gehemelt met tamelic1) geblaes rakende opent die zelven2) blidelic en ongedwoingen / niet gelijc den Hollander jae3) / den Flamijnc joa4) / den Brabander bai / mai / wai / blatende doun5). A. is een vande starcste vocalen6) / ende wil in veel woorden (lainc zijnde) gedoubbelt zijn7) / daermen qualic die Diphthonge ae. schrijft / als laat / baat / graat / staat / etc.8).
+Eerste vande stomme consonanten / welcke bene*mende haer hulp vocale e. gevouildi9) dat die letter bina stom uit den mont niet kan geraken / voor datse10) e. open dout / wardende door haerhulpe / en11) lettel wints voor tuschen die lippen / met mouite geboren12). Onder ander letteren is haer naeste gebuir
Twede stomme consonant bij d'oude Latinen / tot d'afgaen9) des Romse Rijx ghenomt: ke10): zijnde mitsdien grote gebuiren c.k.q.11). Zij komt voorts als dander / mits hulpe van e. t'scharp12) vande toinge / aende voortanden stotende13) / ende als k. ende q. door weinih geblaes openende14). Zomen c. nu ter tijt over al nomt15) / heeft zij geen gebruic medallen in d'begin der Neerlantse woorden / en lettel onderscheits met s. ja om dat zij nae maschap is met k. zoudemen een van beiden mogen verwarpen16) (hebbende in d'begin onzer woorden een17) geluit / als dicmale mede in t'middel en einde) ten ware dat in schoon / scheen / schoun / scheel / schort / schult / gescheurt / geschil / schael / school en ander dees gelijc tuschen s. en h. die k. haer nature18) geensins kan bezigen c. een weinih / hou wel s. en h. geheel haer zouken te verdrucken en verdoinkeren19) / maer tsamen bij een gestelt / konen20) zonder haer of ander letter geen sijllabe maken21) / daerom c. of
+ander letter moutende liden. Summa in alle woorden * daer sc. mout wezen1) / dient veel beter c. met haer gemeen name dan k. Mede verchiert2) c. t'geschrift daer anders twe c. ofte k. zouden mouten komen bij een3) / als hier: backen / snacken / dacken4) / kacken / becken / gecken / plecken / decken / wecken / micken / licken / sticken / docken5) / pocken / stocken / jocken / stucken / verdrucken / gelucken / plucken / rucken / jucken. Desgelijx dient haer bedorven name / daer anders twe h. zouden willen zijn / als: lachen / prachen6) / hachen7) / kichen8) / kochen9) / trochen10) / daer nohtans beter ware c. ahtergelaten / en aldus gespelt: lah-en / kih-en / troh-en / prah-en / met meer ander waer in der menschen gewente om tquaet uit te rouien meest mout wercken11). Die Frainsoizen12) als haer meesters de Latinen / schriven mede dees letter c. dicmale qualic / en sprekenze wel / ende dat meest altoos voorde starcste vocalen a.o.u.13) / zo wel in d'begin als middel der woorden / te weten: car, cause, capituler, cauer14), caue, conseil, contract, confusion, escu15), occuper, cuuer16), cupe met diergelike / daer ghij c. ziet en k. hoort / ten ware h. tuschen beide17) komende die hartheit van k. in18) c. veranderde / als: chanson, chose, chaut, chauffer; maer voorde vocalen e. en i.
behout c. haer valsen naem / te weten: cest, ce, cent, prince, place, cincquante, ancien, circonvoisin, esclaircir1), met duizent ander.
+Een vande stomste consonanten / t'scharp2) vande * toinge zonder geluit / die bovenste tanden bina slaende daer niet uit konende3) geraken / ten ware e. haer vromelic4) hilpe5). Zij heeft groote gemeenschap met t. woort / voort / hoort / got / bat / hat / zat / mat: woord / voord / hoord / god / bad / had / zad / mad. Ic gebruike in d'einde der voorseide woorden / liever t. dan d6).
Twede vocael / een die inde uitspraec kleine maht7) hebben / tzelve thonende haer laf8) voorkomen / daer zij nohtans boven onder t'monts gehemelt9) door lettel wints10) geboren wart / met lansem11) den mont en lippen t'openen12) / ende daeromme bequame / onscheidbare / bistanterse der stomme consonanten en semivocalen. Dees schriven die Grieken aldus ε. en makender aldus η. een lainge ee. af / oft aldus εɜ. van twee hunlij13) ee. gemaect ware14).
Is een harde semivocael1) / want haer porrende zonder e. voorts te breingen / gevouilt2) bina onmogelic zijn / blivende tuschen die tanden verwart daer zij geboren wart / alzo die kinne donderste lippen aen de boven tanden stoot3) / en mitsdien van Quintilianus beschimpt4). Die Latinen makense een half vocale / maer zo Priscianus wil zonder reden / behorende onder die stomme consonanten te wonen5). Des te min heeft zij haer oude plaets be-+houden / daer ic haer late. Die zelve Latinen hebben deze * letter (als alle dander) vande Aeöliennen / (zeven Griecse Eilanden / Sicilien en Italien gebuiren) mede ontfaen6) / diese aldus F. schrivende met haer Tale nommen: Vau7): maer nergens anders gebruiken dan die Latinen / en wij Nederlanders v. consonant doun8) / hou wel d'outste Latinen f. gebruicten voor ph. dat bide Grieken een letter van desen φ9). maecsel is / tot dat die navolgende Latinen geen ph. in Latijnse woorden meer willende gebruiken f. stelden daer zij te voren ph. schreven / maer f. zonder geblaes / en met ongesloten lippen uitsprekende / dat die Grieken in hun φ. niet konen10) doun11). Dander Grieken nomden der Aeöliennen Vau: digamma12) / mits dat Gamma in
t'Griex de name des letters g. is welke zij onder
ander maecsels1) aldus Γ. schriven. Geeft dees int middel een korte
linie / aldus F. hebt der Aeöliennen: Vau: van twe Gamma /
aldus
gemaect2) / ende daerom bij dander Grieken
genomt / digamma / dat is doubbel Gamma of g. waer af der Latinen en onze f.
komt. Die Grieken kennen geen f. noh die Latinen hunlij3) φ. maer die Grieken gebruiken
in f. plaets φ. van hunlij genomt fi. om datse de kraht van f. enihsins
voldout. Die vijfste Keizer na Julius Cesar genomt Claudius / hadde in zijn
tijt tot4) die 23.
Latijnse letteren gevonden drij nieuwe / waer af dit X. een was van hem
ghebruict inde plaetse der Grieken ψ5) dat
zij +nommen psi. die Latinen en wij bezigen daer vore ps6). Dander nieuwe * letter was F. aldus Ⅎ. omgekeert / welke hij
gebruicte voor v consonant / maer zijn alle drij met den Keizer gestorven /
niet tegenstaende hij een bouc van haer nature en kraht / zelve geschreven
hadde7). Ende
hou wel t'Sestih die zelve gaerne weder in tliht zoude breingen8) /
zorge9) dat
hij niet mere dan Keizer Claudius zal verwarven. Angaende mij10) / waer wel van
zinne des Keizers gestorven letter door t'Sestih verwect11) in tleven houden
/ als mede te volgen zijn zinne / rourende12) die consonant wa. waert zake dat
imant tzelve begonnen hebbende van geähte mannen gevolht wart / maer deerste
zijn13) die in mijn schrift
/ ongezien letteren zoude stellen ende oude ahterlaten / zorge meer belaht
en begect dan gevolht te warden. Niet dat ic lasteren14) wil hunlij geredent voornemen / maer dat tzelve qualic
onder d'ongeleerde gemeente is
tot ufenijng te breingen / zo geweldigen Tijran is: Gewente1): Leest hier meer af inde letteren u.va. wa2). f. ende v. consonant zijn na gebuiren: vader / fader: vrient / frient: vreemt / freemt: vroom / froom: vragen / fragen: vlagen / flagen / en daerom wil f. zeer zelden in dbegin van oprehte Neerlantse woorden gevonden warden / wel die wij vande Fransoizen / Latinen / Duitsen / of ander landen gebruicken3) / als zijn: faem / faets4) / flainc / fluit / fijn / fris / foinc / floinc / freuit met meer ander5) / maer genouh in t'middel en einde der Neerlantse woorden / als: ontfaen / ontfijnc / heffen / +neffens / teffens / * seffens / draf / graf / laf / straf / gehef / gekef / besef / stijf / lijf / wijf / gekijf / graaf / schaef / gedraef / neef / dreef / heef / of / lof / stof / gesuf / gepuf / ende dezer gelijc in welke ghij die f. komende nae een Diphthonge of lainge vocale krainc / of slap van krahte hoort: weder6) starc en vol komende na korte vocalen. Maer dit is die natuire van korte en lainge vocalen / dat lainge vocalen en Diphthongen (die van haer natuire mede lainc zijn) alle consonanten hun volgende / schinen te verkraincken / mits dat zij laingen tijt inden mont bliven: alzo weder korte vocalen die zelve schinen te verstarcken / uit den mont slibberende zeer lettel tijts / en krainc van geluit in een sijllabe hun latende horen7).
Alzomen dees letter overal qualic nomt / heeft zij grote gemeenschap met j. consonant8). Maer gewent die kinderen ge. te zeggen / alzo den Brabander ghei / ja wij die zelve in alle woorden met g. beginnende / nommen / te weten: gaen / gapen / gaven / geven / gegeven / gelijc / giften / geloven / gout / geen / gemeen / gulzih / met duizenden dees gelijc / zo zuldij die kinderen min mouiten dounde die letteren leren nommen alzomen die leest / en voortaen mogen schriven: gij: met meer duizent woorden / zonder d'onnotelicke
Is bide Grieken geen letter / noh vande Latinen noit met gemeen gedoge daer voor ontfaen / dan alleen voor teken om t'geluit des vocaels daer zij voor stont / door een lettel geblaes starken en vermeerderen5) / zomen merct dat die kraht des letters inheeft / en daerom nimmermeer bij hunlij in d'einde van volmaecte / of iet betekenende woorden komende6) / waerom ooc noh geen geleerde Latinen tot dezen dage willen dat zij plaetse zal hebben / dan alleen voor vocalen en diphthongen / schrivende: vehementer, comprehendo, hanc, mihi, triumphus, met meer duizenden daer zij plahten te schriven: veementer, compreendo, anc, mij, triumpus, en naderhant weder zo zere h. gebruikende / dat zize in alle woorden voor vocalen en consonanten gebruicten /
als: chorona, chommodum, hinsidiae, chenturio, praecho, chelo, chado, daer Catullus1) en Quintilianus2) oude Latijnse schrivers mede gecken / welke geblazijnge die Hooh-duitsen noh dezen dage / en dieze als frai nabootsen zo zere onderhouden / dat zij meer schinen der honden gebas3) / of slaingen geblaes / dan een minnelicke / menschelicke tale voorts te breingen. Ende angezien dat h. bij ons zo wel voor consonanten als vocalen (zonder lelic +geblaes) * mout komen / en duizentih woorden sluiten / hebbe ic haer als ons ouders4) mede voor letter dopende bide stomme consonanten gezet5) / om dat haer notelic een vocale volht / ahterlatende der geleerden scharpzinnicheit. Dat h. voor vocalen en diphthongen komt is alle man bekent. Maer na vocalen en voor consonanten / in d'begin en middel der woorden blijct hier: ahterwaerts / volhden / gewihten / lihten / rehten / slehten / knehten / krahten / gedahten / geslahten / nahten. In tleste der woorden na vocalen en voor consonanten: zaht / laht / naht / daht / weht6) / sleht / geziht / vliht7) / riht / niht / doht / noh / bezoht / beduht / geruht8). Niemant dar9) hem verwonderen dat wij int leste van veel woorden na vocalen h. schriven / angezien die Grieken en Latinen dat in geen volkomen woorden haerder tale kennen10) / daer t'Nederlants niet an gebonnen is / dwelc hier in volht d'oude Hebreuën / Siriennen / Arabiennen / en Aegijptenaren die woorden genouh met geblaes of h. einden. Leert die kinderen zeggen ha. niet haetse / op dat
zij van geen letter een Franse bijl maken1) / hun gewennende alle letteren een sijllabe te geven / om tgemaclic nommen en liht spellen. Waht u mede h. te gebruiken als den Flamijnc dout2) / maer volht hier alle dander Nederduitse landen eendrahtige lieflicke zede en maniere. Die geboorte van h. is gout om mercken / zijnde niet dan een windigen asem die door stil betrec +vande kaecbenen omtrent t'gehemelt wart geboren3) / haer * mits enige vande vocalen bekent makende4).
Is onder alle die vocalen minst van geluit / ende wert bina als e. geboren / maer meer omtrent die tanden5) / door zeer stil geblaes / ende met meerder openijnge des monts en lippen6) / zulx dat het een vrouweletter schijnt om minlic te spreken. Zij wart consonant komende voor een ander vocale of diphthonge7) / waerom men haer dan zal schriven groot / of gestaart / als: Jacob / Joost / jammer / jent / jonste / joinc / juist. Desgelijx komende in tmiddel der woorden tuschen twe vocalen: gejuct / gejoct / gejont8) / dwelc men zo openlic hoort datze die Grieken en Latinen in zulker vougen voor doubbel consonant nemen9) / dat in onze tale zo niet en valt.
Kennen die Latinen niet dan in Griecse woorden1) / daer wize af hebben meer gebruikende dan c. angezien c. gelijc g. anders van ons als letter / anders int lezen genomt warden2) / en dan zij in woorden klijncken / te weten: crame / cleeft / clijft / climmen / comen / clein / cort / crommen / claer / cluwen / en dezer gelijc die wij met c. schriven / nohtans met k. spreken en geschreven3) behoren te zijn. In d'einde der woorden daer c. of k. mah vallen / geve ic igelic zijn keuze4). In tmiddel der woorden / die nature des +letters rade ic t'anzien. maer in tbeginne schrijft altoos k. * nimmermeer5) c. alzomen spreect / te weten: krame / kleeft / kjijft / klimmen / komen / klein / kort / krommen / klaer / kluven / etc.6) K. wart met wat mouitens middel inden mont / met volle kaken geboren / weinih tvoorste des toinx rourende / eerlic ende lettel / die lippen openende7).
Eerste vande simpele vlouiënde consonanten8) / wardende geboren als ons toinge die rehter zide ons monts gehemelt stille slaet / den mont lettel en blidelic openende9). med' is l. d'eerste vande semivocalen/ want haer noh haer gezusteren / men niet kan nommen zonder e. of ander vocael voor te stellen / waer dore zij half vocalen schinen te warden / want indien ghij haer
vocale wilt na stellen / zult gewaer warden dat die semivocalen bina die helft van haer natuirlicheit zullen verliezen / ende haer kraht geheel verplompen en bot warden1).
Is een sware semivocael / die met gesloten mont inde lippen geboren wardende2) niet zonder gelikenisse van stil kouien / geroup of geloui3) voorts komt / zoudende haer zelven geheel beschamen / ten ware die voorgaende e. hare ere bewaerde. Dus of m. komt in dbegin / middel / of einde der woorden / geeft altoos tzelve doincker en plomp geluit / zulx dat altoos die vocalen bij haer komende / starker luidende / haer als natuirlic viant schinen te verdrucken.
Valt4) vriendelicker5) dan m.6) spruitende voor uit den mont die lippen weinih vande toinge wardende geslagen7) ende geopent / zo dat zij schijnt een klein / stil / minnelic geklainc of getin8) mede te breingen. In dbegin en einde der woorden / is n. krahtiger dan m. In tmiddel niet / ten ware daer zij gedoubbeleert wart9) / als: minnen / vinnen / zinnen / winnen / binnen / rinnen.
Een vande vijr Latijnse letteren / te weten f. h. q. u. den Grieken in dees gedaente enihsins9) bekent / al gebruiken zij der zelver kraht. Is een stomme +consonant die door hulpe der vocalen u. (dieze alleen10) helpt / anders onvruhtbaer) op de maniere van c. ofte k. bina geboren wardende / maer die lippen min openende ende door intreckijnge der kaken wat uitstekende11) / haer bekent maect12) nergens tou dienende / dan om dander vocalen (bij haer zonder u. niet konende geduren) met haer te verenigen / als blijct in quaet / quam / quelt / quist / quijt / met meer dezer gelijc / dwelc die Fransoizen niet konende naspreken / zeggen zeer ongeschictelic / voor: qua, que, qui, quo, quu: ka / ke / ki / ko / ku / volgende die nature der Latijnse Poëterie /
daer zij d'Oratoren behoorden te volgen1) / dwelc hunlij noh al te vergeven ware / banden zij uit hun a.b.c. die q. als die Grieken doun / maer houdende en gebruikende met die Latinen q. bederven en valsen haer uitspraec / waer voor wij ons wantende mouten die kinderen gewennen te zeggen qu. zo wize lezen2) / niet ku. als den Fransois dout en Latijnse Poët die wij niet te volgen hebben. Niet dat ic ontkenne q. met k. en c. alzoot die Latinen noomden grote gebuirschap te hebben / ja lide3) en kenne die zelve zeer na te wezen / maer niet een daer mede.
Wart een honts letter genomt / om dat haer uitspraec gelijct tgegnor4) van enen grammen hont5). Zij komt ahter uit den mont / die toinge voor +een lettel opwaerts krommende ende die lippen openende6) /en * mitsdien swaer om uitspreken den genen die dic en kort van toinge zijn / nohtans alle talen bekent en notelic.
S. die twede vaste simpele vocael7) wart geboren tuschen die twee lippen / die zelve een weinih rourende / ende hart omtrent die tanden slaende8) met een opreht slaingen geblaes9) / hou wel nohtans d'ouders s. om brootdroincken te spreken gebruicten / daer Quintilianus mede schimpt10) / ende die Parijsse vroukens met meer ander in haer tale wel nabootsen / zeggende voor: encoire, boire, voire: encoise, boise, voise, om r. te schuwen11). Duit-
sprake van c. ende s. in t'nommen der letteren / niet der woorden / misbruict en onderscheit den gemeen man niet1) / dwelc men klaer mah mercken / nomt eens es. die vocale e. nastellende aldus se2). waer uit openlic blijct c. als k. genomt behoren te warden / zo d'ouders hebben gedaen. Maer hier af meer inde letteren c.3) en k.4).
Gelijc alle dander consonanten kan dees zonder hulpe van enige vocale / voor uit den mont / daer zij van tvoorste vande toinge gemaect en gesmeet wardende omtrent die tanden haer stoot / niet geraken5). Zij heeft grote gemeenschap met d. als daer is geschreven6) / ende in z. klaerder verhaelt zal warden7).
+Deze drij letteren hebbe ic verscheide namen ge*geven om haer verscheiden natuirlicken kraht van joinx gewennen / verstaen en begripen. Deerste (die altoos vocael blijft) alleen u. nommende / daerom in dbegin der woorden dus u. of aldus V.8) maer in tmiddel of einde der woorden / anders niet dan aldus u. altoos schrivende / tzij9) in vocalen of diphthongen10). Die twede altoos stomme consonant blivende / nomt va.11) en schrijft anders niet12) waer die zelve komt dan aldus v. om haerder met u. onderscheit beter te kennen / dwelc nimant vreemt zal vinden / angezien Priscianus schrijft dat al voor zijn tijt v. consonant bij veel Latinen / d'Aeölische name Vau. vourde13) / niet konende d'omgekeerde F. van Keizer Claudius gevonden / tvelt behouden daer14) ic meer inde letter f. af schrive15). Die derde mede stomme consonant / nomt wa.16) en schrijft altoos dus w. tot onderscheit van uu. lainge vocale /
dwelc dounde zult die kinderen van joinx gewennen zonder mouiten / alledijnc met eigen letteren schriven / ende elker kraht licht leren kennen / dwelc dubbel u. zeggende hunlij onmogelic is / blivende dicmael in tzelve onverstant / alle haer leven vrouwen en mannen / van edele en onedele huizen1). Die vocael u. heeft va. voortsgebraht / komende voor een ander vocale / in tbegin of middel der woorden / als blijct in: vast / vallen / vaingen / vehten / vegen / vin / vijnc / volht / voor / vuiste / vuil / vuiren. In tmiddel: gevallen / bevaingen / gegeven / schriven / wriven / bevin / bevoht / gevonnen / ver-+vuilt / gevuirt. noh wart * zij consonant voor halfvocalen / meest l. en r. komende / als: vrouë / vragen / vlage / vroom / vrouih / vliegen / vlus / vlo2). Summa in als daer v. schijnt maesschap3) te wezen met f. zo die Hoohduitsen en haer gebuirlanden meest al met f. schriven dat wij met va. Maer alzo onze tale vriendelicker en minlicker van uitsprake valt / duinct mij beter onze va. dan hunlij harde f. te bezigen4). Tsestih wil deze consonant wa. geheel uit Nederlant bannen5) / stellende va. in haer plaetse / daer tou hem porrende dat die Latinen wa. niet kennen / maer uitdrucken genouh haer nature6) door va. en haer naestvolgende vocale / makende alsdan va. (als mede dout j. consonant) in tbegin van alle Latijnse woorden een sijllabe meer dan of zij vocael ware / of vermeert zij die sijllabe niet bina luidende oft zo geschiede / te weten: vinum, vicus, ventus, vannus, vespa, vulnus, die hij meint die Latinen gesproken te hebben / of aldus geschreven7) stont: u-inum, u-icus, u-entus, u-annus, u-espa, u-ulnus met duizent ander8) / alzo zij mede gesproken hebben
j. consonant: J-esus / J-acob / I-acio, I-ubeo, I-ambus, I-upiter, I-anus1). Angande mij2) / waer wel te vreden volgen zijn redens3) (als ic voor in f. gezeit hebbe4)) waer zo wel ons gemeen Nederlander / als die Latinisten wijs te maken deze scharpzinheit / maer want5) tzelve qualic mogelic is / zijnde over veel hondert jaren gewent aen wa. duinct mij datmen verloren +arbeit zoude doun de zelve willen bannen / en * gewennen den Nederlander meer mahs en staets va. te geven / dan zij heeft konen bewaren nademale onze ouders om deze scharpzinheit te vlieden wa. bequaem6) onze tale gevonden hebben / merkende openlic dat die Latinen zelve inde voorseide woorden metter tijt geheel tot u. vocael vervielen en onwetende / mits der letteren maeschap7) weken / dwelc oorzake is geweest dat Keizer Claudius gaarne ontleent hadde vande Aeöliennen f. aldus Ⅎ: omgekeert om te gebruiken inde plaetse van va8). ende tvoorseide gebrec beter te schouwen9) / welke v. consonant / Quintilianus en Priscianus met hun voorschrivers in verscheide plaetsen beclagen / niet uit te drucken haer volkomen behoirlicke kraht in ceruus, seruus, vulgus, dauus, auus, auunculus en meer ander10). Angezien dan onze gemeente tot der oude Latinen gewente niet te breingen en ware / dan met zorge te vallen in hunlij mishant / duinct mij (tmijn nohtans alle geleerden om beter gevende en gaerne wikende) dat wij wa. wel mogen behouden en gebruiken / zijnde niet nieus dat wij tot d'oude Latijnse letters / zommige nieuwe ons notelic / annemen / angezien die Latinen tzelve tot die Aeölise gedaen hebben / en die Grieken tot die Phoeniciense of Caldeuse11). Mede ist natuirlic dat alle Talen des werelts haer eigentheden hebben in tgebruike der
letteren en uitsprake / zulx dat in deen tale schoon en notelic is / in dander +lelic / belahlic / en onnotelic wart gehouden. Waeromme ooc nimant * wonder dar1) geven dat verscheide spraken / eigen en verscheiden letteren mouten nemen. Dat om onze wa. kinderen diemen tot t'Latijn op vout die Latijnse va. mohten vervalsen en trecken tot wa. zal geen noot zijn2) / indien die Latijnse Schoolmeesters wel touzien / hunlij terstont wizende en lerende / elker talen letteren kraht en nature / zo wel in t'Nederlants / Griex / als Latijn / welken kleinen arbeit zij inswelgende verteren mouten / willen zij met meerder3) arbeit komen tot kennisse vander Talen die de Vrikonsten4) / en haer verholentheden te bewaren hebben / om vander zelven onbegripelicken rijcdom wat mede deilen / angezien God alledijnc voor arbeit te kope stelt / en voorde tragen alle zaken hemelt5) / hun latende in goutduinckens poule hobben en tobben6). Daer7) mij duinct dat wa. den Neerlander mah derven / zal ic hier na inde gemeen regelen thonen8). Alleen ziet wel tou haer geen doubbel u. meer te nommen9) / om d'onderscheit der vocalen en consonanten van joinx lerende vast t'onderhouden. V.10) zaht gesproken wart geboren voor inde mont (hart ahter inde kele) een weinih die toinge voor krommende en lippen openende11) / mogende getelt warden met die starke vocalen12).13) va. voor inde lippen lettel / en eerlic die zelven door klein geblaes openende14).15) wa. spruit mede voor uit den mont / maer wat hart die lippen openende / en naden rehter houc betreckende16).
Pontanus1) leert) om kort spreken en schriven / te weten inde plaetse van cs. gs. en onze ks.2) want d'oude Latinen al eer zij x. gebruicten plegen te schriven / pacis, fornacis, facis, apecis, fecis, legis, regis, gregis, radicis, cornicis, nicis, fornicis, nocis, coelocis, allobrogis, Cappadocis, crucis, lucis, trucis, ducis. Daer na die vocael i. weh nemende om tgemac / pacs, fornacs, facs, apecs, fecs, legs, regs, gregs, radics, cornics, nics, fornics, nocs, coelocs, allobrogs, Cappadocs, crucs, lucs, trucs, ducs. Ten lesten x. gevonnen hebbende omde lihtheit schreven zo zij noh doun: pax, fornax, fax, apex, fex, lex, rex, grex, radix3), cornix, nix, fornix, nox, coelox, allobrox, Cappadox, crux, lux, trux, dux4), welke Latinen wij in gelijc luidende woorden behoren te volgen / angezien wij van outs die letter x. van haerlij tot dien einde ontfaen hebben / ende nohtans niet leren gebruiken / schrivende: een huis vol gemacs / strodacs / gebacs / gepacs: een qua hecs / veel gezecs5) / vol gebrecs: starke strics / gelics / dagelics: rogs / rocs / stocs / kocs / gejocs / gebrocs: vol drucs / ongelucs / gejucs / geplucs. En zom noh veel ongeschicter inde +plaets van s. nade c. stellende x. al*dus: dagelicx / rocx / hecx / drucx / met meer ander6) daermen behoort te schriven: gemax / strodax / gebax / gehax / gepax / hex / gezex / gebrex / strix / gelix / dagelix / rox / rox / stox / kox / gejox / gebrox / drux / ongelux / gejux / geplux. Al eens7) moutmen schriven daer lainge vocalen of diphthongen komen: gehaex / geraex / vaex / zeex8) / sweex9) / geroox / loox / gestoox / insgelijx / desgelijx / bedijx / gekijx. Tzelve geschiet mede dicmale na half vocalen / meest n. ende l. draincs / staincs / geklaincs / kalcs / balcs / volcs / wolcs: schrijft drainx / stainx / geklainx / kalx / balx / volx / wolx / ghij zult der letteren natuir volgende alst behoort / opreht en lihter schriven. Wij breingen x. ahter uit de kele met tamelic geblaes / niet zonder mouiten tvoorste vande toinge een lettel krommende / ende die lippen starc openende10).
Is een Griecse doubbel consonant als mede met die Latinen / nohtans niet gebruikende dan alleen in Griecse woorden1) / ende int middel veranderende in twe ss2). In Nederduits alzo wij die bezigen / waer z. ooc komt / ist geen doubbel consonant2) noh ooc semivocael3) / nohtans meer z. in tspreken en schriven bezigende dan s4). mits haer natuirlicke zoutheit / waer af wij meer dan die Grieken berommen mogen / angezien zij bij ons een simpel consonants geluit gevende / niet als ss. noh ds. noh sd. is klijnckende5) / maer als een dic ofte volle zout luidende s. dwelc gout om mercken is / die op haerder +beider natuirlicke uitspraec (zo * wij behoren te doun in alle letteren) nau wil letten. Men ziet menih schriver die z. gebruict / maer zonder oordel / want zij der letteren naderschap6) niet gaislaen / daer nohtans z. maeschap7) met s. zijnde die zelve in lieflicheit var te boven gaet / zeer minnelic voor uit die mont spruitende en met weinih geblaes vrolic / en lettel die lippen openende8) / hou wel Appius Claudius z. schude en beschimpte / om dat zij schijnt geheel uit te drucken het drouf tanden getoon9) van een mensche die sterft10). Maer om z. en ander letteren daer voor is af gesproken volle natuir beter te kennen / bij gelikenisse van gebuir letteren / weet dat
| anders niet en is | { z. } | dan | { s. } | een lettel dicker | { verzamen: samen. |
| anders niet en is | { b. } | dan | { pe. } | of volder van | { braden: praten. |
| anders niet en is | { t. } | dan | { de. } | geluit vallende / | { tiennen: dienen. |
| anders niet en is | { f. } | dan | { va. } | alzo hier blijct. | { geufent: geuvent11). |
Maer om dat zommige ongeufende menschen swaer duinct in alle woorden s. van z. tonderscheiden / volht (tot ghijt gewent zijt) dezer drij regelen raet. Eerst al dat met s. mout geschreven zijn / zal ende mout luiden gelijc onze c. overal qualic genomt klijnct12) / als hier: sus / samen / simpel / sober / somma /13) seffens / geensins / ontsih14) / maecsel / gesuf / elsen om schoun
mede naien / met alle woorden daer doubbel s. komt: geesselen / gelikenisse / ossen / klossen / daer al s. klijnct / als onze gemeen1) c. want stelt voor s.z. zult geheel ander geluit hebben / te weten: zus / zamen / zimpel / zober / elzenhout etc.2). Ten anderen blijft s. in tleste van alle woorden die een sijl-+labe van doun * hebben met s. beginnende om een reden te vollen / als zijn: Latijnse / Griecse / Duitse / Franse / houtse / stootse / vaingste / kooptse / helptse / geeftse / neemtse / dectse en gelike feminijnse3) woorden4). Ten derde als s. komt voor enige consonant t'sij in d'begin of middel der woorden / blijftse s. te weten: schamel / stamelen / beschaemt / schellen / stellen / snel / ontstellen / schil / stil / dageschijn / stout / stoot / stont / mergenstont / anstoot / schuit / schurft / schult / met meer duizenden5). Ziende uit dees drij Regelen waer s. plaets heeft / hebt voorts gout te verstaen / dat alle ander plaetsen z. haer als eigen touschrijft / dwelc men mah mercken als s. komt inden beginne of middel der woorden voor een vocale / of diphthonge daer zij in Nederduits haer geluit verliezende6) z. meestendeels plaetse maect / uitgezondert lettel woorden die ic in deerste regel stelle / ende den tijt u noh meer zal openbaren / waer onder meest al zijn die wij vande Latinen en Fransoizen behouden7) / zo oordelen mogen die Fransois en Latijn verstaen / angezien zij die s. in dbegin der woorden altoos wel en natuirlic gebruiken / te weten: sommes, sans, soupçon, sont, sens, soit, soulier, sel, sainct, sorte, serai, serez, sera, seront met duizent ander / in welke woorden s. luit zoot behoort / ende als wij ende zij c. qualic nommen8) / ende daer voor z. willende stellen / zult belaht warden daer wij Neerlanders contrarij gebruiken ende om lahen zouden. Maer in tmiddel der woorden wart s. zo wel bide +Fransoizen * als bide Latinisten9) dicmale vals gestelt / t'Latijn latende varen hoort int Fransois: chose, disons, occasion, presenter, fantasie, raison, composer, cause, presumer, met meer duizenden daer zij s. schriven / ende ghij z. hoort10). In dees navolgende behout s. in tmiddel wel haer plaets: defense, conseille, renuerser, pension, ainsi, personne, penser, enseigner, consentir, response, met meer ander11).
Die doubbel ij. (zomen die qualic nomt voor letter / en wel als lainge vocael) heb ic ahter2) gelaten3) / angezien zij geen letter bide Latinen4) noh bij ons is / dan5) alleen bide Grieken / dieze aldus onder bot6) υ. schriven / uitspreken en bezigen inde plaetse van onze u. die daer uit gesproten is / als hier blijct: τύχη, tuche, fortuin. νυϑὸς, nuthos, stom. νυμφαῖος, numphaios, bruidegom. ὑμνος humnos, zainc alle welke die Latinen (die Griecse letter een start aldus γ. gevende) schriven of twe ij.7) waren8) / dwelc d'ongeleerde niet verstaende meinden ij. een9) Latijnse letter wezen gemaect van twe i. schreven die voorseide Griecse woorden aldus: tijchi, nijthus, nijmphoeus, hijmnus10), dat zij nohtans inde Griecse diphthongen niet konden doun / moutende u. behouden / als hier: βῶς, bous, een os. πῶς,pous, een vout. νῶς, nous,11) d'begrijp des verstants / opperste kraht der zielen. Maer alzo die Latinen veel Griecse woorden bezigen / wij geen / heeft den Nederlander +deze letter niet van doun / dan voor * lainge vocael / want daer wij twe i. gebruiken (dwelc nimmermeer12) inden beginne der woorden behoort te wezen) is een lainge vocael / geen Griecse Ypsilon of upsilon / alzo ghij terstont inde vocalen zult horen / daermen die kinderen wel behoort in t'ufenen / om wel leren spellen en schriven / want komende tot t'Latijn en Griex zullen der zelver tale letteren kraht en natuir haest13) leren kennen / geraken zij anders14) bij goude Meesters.
woorden van haer eerste natuirlicheit scheiden / als: bouc / boucsken / bouxken / houc / houcsken / houxken / douc / doucsken / douxken / etc.1)) plaetse te hebben dander xxii. zeer wel. Letters zelden inden beginne / van oprehte Nederduitse woorden behorende te komen / zijn f.j.u. vocalen2) / want consonant wardende / vintmenze tamelic.3) g. ende s. vindmen ooc zo dicmale inden beginne der woorden niet / nohtans meer dan f.j.u.4).
, unde nunc quoque in Graecis nominibus antiquam scripturam
servamus pro φ p et h ponentes, ut “Orpheus” et “Phaeton”, postea vero
in Latinis verbis placuit pro p et h f scribi, ut “fama”, “filius”,
“facio”, loco autem digamma u pro consonante quod cognatione soni
videbatur affinis esse digamma ea litera’.