Deze triphthonge hoortmen openlic in: blaeu / flaeu / graeu / haeu3) / klaeu / laeu / paeu / raeu / alle der drij vocalen geluit tsamen in ene sijllabe gesmolten haer openbarende4) / dat alle triphthongen eigen is: hier voor te schriven: blaau / flaau / graau / haau / klaau / laau / paau / raau / zult door onnotelicke gapijnge een zoute sprake / hart maken5).
Deze triphthonge in geen ufenijng zijnde / wart openlic ende klaer in veel woorden gehoort / daer ghij af lezen mooht voor inde diphthonge oe. ende ou. ende diet gelieft mahse ufenen en bezigen6).
In gemeen den Flamijnc en Hollander / alsmen klaerlic hoort in bleau-ën7) / geauën / meauën / preauën8) / reauën9) / schreauën / teau10) / teauën11). Maer hou wel dees den Fransois mede gebruict / zeggende: eau, beau chapeau12), nohtans bezige ic hier voor liever met den Brabander die +lainge e. als: gewen / prewen / mewen / * rewen / schrewen / tewen. Igelic volge dat hem tzoutste schijnt en best behaeht13).
Dees konen wij geensins lochenen5) in duizentih6) woorden / nohtans den meesten dele der Nederlanden onbekent / en zeer ongeschictelic daer voor bezigende ou. en oe. als blijct in: foui / roui / koui / moui / krouiën / glouiën / houiën7) / kouiën / bouiën / mouië / rouiën / schouiën / snouiën / touiën8) / vlouiën / wouiën / zouiën9) In zommige woorden gebruict hier den Hollander oei. als voor / mouië / moeië10). oui. is den Fransois mede bekent / als:
Deze waer niet ontfaincbaer3) / ten ware wa. uit tmiddel van veel Neerlantse woorden gebannen wart / daer voor stellende u. ende dan schrivende +voor: dwaers / swaer / swaert / tuwaert / duaers / suaer / * suaert / tuaert / nohtans alzo tvelt niet wel noh konende houden alzo u. hier gaarne zoude veranderen in va.4) ende den Brabander in veel woorden / voor uae. zoude gebruiken uie. als: duiers / suiert / etc.5).
Dits genouh vande diphthongen en triphthongen / gemaect van verscheide korte vocalen6). Die meer diphthongen wil gebruiken dan dees thien die ic gestelt hebbe / mah doun dat hem gelieft / want ic wel weet datter meer geufent warden / ja tot dertienen tou / waer af die drij ao. eo. ue. als harde onbequame7) diphthongen (want die gout ront8) Nederlants mah derven) willens en wetens van mij ahtergelaten zijn / nohtans daer van op notelicke plaetsen vermanende hier na9). Ofmen meer triphthongen vint dan ic stelle / wil ic niet onkennen10) / want igelic zal door dezer nature metter tijt gaislaen die zijn lant gebruict / ende meschien noh vinden die t'Nederlant toukomen. Vande zeven zijnde drij aeu. ieu. oui. meest in ufenijnge11).
Die letter q. kan met twe vocalen geen diphthongen / noh met drij geen triphthongen maken / gelijc hier blijct: quaemt / quaelt / queelt. quaet is geen triphthonge / dan alleen diphthonge ae. ende in queelt lainge vocale ee. In quijt / quist / quelt / quam / en meer dezer gelijc is geen diphthonge / want haer u. alleen dient om met ander vocalen te vougen en verenigen / zomen +nau luisterende klaer hoort1) / luidende anders * niet die voorseide woorden / dan of aldus zonder u. geschreven stont / qaemt / qaelt / qeelt / qaet / qijt / qist / qelt / qam dienende alleen u. om k. en q. t'onderscheiden en verscheiden geluit te geven2) / dwelc die Fransoizen uit die Latijnse Poëterie merkende / ja mede een weinih uit der Romeinen haerder Meesteren spraec horende / hebben q. geheel tot k. getrocken ende een af gemaect / dwelc onze Taels uitsprake geheel vliet ende ontkent. Den meesten deel der diphthongen komen / zo wel in dbegin als middel en einde der woorden / te weten: aert / airden3) / aut4) / einde / ouders / oit / iet / uit. Maer die triphthongen beminnen tbegin der woorden niet / of tmout enih onvolmaect woort wezen5).