Ingevolge den wens van mijn mederedacteuren Caron en Kuiper schrijf ik een algemene inleiding voor de reeks ‘Trivium’, zoals wij ons die voorstellen, nu het eerste deel daarvan in het licht verschijnt.
In de jaren 1930 tot 1932 behandelde ik voor mijn studenten de geschiedenis der Nederlandse grammatica; verscheidene jaren later heb ik dat herhaald. Er was ten onzent aan dit onderdeel der taalkunde weinig gedaan; vergeleken met de ons omringende volken schoten wij hierin veel te kort. Hoe weinig hadden wij te stellen tegenover Jellinek's Geschichte der neuhochdeutschen Grammatik (1913-1914), of Ellis' On Early English Pronunciation (1869-1875), of Livet's La grammaire française et les grammairiens du XVIe siècle (1859)! Met Kooiman's pionierswerk in zijn proefschrift over de Twe-spraack (1913) en de bekende artikelen van De Vooys in De Nieuwe Taalgids van 1917 tot 1923, later gebundeld als derde afdeling in Verzamelde Taalkundige Opstellen I (1924), was het meeste al genoemd; men kon o.a. er Goeman's studie over De Orthographia van Sexagius nog bijvoegen (1899-1900) en Verschuur's bewerking van de Spreeckonst van Montanus (1924). Het ontbrak onzen taalkundigen aan de rechte belangstelling voor dit deel van onze taalgeschiedenis, al had Te Winkel, door onderwijs en voorbeeld, opgewekt tot kennisneming en raadpleging van het werk onzer grammatici, op wier betekenis voor de taalontwikkeling tot groter eenheid en hoger peil hij, zij het niet zonder gewichtige reserves, de aandacht vestigde. Maar oude en nieuwe vooroordelen stonden aan meer dan oppervlakkig indringen in deze stof in den weg; de naieve overweging: wat zouden die onaanzienlijke boekjes van meest onbekende scribenten met in het oog vallend gemis aan stijl en compositietalent ons wel hebben te leren, dat wij ons zouden zetten tot de moeilijke ontcijfering van hun gronden en bedoelingen? - en het geleerde, zelfbewuste besef: onze tegenwoordige, vastgefundeerde wetenschap berust op zo geheel andere taalbeschouwing en heeft zo veel juister methode dan de hunne, dat wij in den regel hun redeneringen en besluiten niet kunnen aanvaarden en hun waarnemingen niet eens voldoende kunnen vertrouwen. Dit laatste vooroordeel bewerkte den zuren bijsmaak, die, vooral in het eerste kwart der 20ste eeuw, bij het woord ‘renaissance-grammatica’ vrij algemeen ervaren werd. Die taal- en spraakkunstbouwers gingen verkeerdelijk altijd weer uit van het grammatische systeem der Grieken en Latijnen, was het
stage verwijt. Men verzuimde zich af te vragen, hoe het anders zou hebben gekund. Hadden zij heel den zwaren denkarbeid, dien dat systeem den Ouden had gekost, moeten (en kunnen) ter zijde stellen, om geheel zelfstandig (zij hier, en anderen weer elders, want het geval deed zich bij tal van nationale taalgemeenschappen voor) de ontzaglijke, chaos lijkende, taalmassa te ontleden, en er orde en regel in te ontdekken, te onderstellen, of te scheppen? Wat dat zou hebben ingehouden, had men van Steinthal kunnen leren, die in 1863 al had uiteengezet, hoe de Grieken zelf eenmaal voor die immense, eeuwen vereisende taak hadden gestaan. Het was hetzelfde superioriteitsgevoel, de ouderen minachtend, dat ook elders de heerschappij voerde, en waartegen bij voorbeeld Bréal waarschuwde, toen hij opkwam voor de Franse grammatici van Ménage tot d'Olivet: ‘une suite de travailleurs obscurs, modestes, dont le nom est aujourd'hui rarement cité, mais dont l'oeuvre subsiste’. Hij wilde hun de rechtmatig verschuldigde dankbaarheid toebrengen, ‘car la linguistique moderne n'est que trop disposée soit à nier, soit même à condamner leur influence’ (Sémantique6, 272).
Hoe belangrijk de genoemde studiën ook waren, zij lieten nog overvloedige ruimte over voor verdere onderzoekingen, met mogelijkheid ook van beschouwing uit anderen gezichtshoek, en kans op andere beoordeling. Hogere waardering begon al eens door te breken: Kloeke grondde het derde hoofdstuk van zijn De Hollandsche Expansie voornamelijk op de mededelingen in oude grammatica's (1927); en in 1938 kon Hellinga, die overal in zijn boek over De opbouw van de algemeen beschaafde uitspraak van het Nederlands werkt met gegevens uit de zorgvuldig bijeengebrachte en bestudeerde oude spraakkunsten, gewagen van ‘het herwonnen inzicht in de waarde van deze bronnen’.
Wellicht zou dit andere, en betere, inzicht sneller en algemener in de vakkringen doorgedrongen zijn, wanneer de kennisneming van de werken zelve gemakkelijker ware geweest. Bij mijn colleges ondervond ik althans, dat de onmogelijkheid voor de studenten de teksten vóór zich te hebben, en de grote moeilijkheid, om ze bij de eigen studie gedurig te kunnen raadplegen, een ernstige belemmering opleverden voor het volledig opnemen en vasthouden van het gedoceerde. De oorspronkelijke uitgaven toch zijn doorgaans zeldzaam en kostbaar, en worden of heel niet, of zeer spaarzamelijk uitgeleend. En herdrukken waren (en zijn) er maar zeer weinige: van de Twespraack door Kooiman bij zijn proefschrift, van Joas Lambrecht's Spellijnghe, van Sexagius' Orthographia, en van de stukken ter regeling van de taal van den Statenbijbel door Heinsius; ze waren (en zijn), behalve het laatste, ook nog moeilijk te verkrijgen.
Het kwam voor mij vast te staan, dat wij een reeks herdrukken op dit gebied dringend behoefden, zou men onder de beoefenaars der Nederlandse taalkunde en taalgeschiedenis ooit tot een algemener, vollediger kennis, juister waardering, en profijtelijker gebruik van het werk van deze ijveraars voor het wèl-wezen van onze moedertaal kunnen komen. Zelfzien is hier voor enigerlei zelfstandig oordeel een onafwijsbare voorwaarde. Zoals de Duitsers over Joh. Müller's Quellenschriften (1882), de Vier seltene Schriften uitgegeven door Fechner (1882) en de Ältere deutsche Grammatiken, onder redactie van John Meier (1894-1897) beschikken; de Engelsen, behalve over enkele afzonderlijke, eigene of Duitse, herdrukken, over de insgelijks in Duitsland gedrukte reeks onder de redactie van R. Brotanek (1905-1913): Frühenglische Grammatiken; en de Denen over de zes delen Danske Grammatikere, udgivet af H. Bertelsen (1915-1922); zo dienden ook wij de stukken zelf steeds ter hand te kunnen nemen, en aan anderen voor te leggen. Een mijner leerlingen maakte een begin daarmede: Zwaan gaf in zijn proefschrift Uit de geschiedenis der Nederlandsche Spraakkunst een viertal belangrijke teksten uit de 17de eeuw met brede inleidingen en toelichtingen (1939). Het vond een gunstig onthaal; men zag het blijkbaar met mij als eerste aanvulling van een tekort aan. Enkele anderen van mijn promovendi gevoelden zich tot dergelijk onderzoek aangetrokken: Caron's proefschrift handelt over Klank en teken bij Erasmus en onze oudste grammatici (1947), en Kuiper had in 1941 in zijn dissertatie Orbis Artium en Renaissance I een nauw verwante stof doorvorst. Zowel hij als Caron en Zwaan verklaarden zich gaarne bereid om met mij te trachten tot de heruitgave van andere oude spraakkunstige werken te komen.
Maar anders dan de genoemde Duitse en Engelse reeksen practisch deden, en de Deense programmatisch vaststelde, wilden wij ons niet strikt tot de grammatica in den engsten zin beperken, maar wat ruimer weiden, en niet geheel uitsluiten, wat op de naastgelegen gebieden van rhetorica en dialectica verdiende, opnieuw in breder kring door eigen aanschouwing bekendheid te verkrijgen. De grote betekenis van de in het tijdperk der Renaissance - en nog lang daarna - beoefende rede- of rederijk-kunst, in haar merkwaardig nauwe aansluiting bij de rhetorica van Grieken en Romeinen, had ik reeds op mijn colleges over litteraire theorie van de jaren 1926 tot 1929 trachten aan te tonen, door de bespreking van Vossius' grote en kleinere Latijnse bewerkingen van die stof, ze vergelijkend met zijn voornaamste bronnen, en daarna van zijn voorgangers en volgers van de 16de tot den aanvang van de 19de eeuw: van Jan van Mussem (1555) tot Lulofs; in het Nederlands gesteld of nog in het Latijn; zich nauw
aan de Antieken houdend, of, in de laatste periode, zich meer en meer richtend naar Franse classicisten of Engelse leraren ener nieuw opgekomen aesthetica. De rhetorica was voor ons voorgeslacht eeuwenlang de leerschool van stijl en compositie; in de handleidingen voor de gewijde welsprekendheid bleef zeer veel er van tot in de 20ste eeuw behouden, en in algemeen bedoelde leerboeken van stilistiek en poëtiek valt de historische samenhang nog genoeg te herkennen, allereerst in de leer der tropen en figuren. Dat met die tropenleer een belangrijk stuk der aloude rhetorica is overgenomen in de semantiek, die jonge tak van taalwetenschap, en in die nog maar matig gedijende betekenisleer een zeer voornaam, en daarbij wel het dankbaarste en soliedste onderdeel uitmaakt, zij hier slechts in het voorbijgaan opgemerkt.
Het nauwe samengaan van grammatica, rhetorica en dialectica, tezamen het oude Trivium, in de theorie en de practijk van de renaissance-geleerden, en de diepgaande invloed daarvan op heel de toenmalige literatuur, door Kuiper betoogd, vindt steeds meer bevestiging in het werk van Duitse, Engelse en Amerikaanse linguisten en literatuur-historici van den laatsten tijd: R.H. Wagner, H. Craig, W.G. Crane, E.R. Curtius, F.W. Baldwin, Sister Miriam, J. en A.H. Sackton. Dat bracht ons op den naam voor onze reeks: ‘Trivium’.
Na Van Heule, door Caron, zullen daarin eerst verschijnen de Nederduydsche Spellinge, Haarlem 1612, door Zwaan - het is op enige revisie na in handschrift gereed -, en de vier stukken, die de Kamer In Liefde Bloeyende uitgaf: Twe-spraack van de Nederduitsche Letterkunst, Ruygh Bewerp van de Redenkaveling, ofte Nederduytsche Dialectike, Kort begrip des Redenkavelings in Rijm, en Rederijckkunst, in Rijm opt kortst vervat, alle bewerkt door Kuiper. Opnieuw de Twe-spraack dus - met instemming van den vroegeren uitgever Kooiman -, want de herdruk van 1913 is sinds lang uitverkocht.
Ook staat reeds op onze lijst Pontus de Heuiter, Nederduitse Orthographie, waarvan een heruitgave sedert geruimen tijd in voorbereiding is geweest bij een bekenden Neerlandicus, die er evenwel van heeft afgezien, en ze gaarne, met zijn aantekeningen, aan ons wil overlaten, zodra wij een geschikten bewerker zullen aangewezen hebben. Verder Leupenius: Aanmerkingen op de Nederduitsche Taale, met wat daarbij behoort. En voorts denken wij aan het Exercitium Puerorum, aan Jan van Mussem's Rhetorica en andere meer.
Grammatica pleegt geen ‘lectuur voor de theetafel’ te zijn. En al kunnen deze documenten van oude taal- en redekundige theorie zeker menigen verrassenden trek opleveren - voor vakmensen en die het worden willen
in de eerste plaats, maar ook wel voor andere belangstellenden -, wij denken ze toch meer op de studeer- dan in de huiskamers een plaats toe. En op katheders en collegebanken. De lectuur is vaak niet gemakkelijk; ze stelt soms zelfs voor zeer lastige vragen van interpretatie. Wij hebben gemeend, niet te mogen volstaan met zeer nauwgezette weergave van de originelen, maar ook in aantekeningen te moeten mededelen, hoe de verzorger van den betrokken tekst plaatsen, die voor den niet geheel ingewijden lezer bezwaar zouden kunnen opleveren, verstaat. Het spreekt wel van zelf, dat wij nooit bedoelen, onze opvattingen op te dringen. Wij wensen studiemateriaal te leveren; en zullen gaarne van anderen, die anders lezen en verklaren, lering aannemen, zoveel zij ons daartoe in staat willen stellen. Ons ondernemen zullen wij inzonderheid geslaagd achten, wanneer mag blijken, dat vele studerenden mede van deze hulpmiddelen gebruik hebben willen maken bij het streven om zich een zelfstandig inzicht te verwerven in den groei en den opbouw van ons oudere en hedendaagse algemene beschaafde Nederlands in zijn onderscheidene spheren en stijlen.
Gezien de belangstelling voor de uitgave van Kooiman en Zwaan, durven wij voor deze voortzetting van hun arbeid op een goede ontvangst hopen. Niettemin brengt de aard van het werk mede, dat de oplage maar klein kan zijn. Geen uitgever zal met den verkoop daarvan, in dezen tijd, zijn kosten geheel kunnen goedmaken. Met dankbaarheid delen wij mede, dat de Organisatie voor Zuiver-Wetenschappelijk Onderzoek door de verlening en toezegging van subsidie het ons mogelijk heeft gemaakt, met enige nummers, als bovengenoemd, aan ons plan een begin van uitvoering te geven. Instemming vond het ook, naar mijn mede-redacteuren mij verzekerden, bij het Nederlands-Belgisch Interuniversitair Centrum voor Neerlandistiek, dat ons zijn morelen steun en alle medewerking toezegde.
J. Wille.