terug  begin  verderprepost

Vander letteren nature en kraht, zo int bizonder12) als met haer vocalen gevouht13).

A.

Om de heerlicke kraht14) die A. alle woorden geeft / zietmen haer die hoohste15) / eerste plaetse onder die letteren / in alle bekende Talen bezitten16) / komende uit die kele door een stille wint17) / ende des monts

[p. 27]

gehemelt met tamelic1) geblaes rakende opent die zelven2) blidelic en ongedwoingen / niet gelijc den Hollander jae3) / den Flamijnc joa4) / den Brabander bai / mai / wai / blatende doun5). A. is een vande starcste vocalen6) / ende wil in veel woorden (lainc zijnde) gedoubbelt zijn7) / daermen qualic die Diphthonge ae. schrijft / als laat / baat / graat / staat / etc.8).

Be.

+Eerste vande stomme consonanten / welcke bene*mende haer hulp vocale e. gevouildi9) dat die letter bina stom uit den mont niet kan geraken / voor datse10) e. open dout / wardende door haerhulpe / en11) lettel wints voor tuschen die lippen / met mouite geboren12). Onder ander letteren is haer naeste gebuir

[p. 28]

in krahte p.1) blijct in krebbe2) / webbe / lebbe3) / hebben / rebben4) / kreppe5) / weppe6) / leppe7) / heppen8) / reppen.

Ce.

Twede stomme consonant bij d'oude Latinen / tot d'afgaen9) des Romse Rijx ghenomt: ke10): zijnde mitsdien grote gebuiren c.k.q.11). Zij komt voorts als dander / mits hulpe van e. t'scharp12) vande toinge / aende voortanden stotende13) / ende als k. ende q. door weinih geblaes openende14). Zomen c. nu ter tijt over al nomt15) / heeft zij geen gebruic medallen in d'begin der Neerlantse woorden / en lettel onderscheits met s. ja om dat zij nae maschap is met k. zoudemen een van beiden mogen verwarpen16) (hebbende in d'begin onzer woorden een17) geluit / als dicmale mede in t'middel en einde) ten ware dat in schoon / scheen / schoun / scheel / schort / schult / gescheurt / geschil / schael / school en ander dees gelijc tuschen s. en h. die k. haer nature18) geensins kan bezigen c. een weinih / hou wel s. en h. geheel haer zouken te verdrucken en verdoinkeren19) / maer tsamen bij een gestelt / konen20) zonder haer of ander letter geen sijllabe maken21) / daerom c. of

[p. 29]

+ander letter moutende liden. Summa in alle woorden * daer sc. mout wezen1) / dient veel beter c. met haer gemeen name dan k. Mede verchiert2) c. t'geschrift daer anders twe c. ofte k. zouden mouten komen bij een3) / als hier: backen / snacken / dacken4) / kacken / becken / gecken / plecken / decken / wecken / micken / licken / sticken / docken5) / pocken / stocken / jocken / stucken / verdrucken / gelucken / plucken / rucken / jucken. Desgelijx dient haer bedorven name / daer anders twe h. zouden willen zijn / als: lachen / prachen6) / hachen7) / kichen8) / kochen9) / trochen10) / daer nohtans beter ware c. ahtergelaten / en aldus gespelt: lah-en / kih-en / troh-en / prah-en / met meer ander waer in der menschen gewente om tquaet uit te rouien meest mout wercken11). Die Frainsoizen12) als haer meesters de Latinen / schriven mede dees letter c. dicmale qualic / en sprekenze wel / ende dat meest altoos voorde starcste vocalen a.o.u.13) / zo wel in d'begin als middel der woorden / te weten: car, cause, capituler, cauer14), caue, conseil, contract, confusion, escu15), occuper, cuuer16), cupe met diergelike / daer ghij c. ziet en k. hoort / ten ware h. tuschen beide17) komende die hartheit van k. in18) c. veranderde / als: chanson, chose, chaut, chauffer; maer voorde vocalen e. en i.

[p. 30]

behout c. haer valsen naem / te weten: cest, ce, cent, prince, place, cincquante, ancien, circonvoisin, esclaircir1), met duizent ander.

De.

+Een vande stomste consonanten / t'scharp2) vande * toinge zonder geluit / die bovenste tanden bina slaende daer niet uit konende3) geraken / ten ware e. haer vromelic4) hilpe5). Zij heeft groote gemeenschap met t. woort / voort / hoort / got / bat / hat / zat / mat: woord / voord / hoord / god / bad / had / zad / mad. Ic gebruike in d'einde der voorseide woorden / liever t. dan d6).

E.

Twede vocael / een die inde uitspraec kleine maht7) hebben / tzelve thonende haer laf8) voorkomen / daer zij nohtans boven onder t'monts gehemelt9) door lettel wints10) geboren wart / met lansem11) den mont en lippen t'openen12) / ende daeromme bequame / onscheidbare / bistanterse der stomme consonanten en semivocalen. Dees schriven die Grieken aldus ε. en makender aldus η. een lainge ee. af / oft aldus εɜ. van twee hunlij13) ee. gemaect ware14).

[p. 31]

eF.

Is een harde semivocael1) / want haer porrende zonder e. voorts te breingen / gevouilt2) bina onmogelic zijn / blivende tuschen die tanden verwart daer zij geboren wart / alzo die kinne donderste lippen aen de boven tanden stoot3) / en mitsdien van Quintilianus beschimpt4). Die Latinen makense een half vocale / maer zo Priscianus wil zonder reden / behorende onder die stomme consonanten te wonen5). Des te min heeft zij haer oude plaets be-+houden / daer ic haer late. Die zelve Latinen hebben deze * letter (als alle dander) vande Aeöliennen / (zeven Griecse Eilanden / Sicilien en Italien gebuiren) mede ontfaen6) / diese aldus F. schrivende met haer Tale nommen: Vau7): maer nergens anders gebruiken dan die Latinen / en wij Nederlanders v. consonant doun8) / hou wel d'outste Latinen f. gebruicten voor ph. dat bide Grieken een letter van desen φ9). maecsel is / tot dat die navolgende Latinen geen ph. in Latijnse woorden meer willende gebruiken f. stelden daer zij te voren ph. schreven / maer f. zonder geblaes / en met ongesloten lippen uitsprekende / dat die Grieken in hun φ. niet konen10) doun11). Dander Grieken nomden der Aeöliennen Vau: digamma12) / mits dat Gamma in

[p. 32]

t'Griex de name des letters g. is welke zij onder ander maecsels1) aldus Γ. schriven. Geeft dees int middel een korte linie / aldus F. hebt der Aeöliennen: Vau: van twe Gamma / aldus illustratie gemaect2) / ende daerom bij dander Grieken genomt / digamma / dat is doubbel Gamma of g. waer af der Latinen en onze f. komt. Die Grieken kennen geen f. noh die Latinen hunlij3) φ. maer die Grieken gebruiken in f. plaets φ. van hunlij genomt fi. om datse de kraht van f. enihsins voldout. Die vijfste Keizer na Julius Cesar genomt Claudius / hadde in zijn tijt tot4) die 23. Latijnse letteren gevonden drij nieuwe / waer af dit X. een was van hem ghebruict inde plaetse der Grieken ψ5) dat zij +nommen psi. die Latinen en wij bezigen daer vore ps6). Dander nieuwe * letter was F. aldus Ⅎ. omgekeert / welke hij gebruicte voor v consonant / maer zijn alle drij met den Keizer gestorven / niet tegenstaende hij een bouc van haer nature en kraht / zelve geschreven hadde7). Ende hou wel t'Sestih die zelve gaerne weder in tliht zoude breingen8) / zorge9) dat hij niet mere dan Keizer Claudius zal verwarven. Angaende mij10) / waer wel van zinne des Keizers gestorven letter door t'Sestih verwect11) in tleven houden / als mede te volgen zijn zinne / rourende12) die consonant wa. waert zake dat imant tzelve begonnen hebbende van geähte mannen gevolht wart / maer deerste zijn13) die in mijn schrift / ongezien letteren zoude stellen ende oude ahterlaten / zorge meer belaht en begect dan gevolht te warden. Niet dat ic lasteren14) wil hunlij geredent voornemen / maer dat tzelve qualic onder d'ongeleerde gemeente is

[p. 33]

tot ufenijng te breingen / zo geweldigen Tijran is: Gewente1): Leest hier meer af inde letteren u.va. wa2). f. ende v. consonant zijn na gebuiren: vader / fader: vrient / frient: vreemt / freemt: vroom / froom: vragen / fragen: vlagen / flagen / en daerom wil f. zeer zelden in dbegin van oprehte Neerlantse woorden gevonden warden / wel die wij vande Fransoizen / Latinen / Duitsen / of ander landen gebruicken3) / als zijn: faem / faets4) / flainc / fluit / fijn / fris / foinc / floinc / freuit met meer ander5) / maer genouh in t'middel en einde der Neerlantse woorden / als: ontfaen / ontfijnc / heffen / +neffens / teffens / * seffens / draf / graf / laf / straf / gehef / gekef / besef / stijf / lijf / wijf / gekijf / graaf / schaef / gedraef / neef / dreef / heef / of / lof / stof / gesuf / gepuf / ende dezer gelijc in welke ghij die f. komende nae een Diphthonge of lainge vocale krainc / of slap van krahte hoort: weder6) starc en vol komende na korte vocalen. Maer dit is die natuire van korte en lainge vocalen / dat lainge vocalen en Diphthongen (die van haer natuire mede lainc zijn) alle consonanten hun volgende / schinen te verkraincken / mits dat zij laingen tijt inden mont bliven: alzo weder korte vocalen die zelve schinen te verstarcken / uit den mont slibberende zeer lettel tijts / en krainc van geluit in een sijllabe hun latende horen7).

Ge.

Alzomen dees letter overal qualic nomt / heeft zij grote gemeenschap met j. consonant8). Maer gewent die kinderen ge. te zeggen / alzo den Brabander ghei / ja wij die zelve in alle woorden met g. beginnende / nommen / te weten: gaen / gapen / gaven / geven / gegeven / gelijc / giften / geloven / gout / geen / gemeen / gulzih / met duizenden dees gelijc / zo zuldij die kinderen min mouiten dounde die letteren leren nommen alzomen die leest / en voortaen mogen schriven: gij: met meer duizent woorden / zonder d'onnotelicke

[p. 34]

h.1) want nimant spreect: ij / jeven / jejeven / jelijc /jaen / japen / javen / jiften / jeloven / jout / jemeen / jeen/julzih2). G. spruit uit t'middel vande +mont / om*trent t'gehemelt onbescheit3) / mouilic geluit door weinih wints makende / tot dat haer enige vocale t'leven geeft4).

Ha.

Is bide Grieken geen letter / noh vande Latinen noit met gemeen gedoge daer voor ontfaen / dan alleen voor teken om t'geluit des vocaels daer zij voor stont / door een lettel geblaes starken en vermeerderen5) / zomen merct dat die kraht des letters inheeft / en daerom nimmermeer bij hunlij in d'einde van volmaecte / of iet betekenende woorden komende6) / waerom ooc noh geen geleerde Latinen tot dezen dage willen dat zij plaetse zal hebben / dan alleen voor vocalen en diphthongen / schrivende: vehementer, comprehendo, hanc, mihi, triumphus, met meer duizenden daer zij plahten te schriven: veementer, compreendo, anc, mij, triumpus, en naderhant weder zo zere h. gebruikende / dat zize in alle woorden voor vocalen en consonanten gebruicten /

[p. 35]

als: chorona, chommodum, hinsidiae, chenturio, praecho, chelo, chado, daer Catullus1) en Quintilianus2) oude Latijnse schrivers mede gecken / welke geblazijnge die Hooh-duitsen noh dezen dage / en dieze als frai nabootsen zo zere onderhouden / dat zij meer schinen der honden gebas3) / of slaingen geblaes / dan een minnelicke / menschelicke tale voorts te breingen. Ende angezien dat h. bij ons zo wel voor consonanten als vocalen (zonder lelic +geblaes) * mout komen / en duizentih woorden sluiten / hebbe ic haer als ons ouders4) mede voor letter dopende bide stomme consonanten gezet5) / om dat haer notelic een vocale volht / ahterlatende der geleerden scharpzinnicheit. Dat h. voor vocalen en diphthongen komt is alle man bekent. Maer na vocalen en voor consonanten / in d'begin en middel der woorden blijct hier: ahterwaerts / volhden / gewihten / lihten / rehten / slehten / knehten / krahten / gedahten / geslahten / nahten. In tleste der woorden na vocalen en voor consonanten: zaht / laht / naht / daht / weht6) / sleht / geziht / vliht7) / riht / niht / doht / noh / bezoht / beduht / geruht8). Niemant dar9) hem verwonderen dat wij int leste van veel woorden na vocalen h. schriven / angezien die Grieken en Latinen dat in geen volkomen woorden haerder tale kennen10) / daer t'Nederlants niet an gebonnen is / dwelc hier in volht d'oude Hebreuën / Siriennen / Arabiennen / en Aegijptenaren die woorden genouh met geblaes of h. einden. Leert die kinderen zeggen ha. niet haetse / op dat

[p. 36]

zij van geen letter een Franse bijl maken1) / hun gewennende alle letteren een sijllabe te geven / om tgemaclic nommen en liht spellen. Waht u mede h. te gebruiken als den Flamijnc dout2) / maer volht hier alle dander Nederduitse landen eendrahtige lieflicke zede en maniere. Die geboorte van h. is gout om mercken / zijnde niet dan een windigen asem die door stil betrec +vande kaecbenen omtrent t'gehemelt wart geboren3) / haer * mits enige vande vocalen bekent makende4).

I.

Is onder alle die vocalen minst van geluit / ende wert bina als e. geboren / maer meer omtrent die tanden5) / door zeer stil geblaes / ende met meerder openijnge des monts en lippen6) / zulx dat het een vrouweletter schijnt om minlic te spreken. Zij wart consonant komende voor een ander vocale of diphthonge7) / waerom men haer dan zal schriven groot / of gestaart / als: Jacob / Joost / jammer / jent / jonste / joinc / juist. Desgelijx komende in tmiddel der woorden tuschen twe vocalen: gejuct / gejoct / gejont8) / dwelc men zo openlic hoort datze die Grieken en Latinen in zulker vougen voor doubbel consonant nemen9) / dat in onze tale zo niet en valt.

[p. 37]

K.

Kennen die Latinen niet dan in Griecse woorden1) / daer wize af hebben meer gebruikende dan c. angezien c. gelijc g. anders van ons als letter / anders int lezen genomt warden2) / en dan zij in woorden klijncken / te weten: crame / cleeft / clijft / climmen / comen / clein / cort / crommen / claer / cluwen / en dezer gelijc die wij met c. schriven / nohtans met k. spreken en geschreven3) behoren te zijn. In d'einde der woorden daer c. of k. mah vallen / geve ic igelic zijn keuze4). In tmiddel der woorden / die nature des +letters rade ic t'anzien. maer in tbeginne schrijft altoos k. * nimmermeer5) c. alzomen spreect / te weten: krame / kleeft / kjijft / klimmen / komen / klein / kort / krommen / klaer / kluven / etc.6) K. wart met wat mouitens middel inden mont / met volle kaken geboren / weinih tvoorste des toinx rourende / eerlic ende lettel / die lippen openende7).

eL.

Eerste vande simpele vlouiënde consonanten8) / wardende geboren als ons toinge die rehter zide ons monts gehemelt stille slaet / den mont lettel en blidelic openende9). med' is l. d'eerste vande semivocalen/ want haer noh haer gezusteren / men niet kan nommen zonder e. of ander vocael voor te stellen / waer dore zij half vocalen schinen te warden / want indien ghij haer

[p. 38]

vocale wilt na stellen / zult gewaer warden dat die semivocalen bina die helft van haer natuirlicheit zullen verliezen / ende haer kraht geheel verplompen en bot warden1).

eM.

Is een sware semivocael / die met gesloten mont inde lippen geboren wardende2) niet zonder gelikenisse van stil kouien / geroup of geloui3) voorts komt / zoudende haer zelven geheel beschamen / ten ware die voorgaende e. hare ere bewaerde. Dus of m. komt in dbegin / middel / of einde der woorden / geeft altoos tzelve doincker en plomp geluit / zulx dat altoos die vocalen bij haer komende / starker luidende / haer als natuirlic viant schinen te verdrucken.

+eN.

Valt4) vriendelicker5) dan m.6) spruitende voor uit den mont die lippen weinih vande toinge wardende geslagen7) ende geopent / zo dat zij schijnt een klein / stil / minnelic geklainc of getin8) mede te breingen. In dbegin en einde der woorden / is n. krahtiger dan m. In tmiddel niet / ten ware daer zij gedoubbeleert wart9) / als: minnen / vinnen / zinnen / winnen / binnen / rinnen.

O.

Een vande vroomste10) / starcste / wel klijnckende vocalen na a. rijst voor uit den mont die zelve mannelic en rondelic openende11) / niet zonder die

[p. 39]

lippen en mont eerlic te rouren en stil te beblazen1). Van deze maken die Grieken / als vande e. mede een lainge vocael2) / aldus ω. schrivende / oft twe o. aldus oo. aen een gewassen waren: βρώτος, brootos / dat is spijs / wij zeggen broot3).

Pe.4)

Stomme consonant5) / wart geboren tuschen die twe lippen / maer daer zij zonder hulpe van wint en enige vocael / nimmermeer6) zoude uitgeraken / noh gehoort warden7). Zij heeft grote gelikenisse en gemeenschap met b. als daer is gezeit8).

Qu.

Een vande vijr Latijnse letteren / te weten f. h. q. u. den Grieken in dees gedaente enihsins9) bekent / al gebruiken zij der zelver kraht. Is een stomme +consonant die door hulpe der vocalen u. (dieze alleen10) helpt / anders onvruhtbaer) op de maniere van c. ofte k. bina geboren wardende / maer die lippen min openende ende door intreckijnge der kaken wat uitstekende11) / haer bekent maect12) nergens tou dienende / dan om dander vocalen (bij haer zonder u. niet konende geduren) met haer te verenigen / als blijct in quaet / quam / quelt / quist / quijt / met meer dezer gelijc / dwelc die Fransoizen niet konende naspreken / zeggen zeer ongeschictelic / voor: qua, que, qui, quo, quu: ka / ke / ki / ko / ku / volgende die nature der Latijnse Poëterie /

[p. 40]

daer zij d'Oratoren behoorden te volgen1) / dwelc hunlij noh al te vergeven ware / banden zij uit hun a.b.c. die q. als die Grieken doun / maer houdende en gebruikende met die Latinen q. bederven en valsen haer uitspraec / waer voor wij ons wantende mouten die kinderen gewennen te zeggen qu. zo wize lezen2) / niet ku. als den Fransois dout en Latijnse Poët die wij niet te volgen hebben. Niet dat ic ontkenne q. met k. en c. alzoot die Latinen noomden grote gebuirschap te hebben / ja lide3) en kenne die zelve zeer na te wezen / maer niet een daer mede.

eR.

Wart een honts letter genomt / om dat haer uitspraec gelijct tgegnor4) van enen grammen hont5). Zij komt ahter uit den mont / die toinge voor +een lettel opwaerts krommende ende die lippen openende6) /en * mitsdien swaer om uitspreken den genen die dic en kort van toinge zijn / nohtans alle talen bekent en notelic.

eS.

S. die twede vaste simpele vocael7) wart geboren tuschen die twee lippen / die zelve een weinih rourende / ende hart omtrent die tanden slaende8) met een opreht slaingen geblaes9) / hou wel nohtans d'ouders s. om brootdroincken te spreken gebruicten / daer Quintilianus mede schimpt10) / ende die Parijsse vroukens met meer ander in haer tale wel nabootsen / zeggende voor: encoire, boire, voire: encoise, boise, voise, om r. te schuwen11). Duit-

[p. 41]

sprake van c. ende s. in t'nommen der letteren / niet der woorden / misbruict en onderscheit den gemeen man niet1) / dwelc men klaer mah mercken / nomt eens es. die vocale e. nastellende aldus se2). waer uit openlic blijct c. als k. genomt behoren te warden / zo d'ouders hebben gedaen. Maer hier af meer inde letteren c.3) en k.4).

Te.

Gelijc alle dander consonanten kan dees zonder hulpe van enige vocale / voor uit den mont / daer zij van tvoorste vande toinge gemaect en gesmeet wardende omtrent die tanden haer stoot / niet geraken5). Zij heeft grote gemeenschap met d. als daer is geschreven6) / ende in z. klaerder verhaelt zal warden7).

u. Va. Wa.

+Deze drij letteren hebbe ic verscheide namen ge*geven om haer verscheiden natuirlicken kraht van joinx gewennen / verstaen en begripen. Deerste (die altoos vocael blijft) alleen u. nommende / daerom in dbegin der woorden dus u. of aldus V.8) maer in tmiddel of einde der woorden / anders niet dan aldus u. altoos schrivende / tzij9) in vocalen of diphthongen10). Die twede altoos stomme consonant blivende / nomt va.11) en schrijft anders niet12) waer die zelve komt dan aldus v. om haerder met u. onderscheit beter te kennen / dwelc nimant vreemt zal vinden / angezien Priscianus schrijft dat al voor zijn tijt v. consonant bij veel Latinen / d'Aeölische name Vau. vourde13) / niet konende d'omgekeerde F. van Keizer Claudius gevonden / tvelt behouden daer14) ic meer inde letter f. af schrive15). Die derde mede stomme consonant / nomt wa.16) en schrijft altoos dus w. tot onderscheit van uu. lainge vocale /

[p. 42]

dwelc dounde zult die kinderen van joinx gewennen zonder mouiten / alledijnc met eigen letteren schriven / ende elker kraht licht leren kennen / dwelc dubbel u. zeggende hunlij onmogelic is / blivende dicmael in tzelve onverstant / alle haer leven vrouwen en mannen / van edele en onedele huizen1). Die vocael u. heeft va. voortsgebraht / komende voor een ander vocale / in tbegin of middel der woorden / als blijct in: vast / vallen / vaingen / vehten / vegen / vin / vijnc / volht / voor / vuiste / vuil / vuiren. In tmiddel: gevallen / bevaingen / gegeven / schriven / wriven / bevin / bevoht / gevonnen / ver-+vuilt / gevuirt. noh wart * zij consonant voor halfvocalen / meest l. en r. komende / als: vrouë / vragen / vlage / vroom / vrouih / vliegen / vlus / vlo2). Summa in als daer v. schijnt maesschap3) te wezen met f. zo die Hoohduitsen en haer gebuirlanden meest al met f. schriven dat wij met va. Maer alzo onze tale vriendelicker en minlicker van uitsprake valt / duinct mij beter onze va. dan hunlij harde f. te bezigen4). Tsestih wil deze consonant wa. geheel uit Nederlant bannen5) / stellende va. in haer plaetse / daer tou hem porrende dat die Latinen wa. niet kennen / maer uitdrucken genouh haer nature6) door va. en haer naestvolgende vocale / makende alsdan va. (als mede dout j. consonant) in tbegin van alle Latijnse woorden een sijllabe meer dan of zij vocael ware / of vermeert zij die sijllabe niet bina luidende oft zo geschiede / te weten: vinum, vicus, ventus, vannus, vespa, vulnus, die hij meint die Latinen gesproken te hebben / of aldus geschreven7) stont: u-inum, u-icus, u-entus, u-annus, u-espa, u-ulnus met duizent ander8) / alzo zij mede gesproken hebben

[p. 43]

j. consonant: J-esus / J-acob / I-acio, I-ubeo, I-ambus, I-upiter, I-anus1). Angande mij2) / waer wel te vreden volgen zijn redens3) (als ic voor in f. gezeit hebbe4)) waer zo wel ons gemeen Nederlander / als die Latinisten wijs te maken deze scharpzinheit / maer want5) tzelve qualic mogelic is / zijnde over veel hondert jaren gewent aen wa. duinct mij datmen verloren +arbeit zoude doun de zelve willen bannen / en * gewennen den Nederlander meer mahs en staets va. te geven / dan zij heeft konen bewaren nademale onze ouders om deze scharpzinheit te vlieden wa. bequaem6) onze tale gevonden hebben / merkende openlic dat die Latinen zelve inde voorseide woorden metter tijt geheel tot u. vocael vervielen en onwetende / mits der letteren maeschap7) weken / dwelc oorzake is geweest dat Keizer Claudius gaarne ontleent hadde vande Aeöliennen f. aldus Ⅎ: omgekeert om te gebruiken inde plaetse van va8). ende tvoorseide gebrec beter te schouwen9) / welke v. consonant / Quintilianus en Priscianus met hun voorschrivers in verscheide plaetsen beclagen / niet uit te drucken haer volkomen behoirlicke kraht in ceruus, seruus, vulgus, dauus, auus, auunculus en meer ander10). Angezien dan onze gemeente tot der oude Latinen gewente niet te breingen en ware / dan met zorge te vallen in hunlij mishant / duinct mij (tmijn nohtans alle geleerden om beter gevende en gaerne wikende) dat wij wa. wel mogen behouden en gebruiken / zijnde niet nieus dat wij tot d'oude Latijnse letters / zommige nieuwe ons notelic / annemen / angezien die Latinen tzelve tot die Aeölise gedaen hebben / en die Grieken tot die Phoeniciense of Caldeuse11). Mede ist natuirlic dat alle Talen des werelts haer eigentheden hebben in tgebruike der

[p. 44]

letteren en uitsprake / zulx dat in deen tale schoon en notelic is / in dander +lelic / belahlic / en onnotelic wart gehouden. Waeromme ooc nimant * wonder dar1) geven dat verscheide spraken / eigen en verscheiden letteren mouten nemen. Dat om onze wa. kinderen diemen tot t'Latijn op vout die Latijnse va. mohten vervalsen en trecken tot wa. zal geen noot zijn2) / indien die Latijnse Schoolmeesters wel touzien / hunlij terstont wizende en lerende / elker talen letteren kraht en nature / zo wel in t'Nederlants / Griex / als Latijn / welken kleinen arbeit zij inswelgende verteren mouten / willen zij met meerder3) arbeit komen tot kennisse vander Talen die de Vrikonsten4) / en haer verholentheden te bewaren hebben / om vander zelven onbegripelicken rijcdom wat mede deilen / angezien God alledijnc voor arbeit te kope stelt / en voorde tragen alle zaken hemelt5) / hun latende in goutduinckens poule hobben en tobben6). Daer7) mij duinct dat wa. den Neerlander mah derven / zal ic hier na inde gemeen regelen thonen8). Alleen ziet wel tou haer geen doubbel u. meer te nommen9) / om d'onderscheit der vocalen en consonanten van joinx lerende vast t'onderhouden. V.10) zaht gesproken wart geboren voor inde mont (hart ahter inde kele) een weinih die toinge voor krommende en lippen openende11) / mogende getelt warden met die starke vocalen12).13) va. voor inde lippen lettel / en eerlic die zelven door klein geblaes openende14).15) wa. spruit mede voor uit den mont / maer wat hart die lippen openende / en naden rehter houc betreckende16).

+iX17).

Dees doubbel semivocael18) wart vande Grieken en Latinen gebruict om uit te drucken de kraht van verscheide consonanten int middel / of meest d'einde van een woorts sijllabe vergarende gevonden (alzo wel Joannes

[p. 45]

Pontanus1) leert) om kort spreken en schriven / te weten inde plaetse van cs. gs. en onze ks.2) want d'oude Latinen al eer zij x. gebruicten plegen te schriven / pacis, fornacis, facis, apecis, fecis, legis, regis, gregis, radicis, cornicis, nicis, fornicis, nocis, coelocis, allobrogis, Cappadocis, crucis, lucis, trucis, ducis. Daer na die vocael i. weh nemende om tgemac / pacs, fornacs, facs, apecs, fecs, legs, regs, gregs, radics, cornics, nics, fornics, nocs, coelocs, allobrogs, Cappadocs, crucs, lucs, trucs, ducs. Ten lesten x. gevonnen hebbende omde lihtheit schreven zo zij noh doun: pax, fornax, fax, apex, fex, lex, rex, grex, radix3), cornix, nix, fornix, nox, coelox, allobrox, Cappadox, crux, lux, trux, dux4), welke Latinen wij in gelijc luidende woorden behoren te volgen / angezien wij van outs die letter x. van haerlij tot dien einde ontfaen hebben / ende nohtans niet leren gebruiken / schrivende: een huis vol gemacs / strodacs / gebacs / gepacs: een qua hecs / veel gezecs5) / vol gebrecs: starke strics / gelics / dagelics: rogs / rocs / stocs / kocs / gejocs / gebrocs: vol drucs / ongelucs / gejucs / geplucs. En zom noh veel ongeschicter inde +plaets van s. nade c. stellende x. al*dus: dagelicx / rocx / hecx / drucx / met meer ander6) daermen behoort te schriven: gemax / strodax / gebax / gehax / gepax / hex / gezex / gebrex / strix / gelix / dagelix / rox / rox / stox / kox / gejox / gebrox / drux / ongelux / gejux / geplux. Al eens7) moutmen schriven daer lainge vocalen of diphthongen komen: gehaex / geraex / vaex / zeex8) / sweex9) / geroox / loox / gestoox / insgelijx / desgelijx / bedijx / gekijx. Tzelve geschiet mede dicmale na half vocalen / meest n. ende l. draincs / staincs / geklaincs / kalcs / balcs / volcs / wolcs: schrijft drainx / stainx / geklainx / kalx / balx / volx / wolx / ghij zult der letteren natuir volgende alst behoort / opreht en lihter schriven. Wij breingen x. ahter uit de kele met tamelic geblaes / niet zonder mouiten tvoorste vande toinge een lettel krommende / ende die lippen starc openende10).

[p. 46]

Ze.

Is een Griecse doubbel consonant als mede met die Latinen / nohtans niet gebruikende dan alleen in Griecse woorden1) / ende int middel veranderende in twe ss2). In Nederduits alzo wij die bezigen / waer z. ooc komt / ist geen doubbel consonant2) noh ooc semivocael3) / nohtans meer z. in tspreken en schriven bezigende dan s4). mits haer natuirlicke zoutheit / waer af wij meer dan die Grieken berommen mogen / angezien zij bij ons een simpel consonants geluit gevende / niet als ss. noh ds. noh sd. is klijnckende5) / maer als een dic ofte volle zout luidende s. dwelc gout om mercken is / die op haerder +beider natuirlicke uitspraec (zo * wij behoren te doun in alle letteren) nau wil letten. Men ziet menih schriver die z. gebruict / maer zonder oordel / want zij der letteren naderschap6) niet gaislaen / daer nohtans z. maeschap7) met s. zijnde die zelve in lieflicheit var te boven gaet / zeer minnelic voor uit die mont spruitende en met weinih geblaes vrolic / en lettel die lippen openende8) / hou wel Appius Claudius z. schude en beschimpte / om dat zij schijnt geheel uit te drucken het drouf tanden getoon9) van een mensche die sterft10). Maer om z. en ander letteren daer voor is af gesproken volle natuir beter te kennen / bij gelikenisse van gebuir letteren / weet dat

anders niet en is { z. } dan { s. } een lettel dicker { verzamen: samen.
anders niet en is { b. } dan { pe. } of volder van { braden: praten.
anders niet en is { t. } dan { de. } geluit vallende / { tiennen: dienen.
anders niet en is { f. } dan { va. } alzo hier blijct. { geufent: geuvent11).

Maer om dat zommige ongeufende menschen swaer duinct in alle woorden s. van z. tonderscheiden / volht (tot ghijt gewent zijt) dezer drij regelen raet. Eerst al dat met s. mout geschreven zijn / zal ende mout luiden gelijc onze c. overal qualic genomt klijnct12) / als hier: sus / samen / simpel / sober / somma /13) seffens / geensins / ontsih14) / maecsel / gesuf / elsen om schoun

[p. 47]

mede naien / met alle woorden daer doubbel s. komt: geesselen / gelikenisse / ossen / klossen / daer al s. klijnct / als onze gemeen1) c. want stelt voor s.z. zult geheel ander geluit hebben / te weten: zus / zamen / zimpel / zober / elzenhout etc.2). Ten anderen blijft s. in tleste van alle woorden die een sijl-+labe van doun * hebben met s. beginnende om een reden te vollen / als zijn: Latijnse / Griecse / Duitse / Franse / houtse / stootse / vaingste / kooptse / helptse / geeftse / neemtse / dectse en gelike feminijnse3) woorden4). Ten derde als s. komt voor enige consonant t'sij in d'begin of middel der woorden / blijftse s. te weten: schamel / stamelen / beschaemt / schellen / stellen / snel / ontstellen / schil / stil / dageschijn / stout / stoot / stont / mergenstont / anstoot / schuit / schurft / schult / met meer duizenden5). Ziende uit dees drij Regelen waer s. plaets heeft / hebt voorts gout te verstaen / dat alle ander plaetsen z. haer als eigen touschrijft / dwelc men mah mercken als s. komt inden beginne of middel der woorden voor een vocale / of diphthonge daer zij in Nederduits haer geluit verliezende6) z. meestendeels plaetse maect / uitgezondert lettel woorden die ic in deerste regel stelle / ende den tijt u noh meer zal openbaren / waer onder meest al zijn die wij vande Latinen en Fransoizen behouden7) / zo oordelen mogen die Fransois en Latijn verstaen / angezien zij die s. in dbegin der woorden altoos wel en natuirlic gebruiken / te weten: sommes, sans, soupçon, sont, sens, soit, soulier, sel, sainct, sorte, serai, serez, sera, seront met duizent ander / in welke woorden s. luit zoot behoort / ende als wij ende zij c. qualic nommen8) / ende daer voor z. willende stellen / zult belaht warden daer wij Neerlanders contrarij gebruiken ende om lahen zouden. Maer in tmiddel der woorden wart s. zo wel bide +Fransoizen * als bide Latinisten9) dicmale vals gestelt / t'Latijn latende varen hoort int Fransois: chose, disons, occasion, presenter, fantasie, raison, composer, cause, presumer, met meer duizenden daer zij s. schriven / ende ghij z. hoort10). In dees navolgende behout s. in tmiddel wel haer plaets: defense, conseille, renuerser, pension, ainsi, personne, penser, enseigner, consentir, response, met meer ander11).

[p. 48]

ij. Geen letter alleen.

Die doubbel ij. (zomen die qualic nomt voor letter / en wel als lainge vocael) heb ic ahter2) gelaten3) / angezien zij geen letter bide Latinen4) noh bij ons is / dan5) alleen bide Grieken / dieze aldus onder bot6) υ. schriven / uitspreken en bezigen inde plaetse van onze u. die daer uit gesproten is / als hier blijct: τύχη, tuche, fortuin. νυϑὸς, nuthos, stom. νυμφαῖος, numphaios, bruidegom. ὑμνος humnos, zainc alle welke die Latinen (die Griecse letter een start aldus γ. gevende) schriven of twe ij.7) waren8) / dwelc d'ongeleerde niet verstaende meinden ij. een9) Latijnse letter wezen gemaect van twe i. schreven die voorseide Griecse woorden aldus: tijchi, nijthus, nijmphoeus, hijmnus10), dat zij nohtans inde Griecse diphthongen niet konden doun / moutende u. behouden / als hier: βῶς, bous, een os. πῶς,pous, een vout. νῶς, nous,11) d'begrijp des verstants / opperste kraht der zielen. Maer alzo die Latinen veel Griecse woorden bezigen / wij geen / heeft den Nederlander +deze letter niet van doun / dan voor * lainge vocael / want daer wij twe i. gebruiken (dwelc nimmermeer12) inden beginne der woorden behoort te wezen) is een lainge vocael / geen Griecse Ypsilon of upsilon / alzo ghij terstont inde vocalen zult horen / daermen die kinderen wel behoort in t'ufenen / om wel leren spellen en schriven / want komende tot t'Latijn en Griex zullen der zelver tale letteren kraht en natuir haest13) leren kennen / geraken zij anders14) bij goude Meesters.

Waerschuwijnge.

Van deze vier en twintih letteren behoren c.15) en x. nimmermeer16) in dbegin van Neerlantse woorden. (ja noh x. int middel / ten ware die zelve

[p. 49]

woorden van haer eerste natuirlicheit scheiden / als: bouc / boucsken / bouxken / houc / houcsken / houxken / douc / doucsken / douxken / etc.1)) plaetse te hebben dander xxii. zeer wel. Letters zelden inden beginne / van oprehte Nederduitse woorden behorende te komen / zijn f.j.u. vocalen2) / want consonant wardende / vintmenze tamelic.3) g. ende s. vindmen ooc zo dicmale inden beginne der woorden niet / nohtans meer dan f.j.u.4).

12)apart, op zich.
13)Dit laatste heeft wsch. vooral betrekking op de consonanten, die volgens p. 39 immers ‘zonder vocalen meest stom’ zijn.
14)klank.
15)voornaamste.
16)Goropius Becanus, Hermathena, p. 59: ‘Nunc igitur ad A, omissa Protogenis apud Plutarchum quaestione, cur haec vocalis primum sibi locum inter litteras vindicarit, quam pòst, ut modò recepi, longè aliter quàm quisquam scriptorum suspicatus hactenus fuerit, explicabo’; Twe-spraack, p. 19: ‘De / a / in alle talen d'eerste letter zynde / na veler mening uyt óórzaack / datze het leeghste ende onwerkelyckste gheluyd heeft /’; Van der Schuere, p. 12: ‘De A bezittende d'eerste plaetze van alle de Letteren’. Voor de geschiedenis van het alfabet vergelijke men D. Diringer, The alphabet. A Key to the history of Mankind, London 19683.
17)ademstroom.
1)middelmatig, of: vrij krachtig; vgl. WNT XVI, kol 855-858. Op grond van noot 6 lijkt de laatste betekenis mij het waarschijnlijkst.
2)T.w. de mond.
3)Gezien deze vergelijking zal De Heuiter hier spreken over de lange vocaal. De juiste klank van de lange vocaal a is dus anders dan de klank die men hoort als een Hollander ja zegt: die realiseert dan immers een palatale klank die De Heuiter met ae verbeeldt; vgl. ook p. 70 en aant. en D, p. 90 en 107-110.
4)Ook de vocaal in de Vlaamse uitspraak van ja is geen goede a; vgl. voor de juistheid van De Heuiters notering Weijnen Dial., p. 151.
5)Hield hij het bij Hollanders en Vlamingen bij woorden die inderdaad ook met zuivere a kunnen worden uitgesproken, hier vergelijkt hij slechts klanken: naast Brabants bai, mai, wai, waar in elk geval ook geen zuivere a wordt gehoord, kunnen we immers niet plaatsen een ‘ABN’ ba, ma, wa, maar bij, mij, wij; vgl. D, p. 214 noot 4 waar o.a. Montanus, p. 98 wordt geciteerd: ‘Hier is oovergeslaegen de ǎej / of ęj / die ic meen vande Braebanders gebruict te worden in gy / my’.
6)meest sonore klinkers; ook o en u worden hier toe gerekend, vgl. p. 52 en 58 en D, p. 186.
7)met het teken aa weergegeven.
8)Goropius Becanus, Hermathena, p. 56: ‘ita longas (vocales) geminata figura frequenter notamus; quòd perinde atque diphthongi geminum tempus trahant, & illud quidem in eodem sono consistens; tametsi quandoque scribentium incuria id negligatur, nonnumquam etiam pro AA vna vocali, AE diphthongus notetur; eo quòd in pronuncianda hac vocali longa, os, quasi hiando defessum, in E quodammodo desinat: Siue enim Taam / & Maat / siue Taem / & Maet scribamus’. Lambrecht had in 1550 al gepleit voor de spelling aa, en ook Sexagius en Spiegel stonden deze voor, zij het dan ook dat zij geen van allen de spelling ae volledig uit het systeem wilden bannen. De Heuiter is door Goemans (L.B. 4, p. 68) Hellinga (Opbouw, p. 312) en Zwaan (Van der Schuere, p. 71) ten onrechte tot aa-speller uitgeroepen: in de hele Nederduitse Orthographie trof ik slechts 17 woorden met aa aan. De Heuiter pleit alleen voor het gebruik van aa in die gevallen (dialecten) waarin men inderdaad aa uitsprak; gezien de grote overvloed van ae-woorden bij De Heuiter meen ik hem als ae-speller en -spreker te moeten beschouwen. Vgl. uitvoeriger D, p. 90-92 en 107-110 waar ook Sexagius' systeem beschreven wordt.

+42
9)Constateert ge; vgl. voor deze mouillering D, p. 133-134.
10)T.w. de letter b.
11)‘en’: een.
12)De Heuiter wijst dus vooral op het bilabiale plofferachtige van deze consonant; vgl. D, p. 148 en 178-183. Vgl. ook Lambrecht, p B Ir: ‘B / be / de leppen zoetgins zonder persen d'eane teghen d'ander voughen'; Goropius Becanus, Hieroglyphica, p. 132: ‘Consonans B sic Terentiano pronunciatur, vt labella comprimat, & eorum oras figat’ en p. 133: ‘Ipsum enim B consonans intra labra fixum maneret, vt Terentianus docet, nisi ab E foras protruderetur’.
1)Vgl. p. 52 en 61 en D, p. 147.
2)Kil. noemt krebbe Vlaamse vorm naast kribbe.
3)lebmaag, of: afgesneden stuk vlees.
4)Kil. noemt rebbe Vlaams voor rib(be).
5)Kreppe of krippe niet bij Kil. WNT VIII, kol. 165-166 vermeldt krep in bet. lapje vlees of vernederlandsing van Fra. crêpe; zie noot 11.
6)Zie noot 8.
7)Kil. geeft dit als Vlaams naast lippe (lip). Ik denk hier niet aan het Fries-Groningse ‘leppe’ spade, schop.
8)hippen? Men vraagt zich bij deze en andere voorbeeldenreeksen uit Nederduitse Orthographie soms af of De Heuiter wel bestaande woorden uit allerlei dialecten gebruikt als illustratiemateriaal, of dat het hem alleen om de klanken te doen is.

9)einde.
10)Vgl. Janssen I, p. 48; ook De Heuiter p. 34.
11)De Heuiter duidt hier uiteraard op de klanken die door de drie tekens worden voorgesteld.
12)de punt.
13)Zijn beschrijving op p. 51 bij k is nog vager voor wat de bewegingen van de tong betreft.
14)Hij beschrijft dus het optreden van een ademstroom. Vgl. Goropius Becanus, Hermathena, p. 118: ‘nobis constat C & K idem esse; atque inde mox liquet, nomen huius litterae Ke esse debere.’; en p. 215: ‘Tertio elemento orationem auspicatur, quod vt Kappa pronuntiandum, non vt vulgus per S lenius profert’.
15)De Heuiter verzet zich tegen de ook nu nog gebruikelijke benaming van c, ‘see’. Vgl. ook p.54 en D p, 156.
16)Als teken.
17)hetzelfde.
18)normale klank.
19)Hieruit volgt dat De Heuiter toch aan c en k ietwat verschillende klanken toekent. De Heuiter ziet nog niet dat de tekens c en h te zamen één klank voorstellen. Vgl. Twe-spraack p. 43: ‘() moghen wy / c / niet ontberen: wantse voor de / h / komende ende tusschen / s / en / h / gestelt / ons de zelve letters helpt verstrecken’. Montanus beschouwt ch als aparte letter, de ech; vgl. D, p. 157-358. De Heuiter zal bij deze c die tussen s en h staat, waarschijnlijk vooral denken aan de ‘see’, de naam die hij zojuist verworpen heeft.
20)kunnen.
21)Goemans (L.B. 4, p. 73, n. 1) deelt mee dat De Heuiter voorstelt om sh te gaan schrijven i.p.v. sch; het tegendeel is waar. Van Heule II, p. 12 gaat wel zover; vgl. p. 43, noot 11. Voor de Duitse opvattingen in de zestiende eeuw van ch en en sch vgl. Jellinek H, p. 12.
+43
1)waar men s en c achter elkaar moet schrijven.
2)Oude spelling voor versiert, teruggaand op de vroegere Franse schrijfwijze chiere.
3)Vgl. Twe-spraack, p. 44: ‘dies zoud' ick de / c / laten behouden haar ghewoonlyck gheluyd ende bezigen die óóck daar de / k / in gheklanck verdubbeld om de niewicheid te myen / van / kk / te schryven’. Dafforne, p. 88-89 valt De Heuiter op dit gebruik van c aan; vgl. D, p. 59.
4)daken; vgl. WNT III, kol. 2244; of, als werkwoord, van een dak voorzien; vgl. WNT III, kol. 2252.
5)stoten, betasten etc.; vgl. WNT III, kol. 2752.
6)pochen, pralen; vgl. WNT XII, kol. 3807-3810.
7)Mv. bij hach: gevaar?; vgl. WNT V, kol. 1501; of een door De Heuiter bij het tussenwerpsel hach gevormde infinitief?; vgl. WNT V, kol. 1502.
8)kuchen; vgl. WNT VII, kol. 2742-2743.
9)kuchen; vgl. WNT VIII, kol. 4850.
10)Onbekend; misschien mv. naast troch? Vgl. ook p. 42 noot 8. Met zijn informatie suggereert De Heuiter in al deze woorden een dubbele h te horen.
11)Ging deze spelling hem te ver? In nnl. lacht enz. spelt hij consequent laht, maar in woorden als lachen spelt hij ch; vgl. D, p. 157 en 161. Van Heule II, p. 12 neemt De Heuiters voorstel, zonder overigens zijn naam te noemen, over en gaat zelfs verder: ‘Ooc is de C overtollich in alle woorden die wy met CH schrijven / want Heilih, dah, luhtih, shoon, aldus geschreven zijnde / veroorzaekt merkelicke kortheyt / ende zoetvloeyentheyt’. Vgl. tegen het voorstel van De Heuiter Dafforne, p. 88-89, geciteerd D, p. 59.
12)Tekst: ‘Frainsoizen’.
13)Vgl. p. 41, noot 6. De Heuiter verzet zich blijkens de voorbeelden vooral tegen het Frans. Voor het Latijn, vgl. p. 42, noot 10. Lambrecht, p. B Iv, constateert hetzelfde verschil voor het Nederlands: ‘c / cé / de welk heeft twea crachten te wéten van een k / ende dat alsse staad voor a / o / of u; ende van ean s / ende dat voor e of i staande’. Vgl. ook Twe-spraack, p. 43: ‘De / c / is int Duits weynigh nut / want wat die voor / a / o / ende / u / klinckt / daar in dient ons de / k / die t' selve gheklanck voor / e / ende / i / heeft: ende wat de / c / voor / e / ende / i / doet / daar toe magh ons de / s / dienen die t' selve gheluyd voor alle klinkers heeft’. Uitvoerig over al deze kwesties Van der Schuere's commentaar door Zwaan, p. 54-56.
14)‘caver’.
15)‘écu’.
16)‘cuver’.
17)T.w. c en volgende vocaal.
18)Tekst: ‘in.’.
1)‘éclaircir’.

+44
2)de punt.
3)Vgl. p. 42, noot 20.
4)flink, goed.
5)De Heuiter beschrijft d als een alveolare explosief; vgl. D, p. 162-163 en 178-183. Goropius Becanus, Hermathena, p. 126: ‘Nos Terentianum & Martianum Capellam laudamus, qui linguae ad dentes appulsu has litteras formant (). Cum igitur in harum pronuntiatione linguae extremitas dentibus, quibus sonus eius ligatur, impellitur & coërcetur eorum illisione; fit vt sonus earum ad vinculi vim exprimendum commodus videretur’. Lambrecht, p. B Iv: ‘d / dé / thende van ean dicke tonghe zoetgins téghen d'opperste tanden stékende / al grollende ean weinigh’.
6)Uit De Heuiters woorden blijkt dat het zuiver een spellingskwestie is; zelden wijkt hij zelf van deze regel af, hij is dus geen voorstander van de gelijkvormigheidsspelling die in deze tijd begint op te komen; vgl. D, p. 163. Twe-spraack, p. 42: ‘De b en p in abt, beslabt, krabt ende tapt, lapt, klapt verschelen in geklanck wainigh / als óóck de d en t in ghód, pót, ghlad, ghat, pad, spat’.

7)weinig sonoor zijn; vgl. p. 41, n. 6. (p. 25).
8)flauw, slap.
9)Het harde palatum; vgl. D, p. 94.
10)zwakke ademstroom.
11)langzaam.
12)De Heuiter onderscheidt dus niet, als Sexagius, scherplange en zachtlange e; evenmin lange of korte vocaal of svarabhakti- of reductievocaal. Voor de beschrijving vgl. Goropius Becanus, Hermathena, p. 65: ‘Terentianus nobis cecinit, in E pronunciando, rictum modico tenore deprimi, lingua vtrimque molares premente. Quiuis in E efferendo sentit linguam non molares modò, sed radices etiam dentium anteriorum premere, atque vndique se firmare’. Vgl. ook de omschrijving van Lambrecht, p. Blr: ‘e / wat zoetelic grijnkelende / thende van der tonghe téghen d'onderste tanden’, en Twe-spraack, p. 19: ‘De / e / komt vóórt met een uytpuilende kin / tende des tongs teghen d'onderste tanden: als ghy my hoort uyten in ego, echo, me, te, ere, ezel, be, re’, die daar overigens aan toevoegt dat achter het teken e verschillende klanken schuil gaan.
13)hunlieder.
14)Vgl. Mekerchus p. 94-95: ‘Postea Simonides Melicus ex duobus E E invertit alterum, hoc modo EƎ, deinde ea coniunxit ac effecit unum H’.
1)Vgl. p. 40.
2)Vgl. p. 40, n. 4 (p. 24).
3)Vgl. Erasmus, kol. 955: ‘() primum quod in f, labium inferius apprimitur superioribus dentibus, deinde quod spiritu leniore profertur’; Lambrecht, p. B iv: ‘f/ef/d'opperste tanden téghen d'onderste leppen haudende / al blázende’; Goropius Becanus, Hermathena, p. 127: ‘Suavi enim spiritu efflatur, labro superiore leuiter ad inferius depresso, & inferiore interius ad superios dentes retracto’; vgl. ook D, p. 154.
4)De in p. 54, noot 10 geciteerde woorden van Quintilianus vervolgen met: ‘quin fordeum faedosque pro adspiratione F velut simili littera utentes; nam contra Graeci aspirare F uit φ solent, ut pro Fundanio Cicero testem, qui primam eius litteram dicere non possit, irridet’.
5)Priscianus I 13: ‘quare cum f loco mutae ponatur (id est p et h sive φ), miror hanc inter semivocales posuisse artium scriptores: nihil enim aliud habet haec litera semivocalis, nisi nominis prolationem, quae a vocali incipit’.
+45
6)Vgl. p. 21 en 35 en D, p. 154 en Erasmus 957: ‘Nee inutiliter Claudius AEolicam illam Ⅎ ad hoc usus literam adjecerat’.
7)De naam is overgenomen uit het Hebreeuws, vgl. p. 32 en 55 en Priscianus I 20: ‘() F diagamma, id est “vau” ab ipsius voce profectum teste Varrone et Didymo, qui id ei nomen esse ostendunt’.
8)Vgl. Erasmus, kol. 957: ‘Nam Victorinus tradit AEolicum digamma eandem esse literam quam Hebraei dicunt Vau, eamque respondere nostrae v, consonanti’.
9)Vgl. Priscianus I 12: ‘F AEolicum digamma, quod apud antiquissimos Latinorum eandem vim quam apud AEolis habuit, eum autem prope sonum quem nunc habet, significabat p cum aspiratione, sicut etiam apud veteres Graecos pro φ π et illustratie, unde nunc quoque in Graecis nominibus antiquam scripturam servamus pro φ p et h ponentes, ut “Orpheus” et “Phaeton”, postea vero in Latinis verbis placuit pro p et h f scribi, ut “fama”, “filius”, “facio”, loco autem digamma u pro consonante quod cognatione soni videbatur affinis esse digamma ea litera’.
10)kunnen.
11)Vgl. Goropius Becanus, Hermathena, p. 127: ‘Apud Graecos eius (f) loco φ habetur, quod duriusculum est’. De Heuiters woorden ‘zonder geblaes’ kunnen duiden op het ontbreken van het spirantisch karakter in het Latijn; vgl. noot 4 hierboven en vgl. D, p. 179.
12)Vgl. Goropius Becanus, Hermathena, p. 51 over: ‘De huius litterae figura, & quare Digamma ab aliis Graecis, ab AEolibus Vau vocetur’.
1)gedaanten, figuren.
2)Vgl. Goropius Becanus, Hieroglyphica, p. 164: f, ‘quam figuram AEoles, eo quòd duplex gamma alterum alteri impositum videretur, digamma nominarunt’.
3)hun.
4)bij.
5)Vgl. Priscianus I 42: ‘() huic praeponitur p et loco ψ Graecae fungitur, pro qua Claudius Caesar antisigma x hac figura scribere voluit’.
+46
6)Vgl. p. 35.
7)Pomponius schrijft aan keizer Appius Claudius Caecus De Usurpationibus toe, welk werk evenwel verloren is gegaan. Mogelijk ontleende De Heuiter dit gegeven aan Priscianus I 20: ‘V vero loco consonantis posita eandem prorsus in omnibus vim habuit apud Latinos, quam apud Aeolis digamma. unde a plerisque ei nomen hoc datur, quod apud Aeolis habuit olim F digamma, id est “vau” ab ipsius voce profectum teste Varrone et Didymo, qui id nomen esse ostendunt. pro quo Caesar hanc figuram scribi voluit, quod quamvis illi recte visum est, tamen consuitudo antiqua superavit’.
8)Vgl. Sexagius, p. 238-239: ‘Non inuenio autem quae commodior posset in hoc seligi literae species & quai fini aeque atque principio vel medio dictionis conueniat, ea qua veteres AEolas ad denotandum eundum sonum, vsos fuisse existimo, nempe hanc, digammatis inuersi Ⅎ quae minus his aliena videri potest quod f inuersae speciem referat, quam va prolata v trito hactenus more nuncupandam censerem, quo scilicet sonus istius Ⅎ melius significetur, & facilius ab f distinguatur, va & fa inter se conferendo. Hac nota seu litera Ⅎ scribenda censeo omnia quae crassum hunc sonum habent (quur enim quae eundem sonum habent non ijsdem literis scribamus) siue collacanda veniat in principio, siue in medio, siue in fine dictionis’.
9)ben ik bang.
10)Wat mij betreft.
11)ten leven gewekt.
12)betreffende.
13)Tekst: ‘ziin’.
14)afkeuren, een kwaad woord zeggen over.
1)Vgl. Sexagius, p. 240: ‘mos à doctis vbique saevissimus tyrannus numcupetur’.
2)Vgl. p. 55-58.
3)Vgl. voor het Duits Goropius Becanus, Gallica, p. 14: ‘Vitant enim quàm possunt maximè omnem sermonis suauitatem; atque ideò in principio pro V. pronunciant F. vt pro Vrancryc, Francreich; pro Vatten, Fassen, quod est comprehendere; pro vel, quo pellis notatur fael aut fel; & Latinè loquentes pro vino potant finum’. Vgl. ook Van Heule II, p. 7.
4)flets, doods, vervelend (vgl. WNT III, kol. 4340).
5)Vgl. hiervoor D, p. 68; alleen van het Nnl. vonk (De Heuiter foinc) staat de ontlening niet vast.
+47
6)daarentegen.
7)Vgl. Lambrecht, p. B vir: ‘De vocálen voor de consonanten allean staande / verliezen wat van haarlieder rechte uutsprake’. Sexagius verbond scherp- en zwakgesneden met kort en lang (vgl. K. Kooiman, Een verhandeling over scherp en zwak gesneden klinkers uit de zestiende eeuw, in NTg 46 (1953), p. 222-223; vgl. D, p. 81-82.

8)De Heuiter spreekt hier over de naam van de letter.
1)Deze h verwerpt hij ook op p. 83. Vgl. ook Goropius Becanus, Hieroglyphica, p. 18: ‘Iam G septimum in vocibus elementum duas etiam sortitum est figuras; alteram qua G lene denotatur, proximè ad sonum C accedens; alteram qua Gh aspiratum & ex imo pectore ductum depingitur’, en p. 219: ‘Sonat enim G cum adspiratione ex ipso pulmone altius efflandum, quo nostrates in fine maxime vtuntur; vt in Hoogh / Oogh / Doogh / Boogh / Wagh / Hagh / Lagh / & similibus. Nos tamen non semper adspirationem addimus in scribendo, eo quòd ipsum G ita ferè proferatur, vt plerumque in ore plurimorum adspiretur. Sic alij Gh, alij G simpliciter scribunt. Illud interim certum aurium est indicium, G in fine nobis semper ex praecordiis duci, atque idcirco G adspiratum esse’.
2)Lambrecht, p. B iv, schrijft over g o.a.: ‘voor e / ende i / zo medeluudse ghelijc i consonant voor de vocálen. doed’, en ook Goropius Becanus is het niet met deze bewering van De Heuiter eens: vgl. Origines Antwerpianae, p. 430-431: ‘() Quid quod et Flandri Iun pro Gun dicunt, quod ipsis idem, quod Latinis faveo, signat’, en Vertumnus, p. 27: Quia tamen G & I consonans magnam habent soni vicinitatem, multi G in I mutarunt, vt factum est Ia particula sermonis affirmante’.
+48
3)gematigd, onduidelijk.
4)Lambrecht maakt op p. B iv onderscheid tussen g voor a, o of u en voor e en i. De eerste beschrijft hij ‘ghelijc offer en h tusschen stonde / tdicke ende platte van der tonghe achter téghen tverhémelte van den monde’; voor de tweede zie aant. p. 47. Vgl. ook Goropius Becanus, Hermathena, p. 137: ‘Deinde littera ipsa non solùm à dentium septo intus refertur; sed ad ipsum palatum spirat: quo monemur, omne id quod propriè ad nos referimus, sursum ferri, & anhelare debere’.

5)Vgl. Priscianus I 16: ‘h autem aspirationis est nota et nihil aliud habet literae nisi figuram et quod in versu scribitur inter alias literas’, en I 47: ‘H literam non esse ostendimus, sed notam aspirationis’.
6)Vgl. Priscianus II 9: ‘In h, quae est nota aspirationis, non potest terminari syllaba. invenio tamen in ‘vah’ et ‘ah’ interiectionibus terminalem videri syllabae h, sed magis puto, ut superius dictum est, per apocopam hoc solere fieri, cum perfecta ‘vaha’ et ‘aha’ sint, vel quod abscondita voce solent interiectiones et huiuscemodi voces proferri, ut eadem ‘ha ha’, ‘he he’; vgl. ook de woorden van Erasmus geciteerd in noot 4 bij p. 49.
1)Misschien kende De Heuiter het epigram van Catullus (geciteerd D, p. 47) uit een afzonderlijke uitgave van Catullus gedichten. Hij kan het echter ook gelezen hebben in Goropius Becanus Hermathena, waar het geciteerd staat op p. 58.
2)Quintilianus I v 20: ‘Parcissime ea veteres usi etiam in vocalibus, cum aedos ircosque dicebant; diu deinde servatum, ne consonantibus aspirarent, ut in Graccis et in triumpis; erupit brevi tempore nimius usus, ut choronae, chenturiones, praechones adhuc quibusdam in inscriptionibus maneant, qua de re Catulli nobile epigramma est’.
3)geblaf.
+49
4)Vgl. Erasmus, kol. 957: ‘De h, propemodum convenit inter Grammaticos, e literarum catalogo jure submovendum esse, nihilioque justius videri ut inter literas numeretur, quam si apud Graecos spiritus tonive nota in literarum ordinem accerseretur, quum interim, invitis Grammaticorum centuriis prope dixerim, regnet in mediis literis praeposita vocalibus lenius sonans’. Lambrecht nam h in zijn alfabet op, evenals Sexagius.
5)Vgl. p. 38.
6)wicht.
7)vlecht.
8)De Heuiter past deze spelling niet alleen toe in Nederduitse Orthographie, maar ook in De Veterum ac sui saeculi Belgio, waar ik o.a. noteerde die Veht en Maestriht; vgl. D, p. 226, noot 297. Van Heule II, p. 12, schrijft: ‘Ooc is de C overtollich in alle woorden die wy met CH schrijven / want Heilih, dah, luhtih, shoon, aldus geschreven zijnde / veroorzaekt merkelicke kortheyt / ende zoetvloeyentheyt’. Daarbij moet worden opgemerkt dat De Heuiter nooit heeft voorgesteld om sch als sh te gaan schrijven, zoals Goemans heeft gesuggereerd; vgl. hiervoor D, p. 167-168.
9)moet.
10)Erasmus, kol. 957 wijst erop dat h slechts zelden achter vocalen komt te staan in het Latijn, en dat ‘in aliquot barbaris & interjectionibus, veluti in ah, vah, oh, & proh, non sine rixa tamen Grammaticorum, cavillantium id per apocopen fieri, quum integrae voces fuerint, aha, vaha, ohe, & prohe’.
1)Vgl. Lambrecht, p. B iv: ‘h / há / of haats’ en het Franse hache. Vgl. voor de naam ha echter ook Goropius Becanus, Hermathena, p. 214: ‘Ne tamen quidquam vel melius posset excogitari vel compendiosus, omnia nomina monosyllaba fecerunt; & vocales quidem per se; consonantes verò, quia aliter audiri non possent, vna adiecta vocali extulerunt. Nec aliis consonantibus aliam vocalem, sed omnibus vnam eandemque secundam tribuerunt; tum vt facilior litterarum traditio esset ac memoria; tum vt in omnibus consonantibus cogitaremus, nihil in rerum natura esse posse, quod non nitatur ipsi Vni, tamquam fundamento. Quamvis enim Ha quosdam audiamus pronunciare; id tamen vitiosè fit, & contra certarum consonantium regulam. Hebraei He seruarunt, pro eo ac vera ratio postulat’.
2)Vgl. Erasmus, kol. 951: ‘Et ne quid existimemus sub sole novum esse, sunt hodie qui spiritum addunt ubi nihil opus, & spiritum adimunt ubi erat addendus. Quorum hoc posterius Flandriae parti gentilitium est, qui mira constantia spiritum addunt tenuibus et adimunt adspiratis. Is error velut agnatus haeret illis etiam Latine Graeceve sonantibus’.
+50
3)Goropius Becanus, Hieroglyphica, p. 219 rekent h tot de gutturalen: ‘Nos, qui scimus singulis litteris suos esse peculiares sonos, tametsi ab Hebraeis & aliis pronuntiatio maiorem in modum sit corrupta, dicimus hanc litteram gutturalem esse’.
4)Vgl. p. 39.

5)Vgl. voor e p. 44. Het foneem / ε / kunnen we dus als midden-achter, / i / als midden-voor beschrijven; vgl. D, p. 186.
6)/i/ is dus meer open dan /ε/; vgl. D, p. 186, en p. 99-100 waar de juistheid van De Heuiters bewering betwijfeld wordt. Vgl. verder ook Quintilianus IX iv 34: ‘E planior littera est, i angustior est, ideoque obscurius in his vitium....’.
7)Vgl. p. 39.
8)Vgl. ook p. 85-86 en D, p. 134-138. De Heuiter wijkt in de praktijk maar zelden van de hier gegeven regel af.
9)Vgl. Quintilianus I iv 11: ‘Sciat enim Ciceroni placuisse aiio maiiamque geninata I scribere’ en Priscianus I 18 die meedeelt dat i moet worden gehouden ‘pro duplici autem, quando in medio dictionis ab eo incipit syllaba post vocalem ante se positam subsequente quoque vocale in eadem syllaba, ut ‘maius’, ‘peius’, ‘eius’ in quo loco antiqui solebant geminare eandem i literam et ‘maiius’, ‘peiius’, ‘eius’ scribere, quod non aliter pronuntiari posset, quam si cum superiore syllaba prior i cum sequente altera profertur, ut ‘pei-ius’, ‘ei-ius’, ‘mai-ius’; en Priscianus I 50: ‘in Graecis vero, quotiens huiuscemodi fiat apud nos diaeresis paenultimae syllabae, i pro duplici consonante accipitur, ut “Μαῖα, Maia”, ᾿Αἴας, Aiax’; ook geciteerd door Goropius Becanus, Hermathena, p. 51.