terug  begin  verderprepost

+Des letter-Tafels breder verclarijnge.

Deze vijr en twintih letteren4) / waer af die Latinen maer twintih kennen5) / ende bij haer alzo voorseit is gedeilt6) / scheiden zij in vocalen en Consonanten. Vocael is zo veel te zeggen als klaincker7), aldus genomt om haer natuirs kraht uit te drucken / mits dat zij zonder bistant van eenige ander

[p. 24]

letter / t'geluit datmen hoort alleen geven1) / te weten a.e.i.o.u. Die korten warden alzo genomt / want sij een sijllabe korten tijt om uitspreken laten: of om datmense zeer korten tijt inde sijllaben hoort. Die laingen / want zij lainger tijt laten om uitspreken: of lainger tijt in een sijllabe gehoort warden2) / als in bat / baat: let / leet: zin / zijn: grof / groof3): put / puut4). Vande vijf korte vocalen warden j. ende u. consonanten / zo wel bij ons / als bide Latinen5) / als in jent / juist / joc / ja: vader / vel / vil / vol / vuil / vliegen / vrout6) en dezer gelijc / dus behoren dan groot geschreven te warden / daer ic hier na op elx plaetse meer af zeggen zal7).

Consonanten, dat is: meklainkers, want zij zonder vocalen meest stom / en zonder geluit bliven / als b.c.d.g.p. zonder a.e.i.o. of u.8).

Diphthongen / dats tweklainckers / genomt / want altoos van twe verscheide korte vocalen gemaect / zij in ene sijllabe der zelven geluit / als tsamen gesmolten tot eender tijt laten horen9) / als: waer / leit / dier / noit / kruit.

[p. 25]

+Triphthongen (die t'Latijn noh Griex niet kennen1) dats te zeggen Driklainckers2), alzo genomt / want altoos van drij verscheide korte vocalen gemaect / zij der zelven geluit in ene sijllabe / al of3) zij t'samen waren gesmolten uit drucken4) / als: foui / flaeu / nieu / gaout5) / speui6) / geau7).

Muten, dats stomme consonanten / niet dat zij geheel stom zijn / maer plomper en botter van geluit / dan al dander consonanten starker horende hun vocale (die naa8) staat) dan consonant9) / als be / de / ce / ge.

Semivocalen, dats Halfklainckers, om dat zij zere der vocalen nature genaken / want haer nommende / mout altoos die vocale voor10) stellen / nohtans wel zo11) starc hun consonant als vocael horende12) / als / el / em / en / ar / ef / es13).

Simpele Halfklainckers, zijn die nimmermeer14) dan voor simpele / eenvoudige letters dienen.

Doubbele, die voor twe letters staan / of twe letteren kraht vouren / en doun als hier na in x. breder zal bliken15).

[p. 26]

Noh deilen die Latinen die simpele semivocalen in liquidas en firmas1). Liquidae dats vlouiënde consonanten2) / zo genomt om dat zij bide Griecse en Latijnse Poeten zeer lihtelic een sijllabe kort / ende weder lainc maken3). Firmae, dats vaste semivocalen4) / om dat zij haer natuir altoos behoudende / die sijllaben eenvoudih laten5) / daer ic af zal swigen / want onze gemeen +Rijmmakers geen lainge noh korte sylla*ben anzien6) / gelijc7) meer ander scharpzinnige deilijnge der letteren8) / mij kerende om der zelven kraht en gebruic den Nederlander te beschriven / angezien dat dit die bizonderste oorzake vant tegenwoordih9) werc is / maer niet meer dan den zelven10) van node zal wezen om te geraken totter Vocalen, Diphthongen en Triphthongen kennisse / en natuirlic gebruic11).

+39
4)J en y ontbreken, vgl. p. 38, 50, 63-64.
5)Het Latijn kent h wel als klank en teken, maar niet als letter, vgl. p. 48. Verder heeft het, naast j en y, k, v en w niet.
6)De Heuiter verwijst hier waarschijnlijk naar p. 32-38, waar echter nergens een echt overzicht geboden wordt.
7)Lambrecht noch Sexagius heeft deze term die geen ingang heeft gevonden. Spiegel was waarschijnlijk de eerste die klinker gebruikte, hoewel hem ook andere benamingen bekend waren; vgl. Twe-spraack, p. 15 waar op Gedeons woorden: ‘Onder de voors. letters zyn vyf vocalen, die wy klinkers zouden moghen heten / om datze by haar zelven gheklanck gheven’ Roemer de vraag stelt: ‘hoe? klinckers / zyn dat niet ghebacken stenen / my staat voor zommighe de zelve letters luyers ófte klainkers noemen’. Spiegel ziet geen bezwaar in de homonymie. Gezien de merkwaardige spelling klainkers kan men zich afvragen of Spiegel De Heuiters boek soms heeft gelezen.
1)Zie voor Spiegel de voorafgaande noot. De Heuiter vermeldt niet zoals de meeste klassieke grammatici, het feit dat vocalen zelfstandig een lettergreep kunnen vormen. Vgl. ook Goropius Becanus, Hermathena, p. 42: ‘Vocales similiter & per se mouentur, ad perspiciendam syllabam, & consonantes mouent secum’; en p. 43: ‘Vocales itaque per se & auditum mouent, & in aëre moto per se gignuntur’.
2)De moderne oppositie verlengbaar-niet verlengbaar speelt hier nog niet; evenmin het scherp of zwak gesneden zijn van klinkers; zie echter p. 47 en 65-66 en aant. Ook Janssen I, p. 17 wijst erop ‘dat voor het gevoel van de taalgebruiker de uitspraak van de korte vocalen zich binnen één tijdseenheid (unum tempus) voltrekt, terwijl de uitspraak der lange vocalen twee tijdseenheden (duo tempora) duurt. () Naar verhouding is de duur van een lange vocaal zowel in woorden van grotere als van geringere omvang het dubbele van de tijd, die men nodig heeft voor het uitspreken van een korte vocaal’.
3)Niet in WNT; vgl. ook p. 65 noot 10.
4)puit, in welke van de in WNT XII, kol. 4780-84 gegeven betekenissen dan ook. Een enkel van de gegeven voorbeelden ook bij Erasmus, p. 947 A: Bat-Baet en Sexagius, p. 197: baat-bat (‘plus, vel melius’), p. 242: bat (‘balneum’)-baat (‘commodum’), p. 244: put.
5)In de eerste eeuw na Chr. werden j en v in het latijn halfvocalen, consonantische vormen van i en u; de tekens j en v kwamen pas in de 16de eeuw in zwang dank zij Petrus Ramus; vgl. Niedermann, p. 12. We nemen hier dus aan dat De Heuiter over tekens spreekt: wanneer hij het over klanken of etymologische ontwikkelingen heeft, gaat zijn uitspraak zeker voor het nederlands niet op; vgl. D, p. 149. Gezien echter p. 55-56 rijst de vraag of De Heuiter niet inderdaad van mening was dat de klank v in bepaalde posities uit u ontstaan was.
6)Zie p. 50 en 55-58 met aantekeningen; vgl. voor j ook Twe-spraack, p. 16-17: ‘Belanghende de i wanneer die t'zy voor ófte int wóórd / d'eerste letter van een silb is ende datter een klincker vólght zó isse veeltyds een Meklinker: als in Jan, ia, ient, iicht, ióck, iuck ()’.
7)P. 50 en 55-58; ook p. 85-86.
8)Tekst: ‘of. u.’. Zie ook De Heuiters formulering op p. 64 en D, p. 87-90 met o.a. citaat uit Goropius Becanus, Hermathena, p. 43: ‘Consonantes enim, Priscianus inquit, sine vocales immobiles sunt’. Vgl. ook Twe-spraack, p. 16: ‘Consonanten, dats Meklinckers, om datse by haar zelven gheen maar van den byghevoeghden klinckers haar gheklanck kryghen’.
9)In tegenstelling met Lambrecht en Sexagius (vgl. D, p. 84) formuleert De Heuiter dat een diftong wordt voorgesteld door twee verschillende enkelvoudige vocaaltekens; vgl. ook Twe-spraack 33: ‘diphtonghen () om datse van twe ófte meer der voornoemde vyf klinkers onderscheidlyke eigen gheluiden t'samen worden ghezet’. Vgl. Janssen I, p. 30.
+40
1)Wel het Frans, vgl. p. 78-79. Hier wijkt De Heuiter dus welbewust van het Latijn af.
2)Op p. 38 gaf hij 7 triftongen; vgl. D, p. 85-87. Lambrecht gebruikt de termen triftong of drieklank niet, hoewel hij spreekt van ‘vocaalsilleben van twea / alleane / tzy ghelike of onghelike: maar van dry / ende vier vocálen ghemaakt’. Sexagius, p. 233 kent triphthongi, maar spreekt alleen over oui. Twe-spraack, p. 33 schrijft over ‘triphthonghen dats drieklancken, die van drie klinkers ghevoeght wórden: maar wy zullense hier onder den naam van tweklanken alle bevanghen’. In Frankrijk onderscheiden b.v. Meigret en Ramus de diftongen en triftongen in feite niet, terwijl de beide Estiennes dit wel doen; vgl. voor de laatsten Livet, p. 354-361.
3)alsof; vgl. WNT II, kol. 88.
4)De drie onderling verschillende vocaaltekens drukken dus samen één klank uit; vgl. De Heuiter, p. 79: ‘() alle der drij vocalen geluit tsamen in ene sijllabe gesmolten haer openbarende / dat alle triphthongen eigen is’.
5)goud; vgl. p. 76.
6)spui, sluis; vgl. p. 80.
7)geeuw; vgl. p. 79-80. Ook in de voorbeeldenreeksen bij Spiegel ontbreekt uae; vgl. Twe-spraack, p. 33-42. Maar ook De Heuiter schrijft op p. 80: ‘uae. Deze waer niet ontfaincbaer ()’.
8)erachter.
9)Bij het uitspreken van de naam van de muten ‘klinkt’ de vocaal sterker dan de consonant zelf. Omdat bij de w de vocaal achter staat, rekent De Heuiter deze letter dus ook tot de muten, in tegenstelling tot de moderne fonetiek. Lambrecht en Sexagius maken binnen de consonanten geen onderverdeling, evenmin als Spiegel. De Heuiter baseert zich op de klassieken of op het Frans. Opvallend is zijn juiste informatie dat de muten niet geheel geluidloos zijn; men verwarre De Heuiters stom (= geluidloos) niet met het fonetische en fonologische begrip stemloos. Vgl. ook p. 41-42 over de letter b die ‘bina stom uit den mont niet kan geraken’.
10)voorop.
11)even.
12)Er gaat bij het uitspreken van de naam van de semivocalen immers een korte vocaal vooraf, zodat de consonant zelf sterk klinkt; vgl. p. 47: ‘f. () starc en volkomende na korte vocalen’.
13)Van Heule II, p. 3-4 draait muten en semivocalen precies andersom; merkwaardig genoeg laat ook hij bij de letters x achterwege, die ook volgens De Heuiter, p. 59 tot de semivocalen gerekend dient te worden. De naam ar wijkt hier af van p. 38 en 53.
14)nooit.
15)Vgl. p. 59-60. Door z niet tot de dubbele consonanten te rekenen (uiteraard telt hij z niet bij de semivocalen), wijkt hij duidelijk van Latijn en Grieks af; vgl. p. 60 en aant.
1)Bij geen van de Latijnse grammatici die ik raadpleegde, trof ik deze indeling aan. Priscianus gebruikt wel de term liquidae, niet firmae (vgl. Priscianus I 11). Was De Heuiter soms in de war met de oude Franse grammatici die wel liquides en fermes kenden (vgl. Livet, p. 194-195)?
2)Vgl. Livet, p. 193-194: ‘Les demi-voyelles liquides sont ainsi appellees, non pas quelles ne soient aussi bien souvent fermes, mais pourtant que (parce que) quelquefois elles sont quasi fondues et liquefiees en leurs sons’; Ramus rekende tot de liquides s, r, l, m, n.
3)Vgl. Priscianus I 11: ‘sunt similiter ancipites vel liquidae, ut 1 r, quae modo longam modo brevem post mutas positae in eadem syllaba faciunt syllabam’.
4)Vgl. noot 2.
5)Dus geen invloed hebben op de duur van de lettergreep.
+41
6)Acht slaan op, werken met; vgl. ook Twe-spraack, p. 55-56 over de duur van de versvoet: ‘De Reedners van ouds / hebben dit in haar schriften / mede waarghenomen / maar onder ons ist zó heel vreemd / dat wy Rymers / naulyx óyt daar af hebben hóren spreken / ick laat staan / dat wy in ons dichten daar op zouden achten’.
7)Vul aan: ‘ic zal swigen’.
8)Zoals in nasalen, dentalen, spiranten etc.
9)dit.
10)‘den Nederlander’.
11)Vgl. p. 17 en 36 waar De Heuiter op het grote belang van een goed gebruik van deze tekens wijst.
prepostterug  begin  verder