terug  begin  verderprepost
[p. 54]

Vande tsamenvougijnge der vocalen genomt diphthongen en triphthongen.
Eerst vande diphthongen of tweklainkers.

Der diphthongen en triphthongen definitie / of bepalijnge / beschrivijnge en nature / mahmen hier voor inde Lettertafels uitleggijnge lezen1) / waer-omme niet van node is tzelve hier weder te verhalen. Alleen mout den Lezer +naerstih ont*houden dat zij gemaect warden van korte vocalen / alzo ic voor inde letter Tafel verhale2). Laet ons nu bezien wat kraht en gebruic die in t'Nederlants mogen en behoren te hebben door alle landen3) / eerst die diphthongen / daer na die triphthongen handelende. Die Latinen geen Triphthongen kennende4) / gebruiken maer vijf diphthongen / als: ae. au. ei. eu. oe5). waer af zij tot dezen dage alleen au. en eu. alzoot behoort gebruiken6). Die Grieken hebben twalef diphthongen6a / geen Triphthongen. Die Fransoizen gebruikenze beide. Den lezer mout hier naerstih7) gedahtih wezen / dat alle diphthongen / als hun vocalen verscheiden geklainc toukomt / waer af ten minsten die twe mouten onthouden zijn / te weten: Deen hart en vol: dander zout / zaht / en eenvoudich luidende en uitsprekende / als hier na zal bliken klaerder inde diphthongen eu. en ou8). Dus laet ons beginnen die stellende na d'ordre der vocalen.

ae.

Dees diphthonge den Hollander gemeen bestaet zeer na (als voor is gezeit9)) die lainge vocale aa. den Brabander en Flamijnc gemeen / waeromme igelic in zijn lant zal touzien welke hij meest beziht. Angaende mij neme nu deen / dan dander / zonder verbonden willen zijn / na dat mij duinct die nature der woorden10) te eischen. Tlatijn spreect dees qualic als blote e. en om te weten dat het diphthonge is aldus ae11). gehaekt als voor: aequus aequus, +aestas aestas, aeuum * aeuum, aestimo aestimo, aedifico aedifico, &c12). Den

[p. 55]

Fransois gebruict in dezer plaetse zeer overvloudih ai. zelden ae. aesté1) tot onderscheit van esté2).

ai.

Die natuire wijst waer dees gebeziht mout zijn / dwelc in dees navolgende woorden liht is om horen: geklainc / dainc / stainc / zainc3) / naiën / maiën / haiën / waiën / laiën / baiën4) / uit welke woorden ic geheel ae. banne5). Den Fransois gebruict in veel woorden ai. qualic anders sprekende dan zij schriven / daer wij ons mouten voor wahten / te weten: ferai, nai, sainct, serai, met diergelijc6). Doutste Latinen hebben ai. gebeziht daer hun nakomers voor genomen hebben ae. welke zij noh na7) alle beide verandert hebben in lainge e. met teken van diphthonge / aldus ae. als aulai, pictai, aquai, musai: aulae, pictae, aquae, musae8). Dees diphthonge bestaet mede die lainge vocale aa9).

au.

Dees is den Hoochduits / dan Nederlander gemeender / hou wel veel Neerlantse plaetsen die zelve hart gebruiken10). Dus niemant zijn vriheit nemende / begere die mijn ooc niet te verliezen / zeggende en schrivende: vrou / kou / rou / mou / voor: vrau / kau / rau / mau / te zeer der katten

[p. 56]

gemeau1) uitdruckende. wel is waer dat au. wat gebroken niet zonder beval en minnelicheit klijnct / maer plat2) genomen / ende daer voor ou. verwerpen / zo zommige steden doun om tgestadih gemeau neemt alle vriendelicheit +weh. T'latijn en * Fransois dees diphthonge matelic3) bekent / sprekense beide wel en met beval4) / diemen mah volgen / als: aura, aurum, aures, auriga, audio, audax, ausculto, ausim, author: au, auquel, aultre, cause, ende hier na wel den Neerlander in: nau / gau / kau / en zom ander5).

ei.

Dees bestaat die lainge vocale ee6). Dus dout hier als in ae. geraden is7): geneiht / geneeht / gedreiht / gedreeht / geheit / geheet8) / bescheit / bescheet / geleit / geleet9). Deze gebruict den Brabander / daer den Flamijnc (die ic volge) die vocale ij. als: wein wijn / zein zijn / mein mijn / reic rijc / deic dijc / leic lijc10) volgende d'oude Latinen die dees diphthonge plegen te schriven / daer hun nakomers tot dezer uren altoos geschreven hebben een lainge e. of i. als: Neilus11) Nilus, aureei, argenteei, puerei, furei, voor aurei12), argentei, pueri, furi (daer Lucilius mede gect),13) Calleopeia, choreia voor Calliopëa, chorëa14). Nu bezigen die Latinen ei. niet dan in lettel woorden sprekende

[p. 57]

van veel / als: treis, forteis, terribileis1), en dat noh alleen hun Poeten of in drij of vier onvolmaecte woorden / eia, hei. Den Fransois spreect ei. in veel woorden wel2) / als: merueille, veiller: qualic in feit, feirent, seigneur, veint, dees sprekende oft lainge j.3) waren4).

eu. en ui.

Die diphthonge eu. heeft deze tijt twe uitspraken. Deen hart op d'oude +maniere beide die vocalen uit*druckende / als die Latinen noh spreken: heus, orpheus etc.5) Dander minnelic der vocalen kraht bedwijngende en verdruckende6) / als heden daehs die gout Fransois spreken doun / zeggende: peu, feu, deux, eut, seigneur, lecteur, heur7). Maer want dit doude natuirlicste diphthongs uitsprake gevalst is om een zoute8) vrouwelicke spraec te maken / daer d'ouders mannelic gesproken hebben9) / als noh op dezen dage blijct onder die Franse en Walse bouren / die peu, feu, en ander diergelike woorden harder uitspreken10) / en manlicker / ja alzo die Latinen: heus, doun mogen die willen daer deze gevalste uitsprake11) plaets schijnt te hebben / onder den Flamijnc en Hollander / gebruiken en stellen inde plaetse van eu. oe. als daer den Brabander zeit12): mogen / togen13) / drogen / zogen / logen / pogen / hogen / spellen inde plaetse van meugen / teugen / dreugen / zeugen / leugen /

[p. 58]

peugen / heugen1) / moegen / toegen / droegen / zoegen / loegen / poegen / hoegen / etc.2) waer dat d'oprehte uitsprake van oe. te passe komt / haerlij3) nohtans niet ontweldigende met die Fransoizen die gevalste uitsprake van eu. maer keus daer af latende / ic nohtans liever oe. dan gevalste eu. gebruikende / angezien dopreht oude gebruic van eu. den Brabander klaer en opentlic uitdruct / in alle woorden daer den Flamijnc en Hollander (die ic volge) gebruiken ui. ende die zom die lainge vocale uu. den Hoohduits zeer gemeen / te weten: heus / huis / huus: leus / luis / luus: keus / kuis / kuus4): +eut / uit / uut: * eul / uil / uul: beul / buil / buul: beuc / buic / buuc: keul / kuil / kuul: geul / guil / guul: veul / vuil / vuul: eu / ui5) / uu / welke Brabantse woorden die zom niet met eu. maer met die Triphthonge eui. schinen geschreven willen zijn6). T'latijn gebruict eu. zeer zelden / ten ware in Griecse woorden: euge, eugium, eugeniae, eurus, eupatorium7). hier uit is genouh te bemercken die nature / kraht / en tgebruic der diphthongen ui8). die t'Fransois wel9) gebruict / te weten: nuict, huict, fruict, construict, duict, depuis, fuict, bruit, met meer ander / waerom ic vande zelve niet meer schriven zal10).

[p. 59]

ie.

Dees diphthonge bestaat1) die vocalen ee. ij2). zo ider in zijn lant3) mah mercken / al voor: vier vijr / dier dijr / getier getijr / zier zijr / mier mijr / lier lijr / bier bijr4). Voorts: bien been / stien steen / gien geen / allien alleen / gemien gemeen / ien een / vande welke ic altemet gebruicke ie. altemet ee5). D'oude Latinen hebben deze mede gebruict / eerst voor ei. maer zijn beide gestorven / als mede ai. hebbende hun plaetse ingenomen de lainge e. en j6). Den Fransois gebruict ie. wel7): mien, sien8), tien, bien, premier, siege, viel, ancien, met meer duizenden9).

oe. en ou.

Die diphthonge oe. Flaenderen gemeen heeft gebuirschap met die vocalen o. oo. die ic vele10) en gaerne daer voor meest gebruike / om dat d'uitsprake

[p. 60]

+volder en starker valt1). Onze schrivers hebben dezer twe * diphthongen nature in veel woorden wel onderhouden / maer in den meesten dele qualic. Wel2) schrijft den Brabander: zoege / broet pain, kloet / schoet / doet /3) moet en meer ander dees gelijc4). Den Flamijnc: moegen / toegen / gedoegen (die zom zeer hart met eu. en ander noh harder en onbehoorlicker met ue. schrivende)5) zoen / gewoen / getoen6). Maer qualic schriven zij beide: boeck / doeck / kloeck7) / moet / doet faictes, doen / goet / groen / hoet / voet / zoet / broen couuer oefs, broer / met duizent ander die met ou. aldus behoren geschreven te warden: bouc / kouc / douc / mout / dout / doun / gout / groun / hout / vout / zout / brout / brour / alzo ons leert die natuir en die Franse woorden dezen van geluit gelijc / te weten: d'ou, bout, mout, goutte, voute8). Ic weet wel dat veel woorden dan in twifel komen watmer9) mede meint / als in gout / d'or of bon: zout / doulx, of salé: hout / du bois, vng chapeu, of tenez: mout / il faut, couraige, of d'ou on brasse la ceruoise: brout /10) brassez, of la galline couue ses oefs, en zo meer ander11). Maer dees zake nau over-

[p. 61]

leggende en wel inziende / bevin dat die voorzeide woorden zo wij die spreken / geensins met oe. mogen geschreven warden / min met uu. au. eu. ja zom qualic met ou1). om den voorzeiden twifel weh te nemen / maer schijnt dat wij inde zom / te weten daer o. hartste gehoort wart behoren te stellen die lainge vocale oo. als: goout / or. gout / bon. zoout / salé, zout doux en diergelike2). Of die dit niet willen geheingen mouten liden ons hier te gebreken +enige * ander vocale om plat3) te schriven: or, salé, tenez, brassez, mout met veel meer ander / waer af mij duinct (latende igelic zijn vrij oordel) dat wij inde zom dan zouden behoren die triphthonge aou. te gebruiken / te weten: gaout / or. zaout / salé, haout / du bois. maout4) / pour brasser, braout / brassez. raout /5) repentez6). Maer want7) dees Triphthonge den schriver onbekent is8) / indien imant9) hier aou / nok oo. niet behaeht / maer wilt liever behouden ou10). zo mout ghij verstaen dat alle vocalen (zo voorzeit is en die Latinen leren11)) thien of twalef verscheiden geluits klainc voorts breingen / dwelc want ons gemeente te lainc ende te doincker waer te verclaren / onthout dees voorzeide twe alleen naerstih. Deen is hart / luide en starc: Dander zaht / stil en krainc zo ic voor vande diphthonge eu. mede betoont hebbe12) / dwelc u meest wijs maken zullen a.o. en u. zo zilij13) mogen weten / die Brabanders / Flamijngen / Geldersen en Hollanders / dic horen spreken en wel konen oordelen / lettende op woorden daer au. oe. en ou. vallen. Voorts is waer datmen in alle talen des werelts / veel woorden vint van eender letteren14) / nohtans in verscheide redenen15) verscheide zaken betonende16) / als in onze tale zijn dees: T'kint heeft een zout wezen / zuldij te middage thuis wezen? Tis den zesten dezer maent / maent u schulden in17). Hij bad God om gracie / hij is tot Aken int bad. Hij leit te bet / ghij mouter +bet an. Tis die zeste weke / ic weke van kern. Luit die klocke / speelt op * die luit. Hou heet den man / heet het water. Zij zagen eken bart18) / zij zagen hem komen. Dat misdaet is vergeven / den Konijnc is vergeven / met meer duizenden19). Mede is onmogelic van enige vocalen diphthongen te maken die geheel

[p. 62]

zullen uitdrucken die slibberahtige draiijnge onzer toingen / daerom datmen mout nemen altoos die naestgelikende diphthongen of triphthongen / als inde voorzeide woorden zijn oou. ou. aou. angezien die penne onmogelic is ons toinge te volgen1). Ooc is waer datmen hoort door die Nederlanden diphthongen spreken en vocalen / die onmogelic waer met onze letteren uit te drucken / dus datmen die naest gebuiren neme / of die gemeen sprake totter letteren nature gewen te dalen / dwelc ic bekenne zeer swaer om doun wezen / ia in tgeheel onmogelic2). Dus laet alledijnc schriven alzoot luit en klijnct / want als Quintilianus wel zeit: Letteren zijn alleen gevonden om tgeluit onzer spraken te bewaren / ende als geleende panden den Lezer getroulic dat haer bevolen is / voor ogen te leggen3). oe. spreken nu die Latinisten qualic met e. als voor: poena, coenum, coelum, coena: pena, celum, cenum, cena4). Die Fransoizen kennen oe. zeer zelden oeuure, oef, maer ou. zeer wel / als: bout, tout, pour, nous, tour, gouuerner, trouuer, soubz. altoos ou. zaht en zout5) / nimmermeer hart gebruikende6).

oi.

+Dezer nature is gout te kennen / in deze navolgen*de woorden: beroit / doit / goit / hoit / koi / loi / moi / oit / noit / poit7) / toit / vloit / zoi8). Voorts in deze: kloinken / droinken / voinken / hoingen / zoinc / kloinc / moinc9) / proincken / roincken / stoincken / toingen / voingen / wroingen / zoingen en dezer

[p. 63]

gelijc1) j. hier zo notelic als in ai2). nohtans van a. en o. starker vocalen dan zij is3) zeer verdoinkert wardende / meest daer n. volht die mits haer natuirlic getin4) alle vocalen wat verdoinkert5). T'fransois gebruict oi. in zommige woorden qualic / als: disoit, estoit, viuoit, faisoit, auoir, vouloir, tresoir, noir met meer duizent / sprekende dees woorden of zij geschreven waren met oo. als: disoot, estoot, viuoot, faisoot, etc. Maer in dees navolgende / en dezer gelijc spreken zij oi. wel: moi, soi, toi, quoi6).

Waerschuwe.

Want alle diphthongen en triphthongen / uit haer nature lainc zijn / alzo bekent is die t'Latijn en Griex een lettel gesmaect hebben / ia al die daer op letten wil7) / is onnotelic t'Neerlants in t'spreken en schriven beswaren met uitdruckijnge der lainge vocalen / te weten: maiën / naiën / waiën / zaiën / leiden / zeiden / draiën / frai / genai / gekrai / gedrai / is niet van node te schriven: maaijën / naaijën / waaijën / zaaijën / leijden / zeijden8) / draaijen / fraaij / genaaij / gekraaij / gedraaij9). Desgelijx oordelt in alle ander vocalen en diphthongen / maeschap10) van lainge vocalen zijnde.

1)Vgl. p. 39-40.
+70
2)Vgl. p. 39, vooral noot 9.
3)gewesten.
4)Vgl. p. 40.
5)Vgl. Priscianus I 50: ‘Sunt igitur diphthongi, quibus nunc utimur, quattuor (ae, au, eu, oe). i quoque apud antiquos e ponebatur et ei diphthongum faciebat’.
6)Over deze twee Latijnse diftongen spreekt ook Sexiagius, p. 222-226.
6aVgl. Mekerchus, p. 103 over het Grieks: ‘Diphthongi sunt duodecim: novem propriae, tres impropriae’.
7)goed.
8)Vgl. p. 72-77; De Heuiter doelt hier op de diphthongi propriae en impropriae.

9)Vgl. p. 41 en 68.
10)De Heuiter geeft hier te kennen dat hij de spelling wil aanpassen aan de klank van het gesproken woord.
11)De ligatuur die we in verschillende Latijnse teksten aantreffen.
+71
12)Vgl. Sexagius, p. 222: ‘Neque me mouet quòd Latini diphthongum ae, de qua iam dicere instituo, item oe, de qua postea dicturus sum, vt e simplex hactenus pronuntiarint. Id enim perperàm eos & fecisse, & facere, docti omnes testantur’.
1)zomer.
2)geweest; een bron hiervoor kon ik in de geraadpleegde Franse grammatica's niet vinden.

3)Alle vier de vbb. met nnl. a vóór n + velaar. Of wil De Heuiter hier een mouillering aanduiden?
4)Alle zes de vbb. met Nnl. aai; vgl. over deze klank ai D, p. 110-112.
5)Duidelijke afwijzing van Sexagius, p. 223, vanwaar we vijf van de zes vbb. terugvinden: ‘Vlterius infinitiuos istos illorum verborum consequens est, hoc qui sequitur modo scribi debere / naeen / maeen / waeen / zaeen / baeen / laeen / tametsi etiam nonnulli haec aliter scribant, idque etiam (si dijs placet), per y graecum’.
6)Vgl. Sexagius, p. 224: ‘Quàm ineptè vero Galli passim vtantur hac diphthongo ai, vel ex pueris nostratibus, qui Gallicum idioma in scholis non loquendo sed de libris discunt, deprehendere possumus, quum Gallicè mais sed, main manus, & similia pronuntiant, non vt Galli, sed secundum vtriusque literae a & i verum sonum, quum Galli non multò aliter pronuntient main, quàm nos quum meum, dicimus, vt nihil commune habet cum a & i’. Voor citaten van Palsgrave en Meigret vgl. D, p. 113.
7)later.
8)Vgl. Quintilianus I vii 18: ‘AE syllabam, cuius secundam nunc e litteram ponimus, varie per a et i efferebant; quidam semper ut Graeci, quidam singulariter tantum, cum in dativum vel genetivum casum incidissent, unde pictai vestis et aquai Vergilius amantissimus vetustatis carminibus inseruit’.
9)Vgl. p. 41, vooral noot 8.

10)Vgl. Lambrecht, p. C viiiv: ‘au. Vought wel / in de naaruolghende / ende dierghelíke silleben ende woorden / als Baut / caud / dau / fautzoen / haut / kauten / lau / mauwe / nauwelic / pau / rau / sauwenier / tauwen / vauwen / zauten. etc.’. De Heuiters woorden zijn gericht tegen Sexagius, p. 224-225: ‘Hac itaque diphthongo au scribenda censeo & ea quae dixi, & ista quae sequuntur, schau infumibulum, baut sagitta obtusa, vrau mulier, trau fides, vau plica, quae postrema nonnulli per duplex vel triplex uw / trouw & vrouw scribunt, quum vnicum sufficiat’; voor de klank van au vgl. D, p. 114-115.
1)gemauw; vgl. p. 79.
2)zonder meer; dus: wanneer men au gaat gebruiken in alle woorden waar je au en ou schrijft en spreekt.
+72
3)gematigd; volgens De Heuiter komt deze diftong dus in het Frans niet zeer frequent voor.
4)bevalligheid.
5)In het Frans ontwikkelde de klank die met au werd aangeduid, van a + o naar ‘o ou le son mixte’ in de tweede helft van de zestiende eeuw. Het hoofdelement bleef a, het tweede deel werd van o tot een oe-achtige klank. Voor De Heuiter neem ik aan dat au hetzelfde klonk als in hedendaags Nederlands, terwijl de formulering van de verworpen klank doet denken aan lange, gerekte uitspraak van het eerste element. Vgl. D, p. 114-115 en aant.

6)De klanken, aangeduid met ei en ee, liggen niet ver uiteen en kunnen in hetzelfde woord gebruikt worden, zonder dat betekenis-verschil optreedt.
7)Vgl. p. 70.
8)heet gemaakt.
9)Hij kiest dus niet voor de Westvlaamse e of de Brabantse en Hollandse ei; ook in de tekst van Nederduitse Orthographie valt geen voorkeur te ontdekken; vgl. D, p. 115.
10)De Heuiter tracht hier fonetisch te spellen en propageert bovendien de ei-spelling voor de Brabantse uitspraak. Zijn woorden zijn waarschijnlijk gebaseerd op Sexagius, p. 226-227: ‘Ac in primis per ęi scribenda censeo quae nostrates communiter per duplex ij scribunt, vel olim per simplex i scribere soliti sunt: () Sunt autem quae puto, haec hisque similia, ghęi / męi / zęi / męin / zęin / quum tu, me, illa, meum, suum, dicere volumus. Item bęiten mordere, bęit morde, blęi laetus, lęien pati’; vgl. Lambrecht A iiv: ‘maar de bezonder faute van dézen (t.w. de Brabanders) es / () námende i ei’, en Erasmus, kol. 936: ‘Siquidem apud Brabantos, campestres quidam pro i, sonant diphthongum Graecam ει, quam evidenter audis quum nostrate lingua dicis ovum ()’.
11)Tekst: ‘Neilos’; vgl. ook het slot van noot 14.
12)Tekst: ‘furei, aurei, voor argentei’ enz.
13)In de tekst ontbreekt de komma.
14)Vgl. D, p.48. Quintilianus I vii 15-16: ‘Diutius duravit, ut e et i iungendis eadem ratione qua Graeci ει uterentur; ea casibus numerisque discreta est, ut Lucilius praecipit: Iam puerei venere, e postremum facito atque i, Ut pueri plures fiant; ac deinceps idem: Mendaci furique addes e, cum dare furi Iusseris. Quod quidem cum supervacuum est, quia i tam longae quam brevis naturam habet, tum incommodum aliquando. Nam in iis, quae proximam ub ultima litteram e habebunt et i longa terminabuntur, illam rationem sequentes utemur e gemina, qualia sunt haec aurei, argentei et his similia’. Priscianus I 50: ‘() et ei diphthongum faciebat, quam pro omni i longa scribebant more antiquo Graecorum’; I 55: ‘() in aliis vero consonante sequente pro ei diphthongo longam i ponimus ut “Νειλος” Nilus’.
1)Vgl. Mekerchus, p. 123 over ei: ‘Sed paullatim exolevit, adeò ut nunc ne accusativos quidem illos plurales omneis, treis, parteis, scribamus’.
2)goed.
3)i.
4)Vgl. D, p. 104, 116 en aant. en Caron, p. 132-133, noot 5.

+73
5)De Heuiter wijkt hier duidelijk af van Sexagius, p. 228 die tenminste in heus de diftong tot de impropriae rekende: ‘Ad horum rationem vel non admodum dissimilem pronuntiari debet Latinum heus. Item euge, & Tydeus, non verò ita duriter vt plerique faciunt quasi per ę scripta essent, & non per e, quod mollius quiddam sonat’. Maar Sexagius wijkt dan ook af van de gangbare opvatting, zoals hij zelf zegt. Vgl. D, p. 118.
6)Zie voor deze tegenstelling tussen de diphthongi propriae en impropriae ook p. 70 en aant. Merkwaardig genoeg lijken die impropriae het meest te voldoen aan de definitie die De Heuiter op p. 39 van diftongen gaf.
7)De eerste drie voorbeelden van De Heuiter zijn dezelfde als bij Sexagius op p. 228: ‘Caeterum non assentior ijs qui Latinam diphthongum eu non admodum dissimili sono, atque eam de qua modo egimus pronunciant, quum ea alium sonum postulet, non dissimilem ab illo quem audis apud Gallos dum peu parum, vel feu ignem, deux duo dicunt’. De Heuiter werd hier dus zeker door Sexagius beïnvloed.
8)zoete; vgl. p. 75.
9)Dus met diphthongi propriae.
10)Inderdaad heeft de beschreven ontwikkeling in het Frans plaatsgehad; vgl. Caron, p. 37-40 en Thurot I, p. 443 en 517-518.
11)De Heuiter als luisteraar!
12)Weer: de waarnemer van het gesprokene!
13)tonen, of trekken.
1)In deze werkwoorden - alle met oge - schijnt De Heuiter het Brabants te willen stellen tegenover het palatale Hollands en Vlaams; zie echter n. 2.
2)Voor deze oe zie p. 74-75 en aant. De Heuiter is dus van mening dat Hollander en Vlaming in deze woorden ten onrechte eu spellen, omdat met dat teken niet de juiste klank wordt weergegeven. Er bestond dus volgens hem een duidelijk uitspraakverschil in de verschillende gewesten. Het merkwaardige is dat De Heuiter hier - evenals op p. 74-75 - scherplange en zachtlange o over één kam scheert: mogen heeft immers zachtlange o, de andere voorbeelden alle scherplange! Vgl. ook D, p. 122-123.
3)hen.
4)Tekst: ‘kuus /’.
+74
5)Tekst: ‘u’.
6)Vgl. Lambrecht A IIv: ‘() schrijft de Brábanter qwálic búten / ghemęrct dat hy tselfde woord pronuncieerd ende uutspreect aldus / beuten: maar de bezonder faute van dézen es / dat hy de letter u qwálic naamd / zegghende eu ()’ en Sexagius, p. 227-228: ‘Diphthongus ęu non longius distat ab au quam a ab ę: proinde ad eum modum quo aut scribimus quum vetus significare volumus, sic ęut scribemus quum e vel ex dicere volemus, & consequenter bęuten extra, flęuten fistulae, dęuuel dyabolus, bęuck venter, vęul sordidus, bręuken vti, verzęumen omittere, tęun seps, cręupen repere, dęuster obscurum, dęum pollex, hęus domus, vęust pugnus, bęuze canalis. Quam autem inscitè haec scripserint nostrates per u & y Graecum huys domus scribentes, facile conuincetur cum per ea quae dicta sunt, tum per Gallos qui huys dicunt ostium, & suys sum, longe diuerso sono quam hic de quo agimus’. Zeven van de elf voorbeelden van De Heuiter vinden we dus bij Sexagius terug, wel weer een bewijs van diens invloed op De Heuiter; vgl. D, p. 117-118. De Heuiter wijst dus op het bestaan van diftongering in Vlaanderen en Holland; vgl. Caron, p. 118-119, n. 6. De Heuiters woorden hoeven niet te wijzen op het samenvallen van ui1 en ui2 (vgl. p. 80 eui): de laatste werd in Brabant immers vaak als ei gerealiseerd! Vgl. ook D, p. 130.
7)Vgl. Janssen I, p. 32.
8)Die dus in Vlaanderen en Holland geschreven dient te worden waar de Brabander eu spelt, en elders voor klanken die dezelfde zijn als in de gegeven voorbeelden.
9)goed.
10)In het zestiende-eeuwse Frans hebben we met een dalende diftong te doen, dus ook in het Nederlands van De Heuiter; vgl. D, p. 127-128 en aant.
1)Vgl. p. 72 en n. 7 aldaar.
2)De Heuiter bedoelt de lange vocaal i.
3)gewest, streek.
4)Vgl. Sexagius, p. 202-203: ‘scribe sanè per duplex ii viir, relicta inepta qua hactenus vsi sumus scriptura vier: sic pro vltima syllaba illius dictionis fourbir, quae apud nos cereuisiam denotat, scribe biir. Ad eundem modum pro vltima in saisir quae pedicillum significat, scribe ziir: & pro vltima in vomir, quae formicam significat, scribe: miir: & sicut Galli scribunt vil vilis, sic nos wiil rota, item diip profundus, briif epistola, diif fur, wiig cunae, ziin, videre, niit nihil, diir animal, liicht mentitur, ac infinita similia, quae omnia nostri scibere consueuerunt per diphthongum ie, contra omnem tum rationem, tum aliarum gentium morem’. De eerste vijf voorbeelden van De Heuiter en Sexagius zijn dezelfde, wat op navolging van De Heuiter wijst. Opvallend is dat De Heuiter - in tegenstelling tot Sexagius - alleen voorbeelden geeft met ie of ij vóór r: wsch. wil hij zeggen dat de klankwaarde van ie en ij vóór r dezelfde is; vgl. D, p. 119.
5)Vgl. Sexagius, p. 231-232: ‘verum nostrates communiter scribunt per duplex ee Peeter / vt & reliqua omnia quae hac diphthongo scribenda essent, abutentes interim eadem ad alium sonum, vt dictum est. Censeo igitur ad exemplum Gallorum scribendum à nobis tien digitus pedis, bien crus, hier dominus, mier plus, tier tener, ien vnus, stien lapis, tuie duo, gien nullus, zie mare, lier scala, lieren discere, wienen plorare, zier valde, smieken flagitare, vliesch caro, allien solus, lienen mutuare, vie simultas, iet iusiurandum, vriez timor, giest spiritus, biest bestia, giet vadit, wiet scit, hiet iubeo vel calidum. Caeterùm diphthongus haec interdum longa est, siue ex e longa conflata, interdum breuis: cuius discrimen non potes commodius accipere quam collatione harum duarum vocum hiet quum iube, & hiet quum iubeo vel calidum significat, vt posterius longum sit, quod propterea scribendum censerem duplici ee, vel simplici cui adderem, in signum accentum circumflexum ()’. Weer is De Heuiter geïnspireerd door Sexagius, waarbij het opvalt dat De Heuiters voorbeelden alle op n eindigen.
6)De lange vokaal i.
7)goed.
8)Tekst: ‘sien /’.
9)Vgl. Sexagius, p. 231: ‘Certè & huius diphthongi poterant nostrates à Gallis verum didicisse vsum quum scribunt mien, tien, sien, meum, tuum, suum, bien benè, hier heri, Pierre Petrus, ()’ en p. 203: ‘Videre enim licet apud Gallos rectum huius diphthongi ie vsum in sien, tien, mien, hier, miel, fiel, premier, dernier’, waar we weer een aantal voorbeelden van De Heuiter terugvinden. Op grond van de door Sexagius en De Heuiter gemaakte vergelijking met het Frans moeten we aannemen dat ie in deze woorden een stijgende diftong voorstelt. Of De Heuiter binnen het teken ie nog de tegenstelling ziet die Sexagius signaleert in zijn woorden die ik hier aan het einde van noot 5 citeerde, valt niet op te maken. Vgl. D, p. 119-120.

10)graag mag (verbum), of: dikwijls (adverbium)?
+75
1)Hier prevaleert dus niet zozeer de gehoorde en gesproken klank, maar de gewenste klank, de welluidendheid van het Nederlands.
2)goed.
3)Tekst ‘doet moet’.
4)Vgl. Sexagius, p. 229: ‘Per oe plerique scribunt zoe sic, idque recte, cui consimiliter scribenda sunt loes cautus, boem arbor, boen faba, doet mors, broet panis, hoet caput, hoech altè, roet rubrum, droeg siccus, schoet sinus, oer auris, moer aethiops’. Op grond van de woorden die Sexagius met oe wenst te spellen, concludeerde ik dat door hem met oe worden weergegeven de woorden met scherplange o (vgl. D, p. 121-122). Van de voorbeelden bij De Heuiter hebben broet, schoet, doet (die we ook bij Sexagius vinden), kloet en moet eveneens scherplange o, evenals misschien zoege (indien presensvorm bij zogen; vgl. D, p. 122). Deze woorden hebben dus een minder volle o-klank dan de woorden die zachtlange o hebben. Maar op p. 73 schreef hij nog dat scherplange o in Brabant als oo gerealiseerd werd. Is hij hier misschien slachtoffer van zijn propaganda voor oo geworden?
5)Men vraagt zich af of er alleen sprake is van eu (c.q. ue-)-spelling en of die niet met eu-uitspraak kan samenhangen.
6)Toegen, gedoegen en getoen hebben scherplange o, de overige zachtlange. Was De Heuiters waarneming fout? Misschien. Maar in zijn voorbeelden staan slechts g en n achter oe en juist voor deze consonanten waren zachtlange o's in scherplange overgegaan in het Zuid-oostvlaams; vgl. D, p. 122-123.
7)De Heuiter zal op p. 83 nadrukkelijk ck in absolute auslaut verwerpen. Schreef hij in deze drie voorbeelden met opzet zo, om de fout nog erger te maken?
8)Vgl. Sexagius, p. 230: ‘Diphthongvs ou à Gallis, quibus non minus quam nobis frequens est, & scribitur & vsurpatur recte, vt dum clou dicunt clauus, tour turris, bout extremum, toute tota, bouter trudere, sous subter, goutte gutta. Ad horum exemplum scribere deberemus nostra quae ad eundem sonum proferimus. vtpote doun facere, hout galerus, mout animus, gout bonus, vout pes, blout sanguis, vlout fluxus, drouch gerebat, houue villa, behouuen egere, schoun calceus; quorum pleraque nonnulli per oe scribunt pro schoun schoen’. De grote overeenkomst in voorbeelden wijst weer op navolging door De Heuiter. De vergelijking met het Frans (vgl. ook p. 77) wijst erop dat het teken ou bij Sexagius en De Heuiter een klank verbeeldt die geheel of nagenoeg geheel gelijk is aan onze oe-klank, zeker in de tot nu toe gegeven voorbeelden.
9)wat men er.
10)Tekst: ‘brout brassez’.
11)De Heuiter duidt hier dus op homoniemen.
1)Het teken ou voldoet De Heuiter in een aantal gevallen dus ook eigenlijk niet.
2)Vgl. Van Heule I, p. 5: ‘Men zoude nae onze uytspraek Hoout, Stoout, Soout, mogen schrijven / om het verscheyden uytspreeken van de ou te onderscheyden / maer dewijl / het vermeerderen van eene o zeer groote veranderinge zoude maeken / zo hebben wy ou ende ou, (welk is als oouw) ()’.
+76
3)duidelijk.
4)Tekst: ‘maout,’.
5)Tekst: ‘raout,’.
6)Kende De Heuiter deze triftong als teken misschien van Meigret die hem b.v. in pauvre schrijft: paouvre (Livet, p. 57)?
7)omdat.
8)Vgl. ook p. 79.
9)Tekst: ‘jmant’.
10)Iets wat De Heuiter zelf ook doet.
11)Vgl. p. 65.
12)Vgl. p. 72-73; ook hier weer de diphthongi propriae en impropriae.
13)zij, zijlieden.
14)woorden die hetzelfde geschreven worden.
15)zinnen.
16)aanduidende.
17)vorder... in.
+77
18)eiken plank; met name eken is Vlaams.
19)Vgl. voor deze benadering van homoniemen D, p. 126 en de daar aangegeven literatuur.
1)Het (geschreven) teken kan dus niet altijd de klank ten volle weergeven.
2)Men schrijve dus zoveel mogelijk in overeenstemming met het gesprokene; is dit niet mogelijk, benader de klank dan met de gebruikelijke tekens. Een tweede mogelijkheid is: spreek niet meer van die ongecultiveerde klanken, zodat ons tekensysteem het gesprokene wél volledig kan weergeven. Vgl. ook zijn verwerping van ao, eo en ue op p. 81; verder p. 85 en D, p. 83 en Hellinga, Opbouw, p. 103-104.
3)Quintilianus I vii 30-31: ‘Ego (nisi quod consuetudo obtinuerit) sic scribendum quidque iudico, quomodo sonat. Hic enim est usus litterarum, ut custodiant voces et velut depositum reddant legentibus, itaque id exprimere debent quod dicturi sumus’.
4)Vgl. ook Sexagius, p. 229: ‘Sed & ex his cognoscere licet quomodo & apud Latinos diphthongus haec oe pronuntiari debeat’. Deze woorden van Sexagius lijken - gezien het debeat - ook een veroordeling in te houden van de bij de Latinisten in zwang zijnde uitspraak van oe.
5)Als diphthongus propria dus.
6)Vgl. D, p. 125 en aant. aldaar; de klank van Franse ou komt overeen met Nnl. oe.

+78
7)drinkt; pooien, een zestiende-eeuws woord, vooral gebezigd voor het drinken van geestrijke dranken.
8)Vgl. voor deze woorden met Nnl. ooi ook Sexagius, p. 229-230: ‘Quae autem per diphthongum oe, & quae per oi scribenda sint non melius dijudicabis quàm ex collatione dictionum, noet necessitas, quam per oe scripsimus, & noit nunquam, quam per oi scribendam aurium sensus praecipit: quemadmodum per oi scribendum est etiam genoit inuitatus, gedoit occisus, sonat enim istud doit exilius quiddam, quam doet mors. Item beroit facultatibus exutus, hoi foenum, vloi pulex, koi caula, moi pulcher, noi inuitus’, waaraan ik van p. 242 nog ‘oit vnquam’, van p. 243 ‘doit occide’, van p. 244, ‘loien plumbata’ toevoeg. Ook in de voorbeelden bestaat dus weer duidelijke relatie tussen Sexagius en De Heuiter.
9)monnik.
1)Alle voorbeelden dus met Nnl. o vóór ng of nk.
2)Vgl. p. 71.
3)Vgl. p. 41, noot 6.
4)geklank.
5)Het komt me voor dat De Heuiter hier doelt op de nasalerende invloed die n op de voorafgaande vocaal heeft. Of moeten we hier, evenals bij ai op p. 71, aan mouillering denken?
6)De Heuiter stelt in deze woorden oi in auslaut tegenover oi vóór dentaal; in het laatste geval hoorde men in het Frans de i niet meer, maar een lange vocaal o; vgl. Erasmus, kol. 938: ‘oi diphthongus Gallis quibusdam est familiarissima, quum vulgari more dicunt, mihi, tibi, sibi’ (waarbij hij in margine vermeldt: ‘moi, toi, soi’); ‘aut quum pronunciant fidem, legem, ac regem' (in margine: ‘foi, loi, roi’): ‘Hic enim audis evidenter utramque vocalem o, et i’. Deze zelfde klank moeten we dus voor het Nederlands van De Heuiter aannemen in beide hier-boven genoemde groepen woorden met oi, zij het dan ook dat in het laatste geval, de woorden dus met Nnl. o vóór ng of nk, het i-element minder duidelijk gerealiseerd werd. Vgl. verder D, p. 124-125.

7)Vgl. Janssen I, p. 30.
8)Waarom niet consequent ook leeijden / zeeijden? Waarschijnlijk omdat De Heuiter deze schrijfwijze in het geheel niet kende, in tegenstelling tot b.v. de spelling maaijen.
9)De Heuiter keert zich hier duidelijk tegen Sexagius, p. 223 die in deze woorden ae wil spellen: ‘Vlterius infinitiuos istos illorum verborum consequens est, hoc qui sequitur modo scribi debere, naeen / maeen / waeen / zaeen / baeen / laeen / tametsi etiam nonnulli haec aliter scribant, idque etiam (si dijs placet), per y graecum, de cuius vera prolatione apud grammaticos maxima, si qua alia, altercatio est ()’
10) verwant.
prepostterug  begin  verder