terug  begin  verderprepost

Vande triphthongen of driklainkers.

+Gelijc die triphthongen den gemeen man11) altoos* onbekent zijn geweest / uitgenomen zeer weinih / daer nohtans die zelven ons met die Fransoizen gemeen zijn: alzo om die nu bekent te maken bidd'ic den goutwilligen Lezer

[p. 64]

op haer nature / nau1) wel ende naerstih te willen letten / al ere hij daer van oordele / dwelc gedaen hebbende / twifel niet of zij zullen met alle geleerden beliden dat zij ons Nederduits zo notelic zijn / als die diphthongen2).

aeu.

Deze triphthonge hoortmen openlic in: blaeu / flaeu / graeu / haeu3) / klaeu / laeu / paeu / raeu / alle der drij vocalen geluit tsamen in ene sijllabe gesmolten haer openbarende4) / dat alle triphthongen eigen is: hier voor te schriven: blaau / flaau / graau / haau / klaau / laau / paau / raau / zult door onnotelicke gapijnge een zoute sprake / hart maken5).

aou.

Deze triphthonge in geen ufenijng zijnde / wart openlic ende klaer in veel woorden gehoort / daer ghij af lezen mooht voor inde diphthonge oe. ende ou. ende diet gelieft mahse ufenen en bezigen6).

eau.

In gemeen den Flamijnc en Hollander / alsmen klaerlic hoort in bleau-ën7) / geauën / meauën / preauën8) / reauën9) / schreauën / teau10) / teauën11). Maer hou wel dees den Fransois mede gebruict / zeggende: eau, beau chapeau12), nohtans bezige ic hier voor liever met den Brabander die +lainge e. als: gewen / prewen / mewen / * rewen / schrewen / tewen. Igelic volge dat hem tzoutste schijnt en best behaeht13).

[p. 65]

eui.

Dits een platte1) Hollantse Triphthonge plaets hebbende in deze en dezer gelike woorden: geleui / speui / reui / leui / freuit / heuike / daer den Flamijnc en Brabander meest bezigen die diphthonge ei / te weten: gelei / spei / rei / lei2).

ieu.

Is van niet veel woorden rijc / als is aeu. en oui. maer nohtans bekent in dees en dezer gelijc: nieu / hieu / stieu3). Den Fransois seit: Dieu, lieu4).

oui.

Dees konen wij geensins lochenen5) in duizentih6) woorden / nohtans den meesten dele der Nederlanden onbekent / en zeer ongeschictelic daer voor bezigende ou. en oe. als blijct in: foui / roui / koui / moui / krouiën / glouiën / houiën7) / kouiën / bouiën / mouië / rouiën / schouiën / snouiën / touiën8) / vlouiën / wouiën / zouiën9) In zommige woorden gebruict hier den Hollander oei. als voor / mouië / moeië10). oui. is den Fransois mede bekent / als:

[p. 66]

mouiller nat maken / touiller tsamen rouiren1) / fouiller, brouiller, met veel meer ander2).

uae.

Deze waer niet ontfaincbaer3) / ten ware wa. uit tmiddel van veel Neerlantse woorden gebannen wart / daer voor stellende u. ende dan schrivende +voor: dwaers / swaer / swaert / tuwaert / duaers / suaer / * suaert / tuaert / nohtans alzo tvelt niet wel noh konende houden alzo u. hier gaarne zoude veranderen in va.4) ende den Brabander in veel woorden / voor uae. zoude gebruiken uie. als: duiers / suiert / etc.5).

Dits genouh vande diphthongen en triphthongen / gemaect van verscheide korte vocalen6). Die meer diphthongen wil gebruiken dan dees thien die ic gestelt hebbe / mah doun dat hem gelieft / want ic wel weet datter meer geufent warden / ja tot dertienen tou / waer af die drij ao. eo. ue. als harde onbequame7) diphthongen (want die gout ront8) Nederlants mah derven) willens en wetens van mij ahtergelaten zijn / nohtans daer van op notelicke plaetsen vermanende hier na9). Ofmen meer triphthongen vint dan ic stelle / wil ic niet onkennen10) / want igelic zal door dezer nature metter tijt gaislaen die zijn lant gebruict / ende meschien noh vinden die t'Nederlant toukomen. Vande zeven zijnde drij aeu. ieu. oui. meest in ufenijnge11).

[p. 67]

Waerschuwe.

Die letter q. kan met twe vocalen geen diphthongen / noh met drij geen triphthongen maken / gelijc hier blijct: quaemt / quaelt / queelt. quaet is geen triphthonge / dan alleen diphthonge ae. ende in queelt lainge vocale ee. In quijt / quist / quelt / quam / en meer dezer gelijc is geen diphthonge / want haer u. alleen dient om met ander vocalen te vougen en verenigen / zomen +nau luisterende klaer hoort1) / luidende anders * niet die voorseide woorden / dan of aldus zonder u. geschreven stont / qaemt / qaelt / qeelt / qaet / qijt / qist / qelt / qam dienende alleen u. om k. en q. t'onderscheiden en verscheiden geluit te geven2) / dwelc die Fransoizen uit die Latijnse Poëterie merkende / ja mede een weinih uit der Romeinen haerder Meesteren spraec horende / hebben q. geheel tot k. getrocken ende een af gemaect / dwelc onze Taels uitsprake geheel vliet ende ontkent. Den meesten deel der diphthongen komen / zo wel in dbegin als middel en einde der woorden / te weten: aert / airden3) / aut4) / einde / ouders / oit / iet / uit. Maer die triphthongen beminnen tbegin der woorden niet / of tmout enih onvolmaect woort wezen5).

+79
11) de gewone man.
1) nauwkeurig.
2)Sexagius, p. 233 spreekt ook over de triftongen, maar beschrijft er slechts één: ‘Habemus & triphthongos, quas in aliud tempus statueram differre, cum alijs multis minutioribus, quòd crassissima quaeque & vnde reliqua minutiora dependent, discentibus primum offerenda sint. Verum ne ingeniosis, qui haec diligentius fortassis examinare volent, desit materia minutiora illa per se discutiendi, de vna tantum triphthongo dicam, quam vel rudiores eò minus reijcere poterunt, quòd à Gallis iamdudum recepta sit, tametsi non censeam vt promiscuè recipiamus, quibus illos vsos inuenimus, sed cum delectu, quum ratione constare dignoscemus’.

3)Bij het ww. hauwen, ‘met een grauw naar iets of iemand bijten’, of bij het subst. hauw, ‘dop, peul’; vgl. D, p.220, noot 161.
4)Vgl. ook de omschrijving op p. 40.
5)De Heuiter verwerpt de spelling aau dus omdat hij spelling-pronunciation vreest met een ‘gapende’ aa. Het onderscheid dat hij maakt tussen de woorden met au en aeu is niet gefantaseerd: het berust op een reëel uitspraakverschil dat voortkomt uit de herkomst van het eerste element: de woorden met aeu gaan terug op â + w, de andere niet; vgl. D, p. 128-129.

6)Vgl. p. 76.

7)schreeuwen.
8)heimelijk wegnemen.
9)een dode afleggen; of: vernielen.
10)vertroeteld mens, sukkel.
11)Teeuwes; of pl. bij teau.
12)Een stijgend-dalende klank, met a als top; vgl. D, p. 95.
+80
13)Vgl. Lambrecht p. D Ir: ‘eau. Schikt haar voeghelic / in de naar uolghende ende dierghelike silleben ende woorden / als Leau / Meaus / reaustroa / gheauwen / zeausch / etc.’ en Montanus, p. 106: ‘Leaw, eaw, ic schreaw, zeitmen voor Leew, eew, ic schreew’, waardoor zeker voor het Vlaams de woorden van De Heuiter bevestigd zijn. De voorbeelden van De Heuiter vertonen niet hetzelfde beeld als die van Lambrecht, bij wie ze alle teruggaan op wgm. ai of ĕ. Het is in elk geval wel opmerkelijk dat De Heuiter hier zo duidelijk propaganda maakt voor een fraaie taal.
1) gewone.
2)In het Westvlaams en in sommige gebieden van Brabant wordt nog ei gehoord in woorden met ui2. Overigens lopen ui1 en ui2 ook volgens De Heuiter in Brabant wel dooreen, getuige zijn woorden op p. 74 bij ui ‘welke Brabantse woorden die zom niet met eu. maer met die Triphthonge eui. schinen geschreven willen zijn’. Vgl. D, p. 129-131.

3)stoeide? stouwde? gezien houwen - hieu waarschijnlijk het laatste. Bij Twe-spraack en Van Heule I en II vinden we slechts de eerste twee voorbeelden. Lambrecht: p. D IIv ‘ieu. Vought wel in de naaruolghende ende dierghelike silleben ende woorden / als Mahieu / nieu / brieu / wieu / rieusch / etc.’.
4)In deze Franse woorden viel in de zestiende eeuw dezelfde klank te horen als in Nnl. nieuw; vgl. D, p. 131.

5) loochenen.
6)Hier: duizenden.
7)Gezien de in noot 9 nog te citeren woorden van Sexagius: hoeden, mutsen; gezien de woorden van De Heuiter op p. 105, ‘kouiën te houiën’: hoeden, bewaken.
8)Niet in WNT; MnlWB, VIII, kol. 422, verwijst naar tuden, dat ik evenwel niet op de juiste plaats aantrof.
9)Misschien plur. naast soe (goot) dat ik in MnlWB VII, kol. 1457, aantrof? Van de zeventien voorbeelden van De Heuiter vinden we er zeven bij Sexagius terug, zij het soms in wat gewijzigde vorm; vgl. Sexagius, p. 233: ‘Sic in proposito, quum videmus illos scribere mouiller, quum madefacere dicunt, quare non vtemur eadem triphthongo quum similem sonum signare volumus? vt quum mouiken amitam, bouien compedes, mouien sollicitare vel molestare, houien galeros, houillen carbones illos Leodienses, kouien vaccas dicimus’, en p. 242: ‘houie custodia, bouien compedes’, p. 244: ‘Ⅎlouien fluere’, en p. 245: rouien virgae, spouien festinare’. Vgl. D, p. 131-133.
10)De Hollander spreekt hier dus geen oe-achtige, maar een oo-achtige klank uit; vgl. D, p. 133.
1)Met name voor / treffen we in Nederlandse woorden de mouillering met oui uitgedrukt aan; hier ook voor r; vgl. D, p. 133-134.
2)In oui gaf i in de zestiende eeuw de mouillering aan; vgl. D, p. 133 en aant.

3) in gebruik.
+81
4)De Heuiter neemt hier duidelijk stelling tegen Sexagius, p. 204-205: ‘Circa vocalem u non minimus error commissus est à nostratibus, quippe qui ea quae hac vocali eaque simplici scribenda erant, scripserunt per duplicem, eamque maiorem (vt vocant) w / ut dum swaer grauis, dwaes fatuus scribunt: quum tamen ad exemplum Latinorum, quum suadeo, persuasus, & consueui dicunt & scribunt, vel etiam Gallorum, quum suiure sequi, duict conuenit, induit inductus, suys sum, nuict nocet, dicunt & scribunt; potius scribendum erat zuaar & duaas per simplex u’.
5)Vgl. Sexagius' spelling op p. 233: ‘duięrs transuersus, zuięrt gladius’.
6)Vgl. p. 39 aant. 9 en p. 70.
7)lelijke.
8)welluidend; hier dus alweer een aanwijzing dat De Heuiter niet slechts zuivere spelling voorstaat, gebaseerd op het gehoorde, maar ook een welklinkende, beschaafde taal.
9)Vgl. p. 41 en 75, en vooral p. 85. Heeft De Heuiter in deze passage misschien Goropius Becanus op het oog die in Hermathena, p. 56 13 diftongen vermeldt: ‘Nec porrò hac tantùm tenus, sed numero etiam diphthongorum, vt indicaui, superamus & Graecos & Latinos: quandoquidem integras è mixtis duarum vocalium sonis vsurpamus, Ae videlicet, Ai, Ao, Au, Ei, Eo, Eu, Ie, Oe, Oi, Ou, Ve, Vi. () in Ao, cuius sonum in Scaon pro pulchro, & in Scaonlandia pro pulchra regione, audietur. Allemanni ipsi A rotumdam litteram apicis loco imponunt. Baom, Baum () alii Boom, in quibus nos sumus, pronuntiant. E cum o coiens habebis in Heot / pro capite, si Campanum Brabantum audies loquentem; cui Hoet pileus, Heot caput, denotat. Nos Hoot efferimus’.
10)Mogelijke drukfout voor ontkennen.
11)Hebben we hier te doen met een part. constr., of dienen we zijnde te beschouwen als drukfout voor zijn de. Vgl. voor de geboden informatie p. 80 onder ieu.
+82
1)De Heuiter gaat dus weer niet uit van het schriftbeeld, maar van de klank.
2)Het teken u heeft dus geen eigen klankwaarde, maar heeft slechts deiktische functie.
3)ploegden; vgl. p. 69, noot 19.
4)Wsch. oud; vgl. voor deze verworpen spelling (en uit-spraak) p. 71.
5)De Heuiter houdt zich hier niet zozeer bezig met foneemdistributie als wel met tekendistributie. Ook Lambrecht doet dit in dl. 2 van zijn spellingboek.
prepostterug  begin  verder