Horatius de arte poëtica.
Multa renascentur quae iam cecidere, cadentque,
Quae nunc sunt in honore vocabula si volet usus,
Quem penes arbitrium est, et jus et norma loquendi.
JDEM AD POËTAS.
- Carmen reprehendite quod non
Multa dies, et multa litura coercuit atque
Perfectum decies non castigavit ad unguem.
Het tegen-woordich voornemen behooren5) ons billic by eenen yghelicken van haet en laster te bevryden, door dien wy aen eene zo-verlatene zake, onze hulpsame genegentheyt trachten te betonen, maer overmits dat een voornemen6) nochte ooc eene lovelicke Daet, ons voor de quaet-willicheyt der Wan-gunstige bevryden en kan, zo bieden wy het tegenwoordige aen de eerwaerdicheyt +V.E.7) zekerlic achten-[A2vo] de dat vele quaet-tongige, door V.E. uyt-nemende aenzienelikheyt, haer als gerust houden zullen.
Ende dewijle V.E. de verbeteringe onzer Tale, met den E. Aldegonde aengevangen, noch door eene onveranderlicke genegenheyt zonder aflaten ganschelic bevordert, zo hebbe ic vertrout dat deze mijne aenbiedinge V.E. in generleye wijze verworpelic zijn en zal, vorders verhopende met de uyt-nementheyt dezer Letter-eewe, het gewenscht eynde8) onzer moederlicke Sprake te bekomen.
Hier mede V.E. zeer-aenzienelicke Tael-lievende Vaders9) in de genade des Alderhoochsten bevelende,
Christiaen van Hevle
V E toegeneychde Dienaer.
De beschrijvinge der Neder-duysche1) Sprake en heeft in de voor-gaende tijden niet wenschelic2) konnen geschieden, om der gemeyne Schriften onvolkomenheyt wille3), waer door ooc het voornemen der aenzienelicke Tael-bezorgers Koornhert, de Amsterdamse Letter-konstenaers, Aldegonde, Kilianus en andere, byzonderlic schijnt verhindert4) te zijn.
Maer overmits onze Tale tegen-woordich met verscheydene onver-beterlicke werken meer en meer verlicht wert5), en gelijc Horatius zegt6), onze Poëten niets onbeprouft gelaten en hebben, zo is ons oog-merc uyt de uyt-nementheyt dezer Eewe, een nodich nuttich en ordentlic Tael-gebruyc aen te wijzen: De bequaemste tijt der Tael-beschrijvinge zoude ontwijfelic in lang voorgaende Eewen geweest hebben, in welke onze Voor-vaders alles hebben konnen invoeren7), datse tot het gemeyn8) bevonden te behoren, Nu daer-entegen is ons Gehoor zo teer, ende het Gezicht zo scherp, zo datter niets lijdelic9) en schijnt, het en zy gebruykelic10), kort11), zoet12), ja zelf13) de volmaektheyt overtreffende.
En aengezien onder onze Tael-lievelingen14) verschil is, in het na-volgen of af-wijcken des gemeynen gebruyx, zo en achten wy het niet ondienstich, van het oordeel der Sprake15) eenige Tael-wetten voor te stellen.
| 1. | Het gebruyc eener Tale, stelt de byzonderste en krachtichste wet. |
| 2. | Hier naer volcht de reden, welke alles met toe-latinge des gebruyx regeert. |
| 3. | +Men behoort zorch-vuldichlic acht te nemen om het onderscheyd der Geslachten, ende der Gevallen te behouden, welke tot nootzakelicken dienst, ofte tot Cieraet in alle geachte spraken plaetse hebben. |
Dewijle het dan blijkt dat het Gebruyc na de Reden aengeleyt een oog-merc ter Volkomenheyt16) is, zo achten wy deze waerschouwingen vorderlic, om het Gebruyc met Reden te overwegen.
1. Het gemeyn Spreken, trekt altijt na kortheyt der woorden, en zoet-vloejentheyt17) der silben, en is om des veel-voudigen gebruyx wille18) den gemeynen ooren alder aengenaemst.
2. Zommige woorden en hebben geen aenzienelikheyt19) in het spreken, welken20) nochtans het Schrijven of Redenen eene wenschelicke bequaemheyt uytdrucken.
3. Het schijnt dat onder alle geachte Volkeren een gemeyn1) ende een byzonder 1) Tael geweest is.
4. Het acht-baer gebruyc2) is ooc door het gemeyn spreken, dik-maels in vergetinge, ende de Talen ten verderve gebracht.
Want onder de Hebreen heeft3) de gewoonte zo verre van hare Taelorder verscheyden geweest, dat niet allenelic de gemeyne Ioden van de Hebreeusche schriften en vervreemdeden, maer de Wetgeleerde zijn ooc, door verloop des tijts in de onwetenheyt der Hebreeusche sprake zelfs vervallen, hier af blijken eenige getuygenissen in de Griexsche overzettingen4).
Alzo heeft 3) ooc de swaricheyt der Latijnse wetten, in het gemeyn gebruyc +vermijt5) geweest [A 4] welc gebruyc eerst slecht6) Latijn zijnde, door menichvuldige dagelixse veranderingen, de Italiaensche sprake geworden is:
Eene sprake bestaet in twee delen7), als in kennisse der woorden, ende in de wetenschap van de veranderinge der zelve woorden.
Aengaende de kennisse der woorden, die is in het gemeyn gebruyc byna onstraffelic8) zo in Enkele als in Same-gevougde woorden9), ooc in Namen van werc-tuygen en Konst-woorden10), zo dat het gebruyc dezer woorden, zelf by de ongeleerde, meer verwonderlic als berispelic is.
Het ander deel der Sprake, welc in de veranderingen der woorden bestaet, is ten dele11) onbekent, en ten dele 11) twijfelachtich, ende het byzonder wit onzes tegen-woordigen werx, ende is gelegen in het onderscheyt der Geslachten, ende de Buygingen der woorden, met den aenkleve van dien, alle Goet-gunstige willen in ons werc Horatius waerschouwinge gedenken dat het zeer swaer is, yet gemeyns eygentlic12) te konnen zeggen, Difficile est proprie communia dicere13), ende al is het dat wy ons vermogen zeer kleyn tot het tegen-woordich werc, erkennen te zijn, zo hebbe ic gelijc Iuvenalis zegt door onwaerdicheyt gedaen, het gene dat ic konde, Si natura negat, facit indignatio versum, qualemcunque potest14).
Dat onze Exemplaren yets van de vorige verschillen, is alleen in order15) en niet in de zake, in welke order wy achten eenich voordeel, door het verloop des tijts, ende de Ervarentheyt onzer Eewe bekomen te hebben.
Ooc hebben wy in alles aengeleyt16), om den Nederduytschen Lezer bequamelic te dienen, Vaert wel.
Qui patrium proprio reddens idioma nitori,
Peregrina nostro verba proscribis solo,
Verbaque germanum cogis genuina sub agmen,
Non nomine tantum, at re quoque Christianus es:
Flumina enim purae plandens1) illimia linguae,
Facis, frequentes ut redundent rivuli,
Unde exsucca sitim restinguere Patria possit,
Civisque civi saepiuscule Barbarus.
Ergo te patriae prognatum in commoda civem,
Dignum coronâ quis negarit civicâ?
Daniel Gallus.