terug  begin  verderprepost

Vande vocalen of klainkers.

Consonanten of meklainkers alleen gestelt / konen noh mogen geen eigent-heit tonen / noh bewizen haer te wezen kort of lainc: hart / noh zaht: starc noh krainc / maer zeer wel bij enige vocale gevoucht en gestelt5). En daerom +vande zelve* consonanten in elke letter geschreven hebbende dat t'Nederduits van node is om wel spellen en schriven / zal mij niet vorder mouiën vander zelver scheidijnge6) of deilijnge7) / als tot onzer materie niet dienende / maer keren mij om der vocalen ofte klainkers nature ende kraht / niet alleen8) gestelt (daer voor af gesproken is) maer tsamen gevouht te thonen met alle tgene daer uit spruit / angezien in dezer zaken kennisse en onkennisse / ons Taels wel en qualic spellen en schriven / meest gelegen is. Die Latinen leren ons dat die vocalen / thien ofte twalef verscheiden geluits / klainc en kraht voortsbreingen9) / dwelc waer te wezen die diphthongen openlic thonen en leren / en meest onder10) die Nederduitse diphthongen eu. ende ou.11) naerstih onderhouden mout zijn / zo ic daer zal vermanen ende nu hier verhale / want het voor deerste / als een zalige leefregel / mout zonder vergeten onthouden zijn. Die vijf korte vocalen hebben alle lezers en schrivers / altoos bekent

[p. 50]

geweest / maer die lainge vocalen qualic of niet / dan die Latijnen1) geleert hebben / of van zulke2) daer af onderwezen zijn / welke vocalen men alder-meest door voorschriften zal wijs warden3).

Korte vocalen of klainkers.

a. {dat / lat / bart / vat / rat / plat.
e. {net / bet / let / best / het / er.
i. {dir4) / vir4) / min / zin / pin / stil.
o. {lof / grof / hof / grot / pot / kot.
u. {put / zur4) / natur4 / schut / rut5) / but6).

+ Lainge vocalen of klainkers

aa. {daat / laat / baart / vaart / raat / plaat.
ee. {neet / beet / leet / beest / heet / eer.
ij. {dijr7)) / vijr7 / mijn / zijn / pijn / stijl.
oo. {loof / groof8) / hoof9) / groot / poot / koot.
uu. {puut / zuur / natuur / schuut / ruut10) / buut11).

Om lainge vocalen uit korte natuirlic te kennen / daer geen verdoubbe-lijnge komt12) / alst dicmale gebeurt zuldij weten / dat als een vocale staende tuschen twe consonanten / int begin / middel / of einde der woorden kort is / zuldij der zelver kraht en geluit zeer lettel en krainc horen / die consonant

[p. 51]

vol en starc / haer haestende om tsamen krahtih gehoort te warden1). Als die zelve vocale lainc is / zuldij haer geluit zeer krahtih en vol / ja of zij ver-doubbelt stont / horen / lansem2) tot die twede consonant komende / te weten: Brabander, ghij voult hou lainge men inde sijllabe bra / blijft / eermen tot ban / komt / dwelc niet zoude geschien / waere in bra / die a. kort / maer zout alsdan mouten spreken en spellen / aldus: Brab-an-der. Gelevert, heeft zijn twe eerste sijllaben lainc / vert, kort / waren zij alle drij kort / zo zoudij aldus mouten spreken en spellen: gel-ev-ert3). hier uit zuldij van alle andere korte / of lainge sijllaben gewent warden / t'oordelen daer die vocalen niet gedoubbelt staan / mits dat deze verdoubbelijnge / in duizentih4) lainge sijl-laben notelic / en weder onnotelic is5) / dwelc ghij tot meerder verklarijnge / +in alder vocalen exempelen / hier uit * moeht6) leren: Brabander, qualic / nemen / menijnge / schriven / bliven / togen7) / mogen / lure8) / bure / die al deerste sijllaben lainc hebben / en daerom mout lezen oft aldus geschreven ware: Braabander / quaalic / meenen / meenijnge / schrijven9) / blijven / toogen / moogen / luure / buure / want waren zij kort / zo zoudij al-dus spreken: Brab-ander / qual-ic / men-en / men-ijnge / schriv-en / bliv-en / tog-en / mog-en / lur-e / bur-e. Desgelijx oordelt inde tweede / derde ende leste sijllaben der woorden / want tzelve wel bemerct10) / zal zeer helpen tot wel spellen en schriven / ja tot meer ander zaken11).

Van alle onze vocalen zijnder geen die iet betekenen / of voor een woort dienen / dan alleen u. daer den Hollander ju. zeit12). bide Latinen betekenen13) a.14) ende e.15) bide Fransoizen a.16).

[p. 52]

Den meesten dele vande korte vocalen in woorden van eender sijllaben / meest eindende met n. ende t.1) sprekende van veel verdoubbelen die zelve n. en t. te weten: dat datte2) / vat vatten3) / net netten / pet petten4) / min minne / vin vinne / pin pinne / zin zinne5) / put putten / schut schutten6). Dees verdoubbelijnge sprekende van veel geschiet die lainge vocalen niet zo dicmale / te weten: daten7) / baten / vaten8): neten / beten / peten9): diren10) / viren11) / minen / zinen: love12) / grove13) / hoven: zure / nature / alhier /a/e/i/o/u/ in deerste sijllaben lainc blivende / dat nau14) luisterende ons d'oren leren / hou wel zij haer leste consonant niet doubbelerende / een vocale weh werpen15).

+Tis even vele of ghij die lainge vocalen nomt grote a / e / i / o / u / lainge a / e / i / o / u / doubbel a / e / i / o / u / of elke letter twemael nomt / alleen als ghize onder die letteren niet en telt / dwelc alleen die korte vocalen / onder alle Taels letteren toukomt / ende dus lainge qualic ij. heeft gedaen16) / of men most elke lainge vocale / een nieu eenvoudih maecsel en gedaente verzieren17) / zo die Grieken hun lainge e. en o. hebben gedaen18) / dwelc ons niet van node is der letteren natuir verstaende.

[p. 53]

Hier uit mahmen mercken der thien vocalen natuir en gebruike / om die zelven in alle woorden opreht bezigen / zonder diepzinnih des gemeen mans verstant voor deze reize hier meer af schrivende (datmen zeer wel zoude doun / ende int lainc) te beladen / want dat hun notelic is om weten / zullen zij vinden voor inde letteren / of hier na inde diphthongen en triphthongen. Alleen ziet tou dat ghij niet lihtvaerdih beziht lainge vocalen voor diphthon-gen / noh diphthongen1) voor lainge vocalen / melkander na bestaende2) / dan daert veranderijng altemet3) om zoutheit is eissende / of u lants4) zede die ghij wilt volgen. Die melkander bestaen zijn: aa / ae / en ai / baat / baet / bait5) / ij. en ie. dijr / dier / vijr / vier6) / oo / oi / door / doir7) / uu / ui / buuc / buic8). Desgelijx inde korte vocalen met haer gebuir diphthongen / als: lang / laing9) / ende / einde10). Alle dwelc u d'oren wijs maken zullen +nau11) luisterende / of ghij vocalen hoort van eender of verscheiden na*ture / want zijnse van eender nature / moutent vocalen bliven: Zijnse van verscheiden12) diphthongen of triphthongen13) / ten ware u dees twee puntkens .. boven een vocale staende / anders leerden daer ic hier ahter meer af schriven zal14). Niet te min igelic zijn oordel latende / duinct mij dat alle landen15) haer vriheit behoren te houden / in tgebruic meest der lainge vocalen en diphthongen / na eische haerder Talen / indien anders16) niet die zelve te bottelic en plompelic weerstaet die nature van gout ront Nederlants17) / als zommige plaetsen doun / schrivende en printende / eerden, voor airden, niet merkende18) op d'onderscheit: Zij eerden met eerwaerdicheit haer overheit / zij airden19) / d'airde om bezaien. Zij keerden thoi om drogen / Den voller20) kaerde21) twollelaken. Tlant is verheert22) van een geluckih23) bouf / Zij zijn verhairt24) uit hun oude woonplaets. Den man heeft zijn gout onrehtelic vermeert / Den man heeft zijnen naem eerlic vermaert25) / met meer duizenden dezer gelijc26).

5)Vgl. Goropius Becanus, Hermathena, p. 43: ‘Consonantes, quia per se soni non sunt, sed vnà cum aliis sonant; per se aures mouere non possunt’, en: ‘Consonantes enim, Priscianus inquit, sine vocalibus immobiles sunt’.
+65
6)verdeling.
7)indeling (in groepen als muten etc).
8)apart.
9)Priscianus I 5: ‘Sunt igitur figurae literarum quibus nos utimur viginti tres, ipsae vero pronuntiationes earum multo ampliores, quippe cum singulai vocales denos unveniantur sonos habentes vel plures, ut puta a litera brevis quattuor habet soni differentias. () longa vero eadem sex modus sonat.
10)bij.
11)Vgl. p. 72-76.
1)Latijn.
2)mensen die Latijn hebben geleerd.
3)leren. Vgl. voor de oppositie van korte en lange vocalen ook Erasmus, kol. 946 (‘Rat-raet, gat-gaet, bat-baet, vles-vlees, best-beest, lest-leest, vel-veel, put-buut, bret-breet, vet-veet, wit-wijt, win-wijn), kol. 948 (lis-lijs), Lambrecht, p. C viiv (at-aatt, heft-heeft, zitt-bijtt, bruiloft-gheloofd, but-uut), Sexagius, p. 197 (van-vaan, gat-gaat, lat-laat, bat-baat, mal-maal, rat-raat), p. 203 (zon-zoon) en vbb. op p. 242-245, Goropius Becanus, Hermathena, p. 89-93 (lac-laac, at-aat, as-aas, sat-saat, hat-haat), p. 109 (wit-wijt) en Twe-spraack, p. 22 (bal-baar, bel-beer, bil-byt, bock-boor, bul-buur).

4)Op grond van deze voorbeelden vraagt men zich af of De Heuiter bestaande woorden wil geven of dat het hem alleen om de klank-oppositie met de nog volgende voorbeelden van de lange vocalen te doen is.
5)rut ‘arm volk’ en ‘alles verloren hebbend’ komt blijkens WNT XIII, kol. 1930-1931 al in de zestiende eeuw voor.
6)Vgl. WNT III, kol. 1932: stoot of platvis.

+66
7)Vgl. p. 74 onder ie.
8)Bedoeld als nevenvorm van graf? Of gelijk hierboven, noot 4.
9)Naast hof-hove? Of noot 4.
10)Vorm van ruien, of ruit, wijnruit?
11)buit.
12)De Heuiter heeft al gewezen op de gevallen a. korte vocalen (vbb. dat etc.) b. lange vocalen in gesloten syllabe (vbb. daat etc.). Nu volgt het moeilijke geval c. lange vocalen in open syllabe (vbb. Bra- in Brabander, gele- in gelevert en ‘duizentih’ andere gevallen). Hij kent waarschijnlijk de tweeërlei kwantiteit van lange vocalen, waarover Ampzing later uitvoerig zal spreken. Dat Brabander in de eerste syllabe een lange a heeft (hoewel met één teken geschreven) blijkt uit de aansluiting van deze vocalen bij de volgende consonant en kan men horen in de uitspraak: ‘of zij verdoubbelt stont’; maar zij staat niet verdubbeld. Zie verder noot 3 en 5 op de volgende blz.
1)Vgl. p. 39 en 47, en D, p. 80 en 81 voor deze informaties over scherp- en zwakgesneden klinkers.
2)langzaam.
3)De vocalen van de eerste twee syllaben, die open zijn, lijken door hun spelling kort, maar ze zijn het niet. De Heuiter spreekt over hun kwantiteit tegenover die van de slotsyllabe met korte e. De kwaliteit van alle drie zal wel gelijk zijn, evenals die van Bra- en -ban-. Onze kleurloze reductievocaal vinden we nergens bij De Heuiter, zomin als bij andere grammatici van de zestiende en zeventiende eeuw.
4)Lett.: duizend, vgl. WNT III, kol. 3645; hier uiteraard onbepaalder.
5)Het dubbele teken is in open syllabe dus nodig en niet nodig tegelijkertijd. Nodig is het omdat de vocaal niet enkel (kort) is blijkens de aansluiting bij de volgende consonant en haar eigen uitspraak. Niet nodig is het blijkens de algemeen gebruikelijke spelling, die geen verdubbeling toelaat. Vgl. ook het slot van p. 67.
+67
6)De Heuiter gebruikt hier de vorm die hij op p. 75 zelf als Vlaams beschouwt.
7)Pluralis van toge? of togen = trekken? of de Vlaamse vorm bij tonen?
8)doek.
9)Vgl. p. 83-84 waar De Heuiter de spelling ij in open lettergreep verwerpt. Het grote probleem op deze bladzijden is voor De Heuiter en voor ons de kwestie van de kwantiteit: er zijn korte, lange en niet geheel lange klanken. Hoe kunnen we dit verschil in de spelling laten uitkomen?
10)goed in het oog gehouden.
11)Jammer genoeg expliciteert De Heuiter niet nader.
12)Vgl. D, p. 217, n. 69. B. van Halteren, Het pronomen in het Nederlandsch der zestiende eeuw, Wildervank 1906 vermeldt de vorm ju niet, en J.W. Muller, Bijdragen tot de geschiedenis onzer Nieuw-nederlandsche aanspreekvormen, II. Gij, Jij en U, in NTg 20 (1927), p. 112-128 merkt op p. 119 op dat ju zeer zelden meer in Holland voorkwam.
13)dragen als afzonderlijk woord betekenis.
14)O.a. door.
15)O.a. vanuit.
16)O.a. tot.
1)in het enkelvoud eindigend op n of t.
2)Het lijkt me onjuist om uit De Heuiters woorden af te leiden dat hij hier alleen over substantiva spreekt: ook andere woordsoorten kunnen hier bedoeld zijn (we mogen overigens niet De Heuiters woorden verwarren met Spiegels wóórden (= werkwoorden, verba)). Vgl. Van Heule II, p. 60: ‘Alle een-silbige woorden / in de welke maer eene Vocael en is / ende die op het eynde maer eene Consonant en hebben die verdobbelen hare leste Letters / als Lip heeft Lippen, zin zinnen, wit, witte, dul, dulle, etc.’, waar ook over het meervoud gesproken wordt. Opvallend zijn bij Van Heule de zgn. meervoudsvormen op e en en die we beide bij De Heuiter ook aantreffen. Of De Heuiter bij dat-datte een substantief op het oog heeft, is me niet duidelijk. Creëert hij om wille van een voorbeeld zo maar een woord? (vgl. n. 4 bij p. 65). Hebben we te maken met de accusatiefvorm van het voornaamwoord dat (vgl. MNIWb II, kol. 74 en 78). Of met een congruerend voegwoord? (vgl. C.B. van Haeringen, Congruerende voegwoorden, in Neerlandica, 's-Gravenhage 1949, p. 246-259.
3)Zowel substantief als werkwoord zijn hier mogelijk bedoeld.
4)De door Kiliaan als Hollands vermelde vorm van put.
5)Doelt De Heuiter bij de laatste vier woorden op meervouden of op de ook voorkomende lange enkelvoudige vormen?
6) schiettuig, pijl
7)Als substantief of verbum onbekend.
8)Mv. van het substantief vat, of werkwoordsvorm.
9)doopvader.
10)dieren, vgl. p. 74; mogelijk dus in de bet. duren (adj.).
11)vieren, vgl. p. 74; mogelijk dus vuren.
12)Naast lof.
13)Naast grof.
14)nauwkeurig.
15)Geheel in overeenstemming met het advies van p. 83-84 om in open syllabe geen dubbel vocaalteken te schrijven, wat uiteraard samenhangt met hetgeen op p. 66 werd betoogd en toegelicht: we hebben niet te doen met korte vocalen, maar ook niet met volkomen lange; zie het betoog van W.J.H. Caron, Rekking en verkorting van klinkers in open syllabe in het Van-Haeringennummer van de N Tg 63 (1970), p. 16-20.
+68
16)en tot dusver op kwalijke wijze ij. heeft gedaan (nl. geteld worden onder ‘alle Taels letteren’; vgl. p. 63). Voor de betekenis van ‘dus lainge’ zie men L.C. Michels, Bijdrage tot het onderzoek van Vondel's werken, Nijmegen-Utrecht 1941, p. 152 vlgg.
17)verzinnen, bedenken.
18)Vgl. p. 37.
1)Tekst: ‘diphtphongen’.
2)veel van elkaar weg hebbend, sterk gelijkend op elkaar.
3)soms.
4)streeks, gewests.
5)Vgl. p. 70-71.
6)Vgl. p. 74.
7)Vgl. p. 77-78. Het is wel opmerkelijk dat De Heuiter hier twee voorbeelden geeft met vocaal / diftong voor r, terwijl dergelijke voorbeelden op p. 77-78 niet te vinden zijn. Inderdaad vinden we vóór r in gesloten lettergreep soms oi voor oo in Nederduitse Orthographie; vgl. p. 108 oirdelen naast oordeel, oirlepel, p. 105 behoirlic naast behoorlicke, p. 25 oirbaer.
8)Vgl. p. 72-74.
9)Vgl. p. 71.
10)Vgl. D, p. 115.
+69
11)nauwkeurig.
12)Vul aan: nature.
13)Deze omschrijving vergelijke men met die van p. 39 en 40. Daar wijst De Heuiter vooral op de samensmelting, hier op verscheidenheid.
14)Vgl. p. 92.
15)gewesten, streken.
16)tenminste.
17)De Heuiter gaat dus al uit van een taal die aan zekere normen voldoet. Die normen zelf werkt hij niet erg uit.
18)lettende.
19)ploegden.
20)volder.
21)bewerkte met de wolkam.
22)beheerst; de bet. verwoest lijkt me hier minder waarschijnlijk.
23)het geluk op zijn zijde hebbend.
24)vertrokken.
25)bekendheid gegeven.
26)Waarschijnlijk uit vrees voor homoniemen keurt De Heuiter blijkens de voorbeelden ee i.p.v. aa, ae of ai voor r af; vgl. enigszins afwijkend D, p. 94.
prepostterug  begin  verder