terug  begin  verderprepost

+Van de Spellinge4).

  { +De benaminge der letteren.
+In de Spellinge wort aengewezen { Onderscheyt der letteren.
  { Veranderlicke letteren.
  { +Twee-klanken.
  { Silb-scheydinge.

Van de Letteren.

In het Neder-duytsch gebruyken wy deze Letteren / als A, B, C, D, E, F, G, H, I, J, K, L, M, N, O, P, Q, R, S, T, U, V, W, X, Y, Z.

[p. 8]

+De uyt-sprake der Letteren.

De Letters word aldus uyt-gesproken / A, Be, Ce, De, E, eF, Ge, Ha, I, Je, Ka, eL, eM, eN, O, Pe, Que, eR, eS, Te, U, Ya1), Wa, eX, II, Ze.

+De y en is anders niet / dan eene dobbele I, ende de Z, is by de Latijnen / zo veel als eene dobbele S, doch wy haer eenichsins volgende / gebruyken de Z voor eene sware S.2)

+Onderscheyt der Letteren.3)

De Letteren worden ghescheyden / in Klinkers en Me-klinkers / daer zijn vijf Klinkers of Vocalen / als A, E, I, O, U, de andere Letteren zijn alle Me-klinkers of Consonanten.

De Klinc-letters worden alzo genaemt / om datse in de uyt-sprake / eygentlic4) na haren naem5) klinken / maer de Me-klinkers luyden altijt / na een der Klinc-letteren6) / daerom zy ooc Me-klinkers genaemt worden.

+Wy hebben de I en V twederley / de eene I is eene Vocael / welke gehoort wort / in het uyt-spreken van ic, in yemant7), de j is een Consonant / en wort gehoort in Jan, ja, joc, jonst, jillis (twelc-men Gillis8) plach te schrijven). Het ghebruyc van deze Consonant / wort oock by de Hebreen zeer onderscheydelic gebruykt / als in Jehova, Josua, Joseph, wort ooc van haer jod genaemt.

+De klinkende u hoortmen in ure, uyt, Huys, de Me-klinkende heeft9) in de uytsprake van vrede, vleesch, vyant.

+Het ghebruyc der Consonant v, is mede den Hebreen ghemeyn / welcke die vau namen10) / zeer naer onze uyt-sprake gelijc.

+De Consonanten worden by de Latijnen gedeelt in Stomachtige ende +Smeltende let-(4)teren11) / de Stom-achtige zijn F, L, M, N, R, S12), om dat in de uyt-sprake dezer Letteren de Vocalen voor gaen / gelijc men zien mach / in ef, el, em, en, er, es, ex.

[p. 9]

+De Smeltende letteren zijn B, C, D, G, H, I, K, P, Q, T, V, W, Z, deze Letteren uytgesproken zijnde / eyndigen in eene Vocael / gelijc men zien mach in be, ce, de, ge, ha, je, ka, pe, que, te, va, wa, ze.

+Daer valt ooc onderscheyt / in het uyt-spreken der O, welke in het een woort / anders dan in het ander uyt-gesproken wort / merc in kool des velts / en kool des vyers / ooc Rooc, welc is Reuc, en Rooc van brant / alzo ooc ic bood ende boot Scapha, een roc1) Tractus, ende een Roc Tunica, dit onderscheyt zoude-men / met eenich by-teyken onder aen de O konnen aen-wijzen / of ooc wel eene onder-scheydene O nemen / gelijc wy in deze woorden gedaen hebben / zonder merkelicke veranderinge van nieuwicheyt.

+In de uyt-sprake der E valt ooc een merkelic onderscheyt / als in me2), una, en mee kruyt / ze ipsa en zee mare, dit onderscheyt wort gemeynelic met eene enkele of met eene dobbele E geschreven / doch daer blijft noch eenich gebrec der volkomenheyt.

Van de veranderlicke Letteren.3)

+In het Neder-duytsch hebben wy eenige veranderlicke Letteren / als +CH wort ver-(5)andert in G, S wort dic-mael verandert in Z, en T ooc wel in D, F in K4), deze veranderinghen der Letteren / mach men uyt deze woorden afnemen / als /

Heylich en Heylige, CH in G
Wijs en Wijze, S in Z
Woort, en Woorden T in D
Wijf, en Wijven F in V
Zaec en Zaecken C in K.

Ooc zo schijnt onder deze veranderlicke Letteren de U te behoren / welke in eenighe woorden in eene W verandert als in /

Leeu en Leewen of ooc Leeuen
Zeeu en Zeewen   Zeeuen
Blaeu en Blaewen   Blaeuen
Hieu en Hiewen   Hieuen.

+In het veranderen dezer Letteren volgen wy de Grieken / welke de ξ en ψ veranderen in κ, γ, χ, π, β en φ als in

[p. 10]

ϑώραξ, ϑώρακος. ὠψ, ὠπὸς.
ἅρπαξ, ἅρπαγος. ἄραψ, ἄραβος.
ϑρὶξ, ϑρίχὸς. κατῆλιψ, κατήλιφος.1)

+De Geleerde onzer eewe / zijn zeer twistich om dezer Letteren veranderinghen +wille / vele achten datmen alle woorden be-(6)hoorde met de minste veranderingen te schrijven / daerom op het eynde der woorden altijt G in plaetse van CH, ooc D, Z, K in plaetse van T, S, en C stellende / de aenzienlixste Tael-kenders die deze spellinghe voorstaen / zijn Kilianus, Grotius, de Hubert, Ampsingius en Iacob vander Schure.

De Geleerde welke met onze Voor-ouderen en ons over-een-stemmen / zijn byzonderlic Koornhert, Aldegonde, Heynsius, Cats, ende de Bybelsche Overzetters.

+Onze Voor-ouders welke wy in dezen dele nae-volgen / hebben in hare spellinge / de meeste lichticheyt der uytsprake neirstelic waerghenomen / want deze woorden Dach, levendich, Hant, geleert2) vallen in het uytspreken lichter als / Dag, levendig, hand, geleerd, daerom ooc Ampsingius in zijn Tael-bericht toe-staet3) / datmen de woorden na ouder gewoonte behoort te lezen alhoewel hy die anders oordeelt te schrijven / Wy oordelen in het tegendeel / dat wy meerder reden hebben / om volgens onze uytsprake te schrijven / dan dat wy om des gevolgs wille4) / anders zouden schrijven / dan wy behoren te lezen: deze redenen en het loffelic gebruyc der Grieken hout ons aen5) de outheyt / daer-en-boven ooc de verzoetinge onzer menich-voudige swaer-tongige silben.

I. Merc.

Daer valt ooc zomwijlen veranderinge in het uytspreken der Letteren / +alhoewel (7) de Letters zonder veranderinge blijven / want Als eene z achter B, D, F, G, H, K, P, S, T, X komt zo wort die als eene S zachskens uytgesproken / want

  { rad zeggen }   { rad6) seggen
  { af zeggen }   { af seggen
  { och zeggen }   { och seggen
In plaetse { ook zeggen } zeggen { ook seggen
van { op zeggen } wy { op seggen
  { ons zeggen }   { ons seggen
  { ontzeggen }   { ont seggen.

[p. 11]

En als achter B, D, F, G, H, K, P, S, T en X eene V volcht / zo wort die als eene F uytgesproken / als

  { dood vliegen }   { dood1) fliegen
In plaetse { af varen } zeggen { af faren
van { rooc vatten } wy { rooc fatten
  { ons vieren }   { ons fieren.

II. Merc.

Tot verzoetinge der Silben / wort deze verzachtinge der Letteren / zeer dienstelic gebruykt / door welk oog-merc de Hooch-duytschen en de Vriezen / de Z, D, ende de V gemeynelic in S, T en F veranderen / zeggende Sone, Toot, Froom in plaetse van Zone, Doot, Vroom, etc. Welc gebruyc2) zijne nutticheyt heeft / doch zonder gheachte aenzienelikheyt: Van deze verzoetinge3) der uyt-sprake / volgen verscheyde opmerkingen / in het laetste deel dezer Spraec-konst.

+III. Merc.

Daer zijn ooc eenige woorden / welke een geheel onderscheyt maken / door eene T of D op het eynde te schijven / als

Wand murus Want chiro theca.4) Bloot nudum Blood timidum.
Rad glis5) Rat rota. 5) Voet pes Voed nutrio.

Diergelijke behoren onderscheydelic geschreven te werden / om des onderscheyts wille.

+Van Twee-klanken.6)

Als in eene Silbe meer als eene klink-Letter komt7) / zo wort zulken silbe / een tweeklanc genaemt / als Leeu, vreucht, ziec.

+Alle de Twee-klanken zijn deze / als AE, AE, Ai, of Ay, Au, AEu of AEuw, EE, Ei, of Ey, Eu, EEu, Euy, IEU, of IEuw, OE, OEy, Oy, of Ooy, Ou, uE, Uy of Uu, in dezer Silben kennisse bestaet / wel het voornaemste deel der Spellinge.

Van de uytsprake der Twee-klanken.8)

+De AE willen de Amsterdamsche Letter konstenaers uytgesproken hebben / als het blaeten der Schapen / en stellen AA in plaetse daer de oude schrijvers

[p. 12]

+AE ghestelt hebben / schrijvende maar, daar, naar, ende (9) houden de uytsprake van AE als het ἦτα der Grieken zoo dat de woorden Paert, Baer, Haert en diergelijke / zeer volkomelic nae haren aert uytgesproken worden / het welc men met de oude spellinge niet en heeft konnen doen / maer door dien alle niewicheyt / in tgemeyn een groot opzicht heeft1) / en om dat wy in dit tegenwoordich werc / verscheyde niewicheden / als teghens onzen danc2) hebben moeten inbrengen / daerom hebben wy eene veranderinge +aengewezen de Twee-klanc AE aldus AE schrijvende / zo dat de uytsprake van Paert, Baer, haert, etc. zeer bequamelic onderscheyden wort / deze onderscheydinge +wort ooc by Kilianus, en ooc voor hem in de oude Spelen van Gent gebruykt.3)

+Merc.

Ooc om Paert, baer, haert zonder vreemde Letteren te schrijven / kan ten dele uytgebeelt worden aldus / Peirt, beir, heirt, veirdich, etc. de I achter de E stellende.

+De Ai of Ay hoortmen in Haij, Kaij de A kort uytsprekende / doch en valt in geenighe woorden5) voor.

+Maer in Aey hoortmen de A gedurich / als in zaey, maey, draey.

+De Silbe Au, hoortmen in snau, gau, kau.

+Deze uyt-sprake schijnt wat langer te vallen in de Silbe AEu, als mede in blaeu, graeu, raeu, paeu.

+De EE hoortmen in zee, mee (eene aerd-vrucht).

++De Ey hoortmen in Geyt, reyken, reyn.

+De Eu hoortmen in Heur, deur, Neuze.

+De Eeu hoortmen in Leeu, schreeu, sneeu.

+De Euy hoortmen in Leuyheyt, steuyten, Fleuyten, ooc in de Brabantsche uyt-sprake van Uyl, vuyl, luyden, welke woorden men nae de Brabantsche uyt-sprake / zoude aldus moeten spellen Euyl, veuyl, leuyden.

+De ie hoortmen in het geroep der Kiewitten ooc in zie, bie, niet, iemant.6)

+De ieu hoortmen in het uyt-spreken van Hieu, nieu.

+De Oe hoortmen in zoet, bloet, goet.7)

+De Oey hoortmen in Koeyen, bloeyen, roeyen, deze woorden zoude-men wel zo bequamelic aldus mogen schrijven / Koejen, bloejen, roejen, ooc en ware het niet vreemt / datmen schreve Koeijen, bloeijen, roeijen.

[p. 13]

+De oy of ooy hoortmen in mooyen1), hoyen, doyen, of aldus hojen, mojen, dojen.

De Ou2) hoortmen in Grou, vrouch, voug, ooc in het ou der Francoysen / ooc in de Vlaemsche uytsprake van Hout, zout, gout.

+De ue3) hoortmen in muer, zuer, huer, buer.

+De uy4) hoortmen in Huys, luyt, muys welke woorden men beter zoude mogen schrijven Huus, luut, muus, maer de veranderinge zoude swaerder schijnen / dan de grootheyt des gebrecx.

Van de overtollige Letteren des gemeynen gebruyx.

++Wt alle de voor-gaende opmerkingen zien wy / dat over al mach een enkele I, in plaetse van eene y gestelt worden / het welc Huyterus en Ampsingius, ooc van der Mijle in zijn Spraec-beschrijvinghe zeer wel waerneemt / desgelijcx ooc Grotius in het Rechtbouc / want als men in plaetse van zaey, maey, reyn, roey, mooy, leuy, heyl, zoude schrijven zaei, maei, rein, roei, moi, leui, heil, hier en zoude niets vande volkomentheyt / dan gewoonte van zien5) ontbreken.

Ooc is by ons overtollich de eene o in ooy.6)

Ooc moghen vele plaetsen / enkele Letteren lijden / in plaetse datter altijt dobbele geschreven worden / als zi, hi, wi, liden, zide, tiden, alzo ooc lezen, voor leezen, leren voor leeren, deze verkortinge der letteren is gehelic in vorige tijden gebruykt / en nu ganschelic vervallen / de oorzake die onze voor-ouderen7) tot veranderinge gehat hebben / is alleenelic / om de woorden met de minste veranderinge8) der letteren te schrijven / als tot exempel / wide, tide, leze, wort volkomelic met eene Vocael geschreven / +welcke Vocael nootsaekelic dobbel moet zijn in wijt, tijt, lees. Doch wy9) hebben ons van de gemeyne order laten overwinnen.

De enkele I vertoont heur zeer cierlic / in vrijicheyt, leuijicheyt, kleijich, etc.

Ooc zo11) is in eene silbe onnodich / dat men ck, in plaetse van eene c of +k alleen stelle want de c wort op het eynde der woorden / altijt voor eene k +gestelt als men nu Ick, lijck, strick, aldus schrijft / zo is het (12) ontrent zoo veel / als of men over al / eene dobbele k stelde / en schreve Ikk, lijkk,

[p. 14]

strikk, om dan de weynicheyt der letteren waer te nemen / en om de gewone ogen iet te dienen1) / zoude het wel geradenst schijnen / datmen over al eene enkele c op het eynde der silben behielde / schrijvende Ic, lijc, stric, stoc, etc.2).

Ooc is de C overtollich in alle woorden die wy met CH schrijven / want Heilih, dah, luhtih, shoon, aldus geschreven zijnde / veroorzaekt merkelicke kortheyt / ende zoetvloeyentheyt.3)

Dit hebben wy allenelic van de spellinge willen aenwijzen / wenschende dat de Spellerighe4) / de nutticheyt van het verhaelde waer-neme beneven het gemeyn gebruyc: Die verder lust heeft / van de Spellinge te lezen / die wijzen wy tot de Letterkonst van Pontus Huyterus, ooc van Iacob van der +Schure, ende David Mostaert,5) dewijle wy ooc het gemeynste gebruyc lijdelic6) / en daer-en-boven onveranderlic achten / zo volgen wy de spreuke Quintiliani het onveranderlicke / in zijn geheel7) latende.8)

+Van de Silben.

Eene Silbe is een woort / of deel eenes woorts / welc men met eene mont sluytinge of openinge uytspreeckt / als On-sluy-ten,9) o-ver-win-nen, elc dezer deelkens / is eene silbe.

+Van de Silb-scheydinge.

+Als in eenich woort eene enkele Conso-(13)nant is / zo behoort die Consonant (in het lezen) tot de laetste Silbe / als in wij-ze, vro-me, goe-de, Ro-mey-nen behoren de consonanten z, m, D, M, N tot de laetste silben.

Maer alser eene Letter / in eenich woort verdobbelt wort / dan behoort

[p. 15]

de eene letter tot de voorgaende / ende de andere letter tot de volgende Silbe / als wis-sen, snel-le, zin-nen.1)

+Als in een woort twee Consonanten komen die te zamen konnen uytghesproken worden / zo behoren die gemeynelic tot eene Silbe / als be-schaemt, ge-schent, gedwaelt.

Als in eenich woort twee verscheyde Consonanten komen / zo moet (gemeynelic) de eene Consonant / tot de voorgaende / ende de andere Consonant tot de volgende Silbe in het lezen gescheyden worden / als Han-den, hoor-den, aen-zien, eer-baer, lief-de.

Deze Silb-scheydinge zoude gehelic / in gemeyne regelen konnen beschreven worden / maer om kort te zijn / gaen wy zulx voorby.

+In Orthographia docetur.
4)A 1.
+Litterarum pronuntiationes.
+Litterarum differentiae.
+Litterae mutabiles Diphthongi et Syllabarum divisiones.

+Litterarum pronuntiatio.
1)Drukfout voor Va; vgl. de juist opgesomde letters en A 1.
+3
2)KB: sijn onse taal vreemst en konnen heel after gelaten werden.

+Litterarum differentiae describuntur in Vocalibus et consonantibus
3)A 2.
4)wezenlijk, letterlijk.
5)naar de benaming in het alphabet.
6)Zij kunnen slechts klinken (‘luyden’) naar een der klinkers, d.w.z. zich nauw aansluitend bij een van die.
+I et V consonantes et Vocales.
7)Met y gespeld, om aan te geven, dat de uitspraak beslist niet consonantisch mag zijn; cf. Nederd. Sp. 44: ‘zoo steldmender ye, als: ... yemand, enz. om datmen (alst met ie geschreven ware) de i niet voor j lezen en zoude’.
8)Goede onderscheiding van klank en teken.
+U vocalis.
9)Hierachter is ‘men’ weggevallen.
+V consonans.
10)die haar vau noemen.
+Consonantes sunt mutae aut liquidae.
+4
11)Volgde v.H. een voorbeeld? Niet L 7: Muta est quae sonum habet obscuriorem, ut in qua sonus vocalis sequitur, ut be, ce, de, ge, ka, pe, qu, te. Semivocalis est quae sonum habet clariorem, ut in qua sonus vocalis praecedit: ut el, em, en, er, es, ix, z. f, profertur ut semivocalis, sed potestate muta est. Of is v.H. door het laatste zinnetje in de war gebracht? Melanchthon rekent in navolging van Priscianus de f tot de mutae; over het algemeen deed men dit niet in Duitsland volgens Jellinek II, 28.
12)Hier zal nog X moeten toegevoegd worden blijkens het vervolg.
+Consonantes liquidae.
+Pronuntiatio differt in littera O.
1)ruk.
+Pronuntiationes differentes in E.
2)Om de betekenis bezwaarlijk op te vatten als gesproken met ə; de klinker zal korter zijn dan die van mee, kruyt; cf. mee-krap met oorspr. ê. Evenzo in het vb. ze, ipsa tegenover zee, mare. Enig kwalitatief verschil is toch wel waarschijnlijk: de ee van mee en zee kan opener gesproken zijn dan de e van me en ze. Het laatste kan een geringe klankwijziging zijn van zij, dat vermoedelijk uitgesproken werd met een gerekte ï; zie Caron 133 vlgg.

3)A 5, 30. Zie Caron 55-63, waar dit caput uitvoerig behandeld is.
+De Litteris mutabilibus
+5
4)l. F in V, C in K.
+Litteras mutabiles Graecocorum5) sequimur.
5)l. Graecorum.
1)Deze Gr. vbb. ontleende v.H. in dezelfde volgorde aan Clenardus. Maar ϑρίχος is verkeerd overgenomen: Cl. heeft de juiste spelling τρίχος.
+Autores qui Litteras mutabiles rejiciunt.
+6
+Descriptio causae Litterarum mutabilium.
2)cf. A 34, waar v.H. op het ‘Veelvoudig’ wijst. Zie Caron 58-9. In KB staan de verlengde vormen er naast geschreven: dagen enz. De schrijver meent dus ook - en terecht -, dat v.H. met het ‘uytspreken’ van Dag een uit het meerv. afgeleide uitspraak bedoelt om het onjuiste hiervan te tonen.
3)toegeeft, erkent.
4)om de gelijkvormigheid.
5)houdt ons bij.

+7
6)Met gelijkvormigheidsspelling om verwarring te vermijden.
1)Met -d om analoog te handelen als bij rad zeggen?

2)nl. van de letters te schrijven gelijk ze uitgesproken worden in de ‘verzoetinge’.
3)B 147. Zie ook de behandeling van dit onderwerp in Caron 63-67.

+8
4)handbedekking.
5)Ongetwijfeld drukfout voor Rat glis (het dier) en Rad rota (wiel), want v.H. spelt hier naar den regel der gelijkvormigheid. Zo ook op blz. 7: rad zeggen. In KB zijn correcties aangebracht: Rat glis, Rad rota.

+De diphtongis
6)A 3.
7)geschreven staat.
+Triphthongi.

8)A 3.
+Diphthongorum pronuntiatio.
+9
1)opzien baart.
2)wil.
+Diphthongus.
+Kilianus in Etymologico.
3)KB: Dit waren Vlamingen, maar bij de Hollanders, kan sulks geen plaas grijpen.

+Deze spellinge wort ooc aen gewezen van4) der Schuere.
4)l. van Van. In de Nederd. Sp. vinden we de genoemde spelling. KB: dit kan ik in geen deelen goed vinden.
+Ai, Ay.
5)in geen beschaafd uitgesproken woorden; cf. Nederd. Sp. 41, waar de ‘wijd-gapige’ uitspr. hay, kay voor hey, key afgekeurd wordt.
+Aey.
+Au.
+Aeu.
+EE.
+10
+ey.
+Eu.
+EEu.
+Euy.
+IE.
6)Om de spelling bij de tweeklanken geplaatst.
+Ieu.
+Oe.
7)Zie A 4 n. 5.
+Oey.
+Oy, Ooy.
1)opschikken (WNT).
2)Zie A 5 n. 9.
+uE.
3)De e duidt een overgangsklank naar de r aan.
+uy.
4)Zie A 5 n. 3.

+Litterae supervacaneae.
+11
5)de gewenning aan het spellingbeeld.
6)De tweede o is overbodig, vermoedelijk omdat de kwaliteit en de kwantiteit reeds door de eerste voldoende is aangeduid; maar in Oey is de -e- wschl. nodig om de geslotenheid der o aan te geven.
7)Het geslacht dat leefde na de genoemde ‘vorige tijden’.
8)naar den regel der gelijkvormigheid.
+Ziet Ampsingius Taelbericht10).
10)Ampzing zou het liefst spellen kleijich, vrijicheyd ‘wanneer de eene zilbe met eene i eyndigd, ende de andere daer mede begint’ (r. 1240 vlg). Van H. vindt deze spelling ‘zeer cierlic’, omdat ze de klanken zo precies aanduidt: de j staat aan het begin van de tweede syllabe.
9)Het tegenwoordig geslacht.
11)A 5.
+Litterae supervacaneae.
+12
1)aan de gewendheid der ogen toch wat tegemoet te komen (de c te behouden).
2)De Nederd. Sp. keurt spellingen als pac, vermaec af. Ampzing r. 844 vlgg. schrijft ik en keert zich tegen De Heuiter, die ic spelt.
3)Het schijnt, dat v.H. er van uitgaat, dat die ch vroeger ook is uitgesproken als c + h. Zie De Heuiter 42: in schoon zou een k ‘haer nature geensins (kunnen) bezigen’, maar c wel ‘een weinih’, hou wel s. en h. geheel haar zouken te verdrucken en verdoinkeren’. Achter v.H.'s ‘geschreven’ vulle men aan ‘en dus ook gelezen’.
4)Spellingbeoefenaar (ironisch bedoeld?).
+Quintil. quae mutare non possum relinquo.
5)z. Inl. § 2b.
6)aanvaardbaar.
7)onaangetast.
8)Deze gedachte treffen wij bij Q. in zijn Institutio Oratoria telkens aan. Men zie Dr G. Kuiper, De waardering van Spiegels Twe-spraak, Harderwijk 1947, 29 n. 27. In den door v.H. gegeven vorm heb ik haar evenwel niet kunnen vinden. Het is niet onmogelijk, dat v.H. steunt op Ampzing, die Horatius' ‘quae desperat tractata nitescere posse, relinquit’ (Ep. ad Pis. 149, 150) in den eersten persoon overbrengt, terwijl hij het gezegde een algemene strekking geeft: Dat niet wil gaen, dat laet ik staen (r. 1030). Dit komt zeer overeen met den door v.H. gegeven Lat. vorm. Maar dan moet v.H. het rijmpje abusievelijk in verband hebben gebracht met den naam Quintilianus en op een zeer vrijmoedige wijze ‘citeren’.

+De syllabis.
9)In B 150 blijkt, dat v.H. on- het eigenlijke voorvoegsel vindt, niet ont-.

+Syllabarum divisio.
+13
1)cf. B 149. Van H. heeft de Silbscheydinge goed waargenomen; hij meent niet, dat er twee consonanten gehoord worden.
+Van deze Silbscheydinge heeft Adolphus Venator geschreven2).
2)Adolphus Tectander Venator, pred. te Alkmaar, ontslagen 1617 om zijn niet-Geref. leringen, schreef een paar zinnespelen. Hierin wordt over Silbscheydinge niet gesproken. De gemeentearchivaris van Alkmaar berichtte mij, dat ook hij onder de vele geschriften van Venator niets van taalkundigen aard heeft kunnen ontdekken.
prepostterug  begin  verder