terug  begin  verderprepost
[p. 9]

+De Nederduytsche spraeckonst.1)

De spraeckonst wort in het latijn Grammatica genaemt / welk op het duytsch Letterkonst beteykent / maer om dat in dit werk de spraeke meer aengeroert wort / als wel het gene dat den letteren aengaet / so heeft ons +het woort Spraeckonst best behaecht.

De spraeckonst is eene wetenschap om wel te spreeken.2)

+De spraeckonst wort in vier deelen ghedeylt / Als Spellinghe, Oorspronkelickheyt, Klankmaet ende Tsamenvouginge.3)

Van de Spellinge.4)

Aengaende het eerste deel welk is de spellinge / daer af en hebben wy niet voorgenomen veel verscheydenheden aen te roeren / dewijl ons oogmerk wel meest is van die dingen te handelen / welke twijfelachtig ofte onbekent zijn / maer aengaende de spellinge onzer woorden / die is van verscheyde Geleerden grondig beschreven5) / ende ook is het daeglicx gebruyk in veele deelen onberispelic / daerom sullen wy daer af alleenelic een weynich aenroeren.

In onze spraeke gebruyken wij deze letteren / Als A B C D E F G H I j K L M N O P Q R S T U V W X Y Z deze letteren worden aldus uytgesprooken / A Be Ce De E eF Ge Ha i je ka el em en o pe que er es te u va6) +wa6) (2) ex, de y en is anders niet dan eene dobbele i, ende de ze7) is by de Latijnen so veel als eene dobbele s, ende wy houden die als eene swaere8) uytspraeke van eene s.

Onderscheyt der Letteren.9)

+De letteren zijn Klinkers ofte Meklinkers / daer zijn vijf Klinkers / als A E I O U de andere letteren zijn al Meklinkers.

De Klinkletters worden alzo genaemt / om dat zy in haere uytspraeke

[p. 10]

+klinken / ende de Meklinkers klinken altijt nae een der Klinkletteren1) / ende worden om die oorzaeke Meklinkers genaemt.

+Tot het onderscheyt van eenige woorden / hebben wy eene i ende je, de i is een klinker ende je is een meklinker / die i hoortmen in het uytspreeken van Ik, in, iemant2), ende je hoortmen in jan, ja, jok, jonst.

Alzo hoortmen ook in Vree ende ure3), het onderscheyt van de u welk +een Klinker is / ende van V welk een Meklinker is.

In het uytspreeken der letteren / woort4) ook de o in het een woort / anders dan in het ander uytgesprooken / merk in Kool5), Kool, Hop ende op, Och ende om, Een bok, ende stok, Wolk ende volk, deze verscheydenheyt van het uytspreeken der o, maekt somtijts een ander woort / als Rook welk is Reuk, ende Rook van brant / alzo / ook Ik boot ende Een boot, Een Rok ende Ik rok6), dit onderscheyt zoudemen met dit een by teyken onder aen de o7) +konnen stellen / maer wy en hebben de o welke meest van (3) haren klank afwijkt / in geen gemeyne letteren gestelt.

+Van de Tweeklanken.8)

Als in eene silbe twee klinkletters by malkander staen / zo worden beyde +die klinkletters Tweeklanken genaemt / ook komen in eene silbe wel drie klinkletteren / welke dan Drieklanken zijn / doch wy sullen die beyde onder +het woort Tweeklanken begrijpen.9)

De Tweeklanken zijn deze / als AE, Ae, Ai ofte Ay, Au, Aeu ofte Aeuw, Ey, Eu, Ie, Ieu ofte Ieuw, Oe, Oy ofte Ooy, ou, Ou, Euij ende uy, aen dezer tweeklanken recht gebruyk is zeer veel gelegen.10)

Van de uytspraeke der tweeklanken.

+De Ae, willen de Amsterdamsche letterkonstenaers / als het blaeten van een schaep uytgesproken hebben / ende stellen aa in de plaetse daer de oude Schrijvers AE gestelt hebben / ende spreeken oock AA uyt gelijk men AE is gewoon uy t te spreeken11) / ende de AE houden zy als de H der Grieken / ende spellen daer mede Paert, Staert, Baer / ende diergelijke / het welk men met de oude spellinge niet en heeft konnen doen.

[p. 11]

Maer om dat alle nieuwicheyt in het gemeyn / een groot op sicht heeft1) / ende om dat wy in dit tegenwoordig werk / nootwendig verscheyde nieuwicheden / als tegens onzen dank hebben moeten voortbrengen / daerom +zo hebben wy / eene veranderinge gestelt die in zeer weynig woorden valt / de (4) tweeklank AE aldus schrijvende AE ende schrijven Paert, staert, Baer, de A aen de E vougende / dit wort oock by Kilianus / ende in de oude speelen van Gent2) gebruykt.

+De Ai ofte Ay hoortmen in Hay, Kay, de A kort uytspreekende.

+Maer in Aey hoortmen de A geduyrig3) / als Saey, maey, draey, kraey.

+De Au is kort in Snau, Gau, Kau.4)

+Maer Aeuw is lang / als in Blaeuw, Graeuw, Raeuw, Paeuw.

+De Ei ofte Ey hoortmen in Geyt, Reyken, Reyn.

Hier zoudemen altijt beter eene j gebruyken / maer het zoude groote veranderinge in het gezicht maeken.

+De Eu hoortmen in Heur, Deur, Neus, Reus.

+De Eeuw hoortmen in Leeuw, Schreeuw, Sneeuw.

+De ie hoortmen in het geroup der Kiewitten / ende ook in Zie, Bie, iet, Niet, iemant.

+De ieuw, hoortmen in het uytspreeken van Hieuw, Nieuw.

+De Oe hoortmen in der Ossen ende Koeyen geluyt5) ook in zoet, Goet, Boet.

+De Oey hoortmen in Koeyen, bloeyen, Roeyen: Men zoude ook Koejen, bloejen, Roejen mogen schrijven.

Merk.6)

Op de kracht van de y dient hier in dit Exempel ende in de volgende gelet / waer in dat men bevint dat onze y die wy ooy7) plegen te noemen / niets dan eene dobbele i en is.

++De Oy ofte Ooy hoortmen in Mooy, Rooy, Dooy.8)

+De ou hoortmen in de Vlaemsche uytspraek van Hout, Sout, Gout, ook in het ou der Francoyzen / ook hoortmen die in Grou, Vroug, voug.9)

Men zoude nae onze uytspraek Hoout, Stoout, Soout,10) mogen schrijven / om het verscheyden uytspreeken van de ou te onderscheyden / maer dewijl / het vermeerderen van eene o zeer groote veranderinge zoude maeken / zo

[p. 12]

+hebben wy ou ende ou, (welk is als oouw) met een Byteyken1) van een ander o onderscheyden / gelijc men vorders in onze spellinge mach afnemen.2)

+De Euy hoortmen in leuyheyt, steuyten, Fleuyten, ook in de Brabantsche3) uytspraek / van uyl, Vuyl, Luyden, welke woorden wy Euyl, Veuyl, Leuyden, zouden schrijven.

+De uy hoortmen in Huys, Muys, Luyt, welke woorden men beter aldus zoude mogen schrijven / Huus, Muus, luuden, maer het is een kleyn gebrek / ende de veranderinge zoude zeer groot zijn.

Merk.4)

Somtijts verandert in de ghekoppelde woorden5) de z in eene s merk in zin ende Andersins, Gezicht ende Opsicht, ook in Booze, Boos, Wijze, ende Wijs.

Als ook voor eene k ende6) c staet / zo is de c zo veel als eene k als Stricken, Strecken, wort uytgesprooken als Strikken,7) Strekken, hier in en hebben wy de oude gewoonte / niet verandert / voorts kan men hier aen +klaerlic zien / hoe onoodelic de c in veele (6) plaetsen by eene k gestelt wort / ziet hier af vorder8) in het verdobbelen der letteren.

Dit hebben wy alleen van de spellinghe willen aenwijzen / ende wenschen dat de goede Lezer / de nutticheyt van het voorverhaelde aenmerke9) / voorts van verscheyden Letterstrijt10) / die daer by velen om geringe dingen zijn / die hebben wy als onnodig voor by gegaen.

+1
1)B 1; Plemp: moet Letterkonst genaemt werden.
+Definitie
2)L 7: Grammatica est ars bene loquendi. Plemp: dit is niet soo; hij is het met v.H. 's betoog over den naam Spraeckonst niet eens, zie n. 1.
+Orthographia, Etymologia, Prosodia, Syntaxis.
3)L 7: Partes Grammaticae sunt quattuor: Orthographia, Prosodia, Etymologia, et Syntaxis. Z. Inl. § 3a.

4)B 2; In zijn Speldwerk (1632, p. 3 vlg.) oefent Plemp critiek op de Tw. Ook critiseert hij v.H.'s opvatting inzake de spelling (aant. vóór in exemplaar-Plemp): ‘staet seer te letten op de stukies ich, ige, er, en, e, el, ing, lijk (er staat ljik), ap, ve, ge, ver, is, ij, ist, aen, aer, as, el, aem; om tot goede spelding te komen waer Christiaen van Huele ver af is ... (rest onleesbaar)’; in Speldwerk 7 vlgg. bespreekt Plemp de z.g. staertjes of terminationes.
5)L 7; Plemp: sy is seeker niet ende daer werd seer in gedoold.
6)De gebruikelijke alphabetische benaming; cf. Tw. 46.
+2
7)Bij Spiegel zedde; v.H.'s vorm zal samentrekking tonen, waarbij wschl. de kwaliteit van den klinker ongewijzigd bleef.
8)stemhebbende?

9)B 3; L 7: discrimina literarum.
+Vocales aut Consonantes.
+Vocales. Consonantes.
1)d.i. in samenstemming met een der vocalen; L: cum vocali.
+Besiet Pontus de Heuijter.
2)cf. Ampzing 24, Tw. 16/17, P. de Heuiter 50.
3)Spiegel geeft dezelfde vbb. op p. 18.
+Vocalis Consonans
4)wordt (met rekking voor r).
5)caulis; het volgende kool = carbo.
6)ik ruk; cf. Tw. 31 en Ampzing 36.
7)Een cédille (die in den druk blijkbaar weggevallen is); v.H. zelf geeft het onderscheid anders aan: de afwijkende o staat bij hem cursief gedrukt. Derhalve acht hij de open o gewoon, normaal; cf. Caron 35 n. 2.
+3

+De diphtongis.
8)B 8.
+Vocales
+Triphtongi
9)In Tw. 33/34 dezelfde opvatting als bij v.H.: er zijn ‘triphthonghen dats drieklancken, die van drie klinkers ghevoeght wórden: maar wy zullense hier onder den naam van tweklanken alle bevanghen’.
10)Plemp spelt de tweeklanken niet met -y maar met -i.

+De prononciatione AE.
11)Als Spiegel ae spelt, spreekt hij een gerekte è uit; als hij aa spelt, bedoelt hij een klank, die te voren altijd ae gespeld is; v.H. doet het weer op deze oude manier: zie het vorige caput.
1)opzien baart.
+4
2)cf. Ampzing r. 473 vlgg. Zie ook de ed. dezer Spelen door Dr L.M. van Dis en Dr B.H. Erné.
+Ai ofte Ay,
+Aey.
3)lang.
+Au.
4)Plemp schrijft er bij: A; hij bedoelt wschl.: niet de Au, maar de A in Au is kort.
+Aeuw.
+Ey.
+Eu.
+Eeuw ofte Eeu.
+ie.
+Ieuw ofte Ieu
+Oe.
5)cf. Tw. 36. Zie Hellinga 70 vlgg. met de opvatting oe = [u] en Caron 84 vlgg. m.d. opv. oe = oo.
+Oey.

6)Imperatief: merk op; Stevijn gebruikt ‘Merkt’ op gelijke wijze.
7)Zie litteratuuropgave in het betoog Caron 119 vlgg.
+Oy ofte Ooy.
+5
8)Tw. 32 vlg.
+ou.
9)Zie Hellinga 71 vlgg. met de opvatting ou = oo en Caron 96 vlgg. m.d. opv. ou = [u].
10)Een diphthong met open o-klank beginnend.
+ou. ou.
1)Dit ‘teyken’ is de cursieve druk.
2)waarnemen, constateren.
+Siet Pontus de Heuyter
3)In Brabant diphthongeerde men de ui volgens v.H. dus wel; de eerste component is duidelijk gedepalataliseerd. In uyl, vuyl, luyden zal v.H. een lichte diphthong horen met j-component tegenover huys, muys, luyt met zuivere monophthong; cf. P. de Heuiter 73 vlg. Zie Hellinga 118 vlgg. en Caron 113 vlgg. met literatuuropgaven in het betoog.
+uy.

4)B 5.
5)composita.
6)l. eene.
7)cf. B 12, Ampzing r. 846 vlgg. en de Toe-eygening van de Nederduydsche Spellinghe.
+6
8)z. A 30 vlgg.
9)opmerke, inzie.
10)allerlei getwist over letters.
prepostterug  begin  verder