / en voorts woorden maken. Sijllaben iet betekenende vint t'Nederlants van j. ij. iij. iiij. v. vj. vij. viij. letteren te weten u / at / nat / gaet /9) starc / schent / schurft / schrijft. Sijllaben die niet betekenen / vin ic mede van een tot aht letteren / dat ider in verscheide woorden metter tijt mah bemercken. Maer alzo sijllaben van consonanten en vocalen / tsamen vergaren laet ons der letteren scheidijnge / zo vele dees zake van node is beschriven / om door behoirlicke deilijnge / leren kennen igelix nature / en zo voorts die Diphthongen en Triphthongen daer uit spruitende / in welker

[p. 22]

natuirlic gebruic twel spellen en schriven ganselic gelegen is / alsmen der Consonanten kraht geleert hebbende wel en behoirlic verstaat.

 

+Die vier en twintih Nederlantse letteren warden gedeilt in vijf vocalen en negentien Consonanten. Die vijf vocalen breingen voorts vijf lainge vocalen / haer letters doubbelerende als die Grieken in e. en o. doun1). Voorts thien Diphthongen en zeven Triphthongen / alsmen in dees navolgende LetterTafel mah zien2).

 

Den Nederlander gebruict anders geen doubbele letters int begin der woorden (uitgenomen wa3)) dan die van twe of drij letters gemaect zijn / ende meest in s. ende t. want tzijn zoute doubbel letters die van een mute / ende semivocael tsamen vergaderen. sw. sp. sch. tw. ende meer dees gelijc4). voorts dr. gr. bl. pl. en meer als dees.

+Deilijnge der Nederlantse letteren5).

Vocalen thien.   Diphthongen thien.   Triphthongen zeven.
Korte. Lainge      
a. { aa. { Van verscheide korte vocalen komen dees Diphthongen6) ende Triphthongen. { ae.
{ ai.
{ au.
{ aeu.
{ aou.
{
e. { ee. { { ei.
{ eu.
{ eau.
{ eui.
j. { ij. { { ie. { ieu.
o. { oo. { { oe.
{ oi.
{ ou.
{ oui.
{
{
u. { uu. { { ui. { uae.

[p. 23]


illustratie

+21
11)oorsprong. Het bleek niet mogelijk om nauwkeurig te achterhalen op welke bron(nen) De Heuiter hier precies teruggaat. Zijn relaas is niet ver bezijden de waarheid; vgl. voor de geschiedenis van het alfabet o.a. James G. Février, Histoire de l'écriture, Paris 1948 en David Diringer, The Alphabet. A Key to the history of Mankind, London 19683. Ook Goropius Becanus besteedde aandacht aan dit onderwerp in het begin van zijn boek Hieroglyphica.
+Der letteren begin.
12)Tekst: ‘jmant’.
+Der letteren gebruic.
1)geheime zaken.
2)Artes liberales.
3)Tekst: ‘beschreuen’.
+22
4)wereldlijke.
5)belangrijke.
6)Tekst: ‘tGrix’.
7)Tekst: ‘liden’; wsch. drukfout.
8)‘zonder.... warden’: zonder ooit algemeen in zwang te zijn geraakt’.
9)Vgl. Twe-spraack, p. 28: ‘het blyckt uyt oude munt / óóck by de ghetuychenis van Jeronymus ende andere / dat de Jueden tót de Babilonische ghevangkenis een ander maxel van letteren (met den Samaritanen ghemeen) ghehad hebben: oubólligh van fatsoen / den huidendaagschen onghelyck / dóch van ghetal / kracht ende uytspraack eens / de ichtighe zoude Esdras ghevonden hebben ( )’. Vgl. ook K. Kooiman, Twe-spraack vande Nederduitsche Letterkunst, Groningen 1913, p. 106 over de mening van Hieronymus.
10)Tekst: ‘tzeuentih’.
+23
11)bedacht.
1)Vgl. Esdras 3, 39-41.
2)belangrijkste gedeelten.
+24
3)betekenis.
4)durvende.
5)bedenksel.
6)achterdocht, vermoeden.
7)Artes liberales.
8)minachtend.
9)vuur.
+25
10)het beste.
1)vooruitziend.
2)dwelc....gaen: een Latijnse zinsconstructie waarin het onderwerp van de hoofdzin in de deelwoordconstructie wordt geplaatst; lees: dwelc tot dezen dage....onderhoudende, die navolgende geleerden qualic....; ‘qualic’: nauwelijks, niet gemakkelijk.
3)zich.
4)overmacht.
5)Vgl. p. 98 waar hartziecten een vertaling van passien is.
+Der letteren waerdicheyt.
6)afgunst.
7)Vlaamse vorm.
8)literae.
9)streken, landen.
10)zintuigen.
11)gedenks, gedachtenis.
+26
12)eigenwaan, inbeelding.
13)voor.
14)intussen; i.c. misschien: sedertdien.
15)alsmede.
16)T.w. de letters.
17)geheim.
18)privileges.
19)Tekst: ‘Dees’.
20)kalender, of jaarboekje, speciaal voor de landlieden bestemd.
21)voorspellingen (o.a. over het weer, opgenomen in boekjes als almanakken).
22)Baccalaurei.
23)Baljuws.
24)bedroefd maken.
25)instemming betuigen.
26)weigeren.
1)Vgl. p. 69.
+27
2)bijeenkomst, verzameling.
3)onbeschaafdheid.
4)genoegen.
5)scheppende.
6)Tekst: ‘schriuers’.
+Vander letteren misbruic.
7)Tekst: ‘diphthongen ten lesten’.
8)De Heuiter zal hier hebben gedacht aan werken als De recta Latini Graecique sermonis Pronunciatione, Dialogus van Erasmus en De pronuntiatione Graecae Linguae van Cheke.
9)Van der Gucht en zelfs Sexagius, wier werk De Heuiter wel bekend was (vgl. p. 29-30), rekent hij dus niet tot de geleerden.
10)heersers.
11)ongeordende, slordige.
+28
12)omdat.
13)zick getroosten.
14)het niet als iets zonder betekenis achtende.
15)gedachte.
1)onopgesmukte, duidelijke.
2)niet ontleende.
3)De Heuiter toont zich hier niet alleen een voorstander van purisme, maar blijkt ook het nut van een goede syntaxis in te zien.
4)doorstaan.
5)verachting, geringschatting.
6)argumenten.
7)erken.
8)Romeinse.
+29
9)voordat die vanuit Italie haar oorlogsgeluk opgezocht had.
10)verwaarlozing, gebrek aan zorg.
11)Vgl. Twe-spraack, p. 91-92: ‘O appelbóóm, schryfpen, zandbus, ende dierghelyke ontellike alzó tzamenghelascht: in zulcker voeghen maghmer daghelycks veel t'samenzetten / die gróte cieraet ende ryckheid inbrenghen / ende zyn te verstandigher om datter de betekenis beyder wóórden in is / hier in hebben wy ghelyck de Grieken meerder ryckheid als de Latynen /’.
12)Vgl. Twe-spraack, p. A2r: ‘ja hoe gróten onderscheyd isser int Fransóys dat wy in ons jueght gheprint zaghen / by het huydendaagsche’.
13)De Heuiter begon dus rond 1575 met het schrijven van zijn boek; vgl. D, p. 64.
14)T.w. de ‘Tael Schoolmeesters / en andere geesten’.
1)Anthonius Sexagius; vgl. voor de invloed van Sexagius op het werk van De Heuiter D, p. 51-53 en hst. III passim. Ook in de commentaar van deze tekstuitgave wordt vaak de relatie tussen Sexagius en De Heuiter aangegeven.
2)Uit Sexagius' werk blijkt nergens dat hij er acht jaren aan gewerkt zou hebben.
+30
3)gewoon.
4)Vgl. de titel van Sexagius' geschrift: ‘De Orthographia Linguae Belgicae, sive de recta dictionum Teutonicarum scriptura, secundum Belgarum, praesertim Brabantorum, pronuntiandi usitatam rationem’.
5)gewest.
6)soms.
7)Tekst: ‘gebleuen’.
8)‘Artes liberales’.
9)opvattingen.
10)Zie over hem J.F. Vanderheyden, Adriaan vander Gucht en zijnVlaemsch Orthographie’; enkele Kanttekeningen, in VMVA 1963, p. 5-21, met bijlagen verzorgd door A. Schouteet. Zijn spellingboeken zijn verloren gegaan, althans nog niet teruggevonden. Een onderzoek dat door L. van Belkom werd weergegeven in zijn Nijmeegse scriptie Klank en spelling van het Cijfer Bouck van Adriaen vander Gucht (1967) toonde aan, dat Vander Gucht exclusief Brugs vermeed in genoemd boek; zijn taal blijkt algemeen-Westvlaams gekleurd te zijn.
11)Deze spelling is in tegenspraak met de regel van p. 64: het teken ij komt nooit voor aan het begin van Nederlandse woorden.
+31
1)De bekende drie betekenissen, ook al bij Priscianus terug te vinden in I 6: ‘Attigit igitur literae nomen, figura, potestas’, waarheen Goropius Becanus, Hermathena, p. 42 verwijst; vgl. D, p. 76. Zie over deze kwestie Caron, p. 10 e.v. en, mogelijk in navolging van deze: David Abercrombie, What is aletter’?, in Lingua 2 (1949), p. 54-63 (voor de samenhang Caron-Abercrombie: C.F.P. Stutterheim, Eenheid, tweeheid en drieheid van tweeklanken, in Forum der letteren 3, (1962), p. 11-32, p. 29, noot 8).
+32

1)Tekst: ‘Taf’.
2)U.
3)In 1580 verschenen in de Opera Ioan. Goropii Becani, Hactenus in lucem non edita.
+33

1)Tekst: ‘f. ff.’.
2)Tekst: ‘k. k.’.
3)Tekst: ‘l. l.’.
4)Tekst: ‘N. n. oo’; deze oo heb ik 1 regel lager opgenomen.
5)De op deze regel geplaatste omega heb ik 1 regel hoger opgenomen.
6)De lange s werd door Plantin ook in de tekst van het boek gebruikt; om praktische redenen is het onderscheid tussen beide tekens niet gehandhaafd.
7)Tekst: ‘t. t.’.
8)De hoofdletter die hier werd gedrukt, is van een lettertype dat in Nederduitse Orthographie verder nergens meer voorkomt.
9)Tekst: ‘v. v.’.
10)Tekst: ‘w. w.’.
11)Tekst: ‘z. z.’.
12)Vgl. p. 60.
13)Vgl. p. 50.
+34
1)Vgl. Goropius Becanus, Hermathena, p. 118: ‘nobis constat C & K idem esse; atque inde mox liquet, nomen huius litterae Ke esse debere’.
2)Vgl. Erasmus, kol. 930: ‘c, cui respondet apud Graecos k’.
3)Vgl. p. 48, vooral aant. 5. De Grieken beschouwden het teken dat de klank /h/ verbeeldde, dus niet als een letter.
4)De zgn. spiritus asper.
5)Vgl. p. 23.
6)Vgl. Twe-spraack p. 29 over het Hebreeuws: ‘Namaals heeftmen de punten óf tittels (tót behulp der leerlinghen) boven / in / ende onder de letters gevoecht’.
7)bedacht.
8)Tot nu toe heb ik niet kunnen achterhalen waar De Heuiter deze term aan ontleende.
9)bedoeling, betekenis.
10)Vgl. Twe-spraack, p. 29: ‘Dóch de gheleerde (hebreeuwen en hebraïsten) lezen meestendeel nóch zonder punten om dattet dick twyfel-achtigh is wat mening d'oude schryvers in zommighe wóórden ghehad hebben / welker beduyding met de verandering van een tittel dickwils veel verscheelt óf gheheel strydigh is’.
11)achterwege latende.
+35
1)Vgl. p. 44.
2)Vgl. p. 52.
3)Tekst: ‘schriuen’.
4)bron.
+36
5)omdat.
6)bedoeling (Kil.: ‘intentio, sententia’).
7)kunnen.
8)zinnen.
9)Het leesteken ontbreekt in de tekst.
+37
1)De Grieken die voor deze twee lange klanken zelfs een apart teken bezitten; vgl. p. 35.
2)P. 38.
3)Terwijl De Heuiter op p. 38 slechts één dubbele letter voor het Nederlands vermeldt: x. Waarschijnlijk speelt hier de benaming ‘dubbele u’ hem door het hoofd, die hij op p. 55 overigens zal verwerpen.
4)Naar ik meen dient de punt die in de tekst achter voorts staat (‘dees gelijc voorts. dr. gr.’ etc.), achter gelijc te worden geplaatst.

+38
5)Voor commentaar zie aant. bij p. 39-40.
6)Tekst: ‘Diph-hongen’.
prepostterug  begin  verder