Der diphthongen en triphthongen definitie / of bepalijnge / beschrivijnge en nature / mahmen hier voor inde Lettertafels uitleggijnge lezen1) / waer-omme niet van node is tzelve hier weder te verhalen. Alleen mout den Lezer +naerstih ont*houden dat zij gemaect warden van korte vocalen / alzo ic voor inde letter Tafel verhale2). Laet ons nu bezien wat kraht en gebruic die in t'Nederlants mogen en behoren te hebben door alle landen3) / eerst die diphthongen / daer na die triphthongen handelende. Die Latinen geen Triphthongen kennende4) / gebruiken maer vijf diphthongen / als: ae. au. ei. eu. oe5). waer af zij tot dezen dage alleen au. en eu. alzoot behoort gebruiken6). Die Grieken hebben twalef diphthongen6a / geen Triphthongen. Die Fransoizen gebruikenze beide. Den lezer mout hier naerstih7) gedahtih wezen / dat alle diphthongen / als hun vocalen verscheiden geklainc toukomt / waer af ten minsten die twe mouten onthouden zijn / te weten: Deen hart en vol: dander zout / zaht / en eenvoudich luidende en uitsprekende / als hier na zal bliken klaerder inde diphthongen eu. en ou8). Dus laet ons beginnen die stellende na d'ordre der vocalen.
Dees diphthonge den Hollander gemeen bestaet zeer na (als voor is gezeit9)) die lainge vocale aa. den Brabander en Flamijnc gemeen / waeromme igelic in zijn lant zal touzien welke hij meest beziht. Angaende mij neme nu deen / dan dander / zonder verbonden willen zijn / na dat mij duinct die nature der woorden10) te eischen. Tlatijn spreect dees qualic als blote e. en om te weten dat het diphthonge is aldus ae11). gehaekt als voor: aequus aequus, +aestas aestas, aeuum * aeuum, aestimo aestimo, aedifico aedifico, &c12). Den
Die natuire wijst waer dees gebeziht mout zijn / dwelc in dees navolgende woorden liht is om horen: geklainc / dainc / stainc / zainc3) / naiën / maiën / haiën / waiën / laiën / baiën4) / uit welke woorden ic geheel ae. banne5). Den Fransois gebruict in veel woorden ai. qualic anders sprekende dan zij schriven / daer wij ons mouten voor wahten / te weten: ferai, nai, sainct, serai, met diergelijc6). Doutste Latinen hebben ai. gebeziht daer hun nakomers voor genomen hebben ae. welke zij noh na7) alle beide verandert hebben in lainge e. met teken van diphthonge / aldus ae. als aulai, pictai, aquai, musai: aulae, pictae, aquae, musae8). Dees diphthonge bestaet mede die lainge vocale aa9).
Dees is den Hoochduits / dan Nederlander gemeender / hou wel veel Neerlantse plaetsen die zelve hart gebruiken10). Dus niemant zijn vriheit nemende / begere die mijn ooc niet te verliezen / zeggende en schrivende: vrou / kou / rou / mou / voor: vrau / kau / rau / mau / te zeer der katten
gemeau1) uitdruckende. wel is waer dat au. wat gebroken niet zonder beval en minnelicheit klijnct / maer plat2) genomen / ende daer voor ou. verwerpen / zo zommige steden doun om tgestadih gemeau neemt alle vriendelicheit +weh. T'latijn en * Fransois dees diphthonge matelic3) bekent / sprekense beide wel en met beval4) / diemen mah volgen / als: aura, aurum, aures, auriga, audio, audax, ausculto, ausim, author: au, auquel, aultre, cause, ende hier na wel den Neerlander in: nau / gau / kau / en zom ander5).
Dees bestaat die lainge vocale ee6). Dus dout hier als in ae. geraden is7): geneiht / geneeht / gedreiht / gedreeht / geheit / geheet8) / bescheit / bescheet / geleit / geleet9). Deze gebruict den Brabander / daer den Flamijnc (die ic volge) die vocale ij. als: wein wijn / zein zijn / mein mijn / reic rijc / deic dijc / leic lijc10) volgende d'oude Latinen die dees diphthonge plegen te schriven / daer hun nakomers tot dezer uren altoos geschreven hebben een lainge e. of i. als: Neilus11) Nilus, aureei, argenteei, puerei, furei, voor aurei12), argentei, pueri, furi (daer Lucilius mede gect),13) Calleopeia, choreia voor Calliopëa, chorëa14). Nu bezigen die Latinen ei. niet dan in lettel woorden sprekende
Die diphthonge eu. heeft deze tijt twe uitspraken. Deen hart op d'oude +maniere beide die vocalen uit*druckende / als die Latinen noh spreken: heus, orpheus etc.5) Dander minnelic der vocalen kraht bedwijngende en verdruckende6) / als heden daehs die gout Fransois spreken doun / zeggende: peu, feu, deux, eut, seigneur, lecteur, heur7). Maer want dit doude natuirlicste diphthongs uitsprake gevalst is om een zoute8) vrouwelicke spraec te maken / daer d'ouders mannelic gesproken hebben9) / als noh op dezen dage blijct onder die Franse en Walse bouren / die peu, feu, en ander diergelike woorden harder uitspreken10) / en manlicker / ja alzo die Latinen: heus, doun mogen die willen daer deze gevalste uitsprake11) plaets schijnt te hebben / onder den Flamijnc en Hollander / gebruiken en stellen inde plaetse van eu. oe. als daer den Brabander zeit12): mogen / togen13) / drogen / zogen / logen / pogen / hogen / spellen inde plaetse van meugen / teugen / dreugen / zeugen / leugen /
peugen / heugen1) / moegen / toegen / droegen / zoegen / loegen / poegen / hoegen / etc.2) waer dat d'oprehte uitsprake van oe. te passe komt / haerlij3) nohtans niet ontweldigende met die Fransoizen die gevalste uitsprake van eu. maer keus daer af latende / ic nohtans liever oe. dan gevalste eu. gebruikende / angezien dopreht oude gebruic van eu. den Brabander klaer en opentlic uitdruct / in alle woorden daer den Flamijnc en Hollander (die ic volge) gebruiken ui. ende die zom die lainge vocale uu. den Hoohduits zeer gemeen / te weten: heus / huis / huus: leus / luis / luus: keus / kuis / kuus4): +eut / uit / uut: * eul / uil / uul: beul / buil / buul: beuc / buic / buuc: keul / kuil / kuul: geul / guil / guul: veul / vuil / vuul: eu / ui5) / uu / welke Brabantse woorden die zom niet met eu. maer met die Triphthonge eui. schinen geschreven willen zijn6). T'latijn gebruict eu. zeer zelden / ten ware in Griecse woorden: euge, eugium, eugeniae, eurus, eupatorium7). hier uit is genouh te bemercken die nature / kraht / en tgebruic der diphthongen ui8). die t'Fransois wel9) gebruict / te weten: nuict, huict, fruict, construict, duict, depuis, fuict, bruit, met meer ander / waerom ic vande zelve niet meer schriven zal10).
Dees diphthonge bestaat1) die vocalen ee. ij2). zo ider in zijn lant3) mah mercken / al voor: vier vijr / dier dijr / getier getijr / zier zijr / mier mijr / lier lijr / bier bijr4). Voorts: bien been / stien steen / gien geen / allien alleen / gemien gemeen / ien een / vande welke ic altemet gebruicke ie. altemet ee5). D'oude Latinen hebben deze mede gebruict / eerst voor ei. maer zijn beide gestorven / als mede ai. hebbende hun plaetse ingenomen de lainge e. en j6). Den Fransois gebruict ie. wel7): mien, sien8), tien, bien, premier, siege, viel, ancien, met meer duizenden9).
Die diphthonge oe. Flaenderen gemeen heeft gebuirschap met die vocalen o. oo. die ic vele10) en gaerne daer voor meest gebruike / om dat d'uitsprake
+volder en starker valt1). Onze schrivers hebben dezer twe * diphthongen nature in veel woorden wel onderhouden / maer in den meesten dele qualic. Wel2) schrijft den Brabander: zoege / broet pain, kloet / schoet / doet /3) moet en meer ander dees gelijc4). Den Flamijnc: moegen / toegen / gedoegen (die zom zeer hart met eu. en ander noh harder en onbehoorlicker met ue. schrivende)5) zoen / gewoen / getoen6). Maer qualic schriven zij beide: boeck / doeck / kloeck7) / moet / doet faictes, doen / goet / groen / hoet / voet / zoet / broen couuer oefs, broer / met duizent ander die met ou. aldus behoren geschreven te warden: bouc / kouc / douc / mout / dout / doun / gout / groun / hout / vout / zout / brout / brour / alzo ons leert die natuir en die Franse woorden dezen van geluit gelijc / te weten: d'ou, bout, mout, goutte, voute8). Ic weet wel dat veel woorden dan in twifel komen watmer9) mede meint / als in gout / d'or of bon: zout / doulx, of salé: hout / du bois, vng chapeu, of tenez: mout / il faut, couraige, of d'ou on brasse la ceruoise: brout /10) brassez, of la galline couue ses oefs, en zo meer ander11). Maer dees zake nau over-
leggende en wel inziende / bevin dat die voorzeide woorden zo wij die spreken / geensins met oe. mogen geschreven warden / min met uu. au. eu. ja zom qualic met ou1). om den voorzeiden twifel weh te nemen / maer schijnt dat wij inde zom / te weten daer o. hartste gehoort wart behoren te stellen die lainge vocale oo. als: goout / or. gout / bon. zoout / salé, zout doux en diergelike2). Of die dit niet willen geheingen mouten liden ons hier te gebreken +enige * ander vocale om plat3) te schriven: or, salé, tenez, brassez, mout met veel meer ander / waer af mij duinct (latende igelic zijn vrij oordel) dat wij inde zom dan zouden behoren die triphthonge aou. te gebruiken / te weten: gaout / or. zaout / salé, haout / du bois. maout4) / pour brasser, braout / brassez. raout /5) repentez6). Maer want7) dees Triphthonge den schriver onbekent is8) / indien imant9) hier aou / nok oo. niet behaeht / maer wilt liever behouden ou10). zo mout ghij verstaen dat alle vocalen (zo voorzeit is en die Latinen leren11)) thien of twalef verscheiden geluits klainc voorts breingen / dwelc want ons gemeente te lainc ende te doincker waer te verclaren / onthout dees voorzeide twe alleen naerstih. Deen is hart / luide en starc: Dander zaht / stil en krainc zo ic voor vande diphthonge eu. mede betoont hebbe12) / dwelc u meest wijs maken zullen a.o. en u. zo zilij13) mogen weten / die Brabanders / Flamijngen / Geldersen en Hollanders / dic horen spreken en wel konen oordelen / lettende op woorden daer au. oe. en ou. vallen. Voorts is waer datmen in alle talen des werelts / veel woorden vint van eender letteren14) / nohtans in verscheide redenen15) verscheide zaken betonende16) / als in onze tale zijn dees: T'kint heeft een zout wezen / zuldij te middage thuis wezen? Tis den zesten dezer maent / maent u schulden in17). Hij bad God om gracie / hij is tot Aken int bad. Hij leit te bet / ghij mouter +bet an. Tis die zeste weke / ic weke van kern. Luit die klocke / speelt op * die luit. Hou heet den man / heet het water. Zij zagen eken bart18) / zij zagen hem komen. Dat misdaet is vergeven / den Konijnc is vergeven / met meer duizenden19). Mede is onmogelic van enige vocalen diphthongen te maken die geheel
zullen uitdrucken die slibberahtige draiijnge onzer toingen / daerom datmen mout nemen altoos die naestgelikende diphthongen of triphthongen / als inde voorzeide woorden zijn oou. ou. aou. angezien die penne onmogelic is ons toinge te volgen1). Ooc is waer datmen hoort door die Nederlanden diphthongen spreken en vocalen / die onmogelic waer met onze letteren uit te drucken / dus datmen die naest gebuiren neme / of die gemeen sprake totter letteren nature gewen te dalen / dwelc ic bekenne zeer swaer om doun wezen / ia in tgeheel onmogelic2). Dus laet alledijnc schriven alzoot luit en klijnct / want als Quintilianus wel zeit: Letteren zijn alleen gevonden om tgeluit onzer spraken te bewaren / ende als geleende panden den Lezer getroulic dat haer bevolen is / voor ogen te leggen3). oe. spreken nu die Latinisten qualic met e. als voor: poena, coenum, coelum, coena: pena, celum, cenum, cena4). Die Fransoizen kennen oe. zeer zelden oeuure, oef, maer ou. zeer wel / als: bout, tout, pour, nous, tour, gouuerner, trouuer, soubz. altoos ou. zaht en zout5) / nimmermeer hart gebruikende6).
+Dezer nature is gout te kennen / in deze navolgen*de woorden: beroit / doit / goit / hoit / koi / loi / moi / oit / noit / poit7) / toit / vloit / zoi8). Voorts in deze: kloinken / droinken / voinken / hoingen / zoinc / kloinc / moinc9) / proincken / roincken / stoincken / toingen / voingen / wroingen / zoingen en dezer
gelijc1) j. hier zo notelic als in ai2). nohtans van a. en o. starker vocalen dan zij is3) zeer verdoinkert wardende / meest daer n. volht die mits haer natuirlic getin4) alle vocalen wat verdoinkert5). T'fransois gebruict oi. in zommige woorden qualic / als: disoit, estoit, viuoit, faisoit, auoir, vouloir, tresoir, noir met meer duizent / sprekende dees woorden of zij geschreven waren met oo. als: disoot, estoot, viuoot, faisoot, etc. Maer in dees navolgende / en dezer gelijc spreken zij oi. wel: moi, soi, toi, quoi6).
Want alle diphthongen en triphthongen / uit haer nature lainc zijn / alzo bekent is die t'Latijn en Griex een lettel gesmaect hebben / ia al die daer op letten wil7) / is onnotelic t'Neerlants in t'spreken en schriven beswaren met uitdruckijnge der lainge vocalen / te weten: maiën / naiën / waiën / zaiën / leiden / zeiden / draiën / frai / genai / gekrai / gedrai / is niet van node te schriven: maaijën / naaijën / waaijën / zaaijën / leijden / zeijden8) / draaijen / fraaij / genaaij / gekraaij / gedraaij9). Desgelijx oordelt in alle ander vocalen en diphthongen / maeschap10) van lainge vocalen zijnde.